Herman Gorter

Het historisch materialisme

Voor arbeiders verklaard



Geschreven: 1908
Bron: Uitgave De Tribune. Heruitgave 1975, Proletarisch links, een uitgave van de Internationale Kommunistenbond (IKB), Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale
Vertaling: geen
Deze versie: Aanpassen van spelling, woorden en zinsbouw
Transcriptie en HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2005


I. Het doel van dit geschrift

De sociaal—democratie is niet alleen het streven om de productiemiddelen, de natuurkrachten, de werktuigen en de bodem te brengen uit het bezit van private personen in gemeenschappelijk bezit, en dit te doen door de politieke strijd, de verovering van de staatsmacht, de sociaal—democratie is niet alleen een politieke en economische strijd, zij is meer dan dat, zij is ook een ideële strijd, om een wereldbeschouwing, tegen de bezittende klassen.

De arbeider die de bourgeoisie wil helpen ten onder te brengen en zijn klasse wil maken tot de heersende in de staat, moet in zijn hoofd de burgerlijke gedachten, die hem van kindsbeen af door staat en kerk zijn bijgebracht, overwinnen. Vakbond en politieke partij, u zult nooit met hen overwinnen, zijn niet genoeg. U moet u zelf innerlijk tot een ander mens maken dan de heersers u maakten. Er is een manier van denken, een overtuiging, een wetenschap, die de bourgeoisie verwerpt, maar die de arbeider tot de zijne moet maken om de bourgeoisie te overwinnen.

De bourgeois wil de arbeider wijs maken dat de geest meer is dan het stoffelijk maatschappelijk zijn, dat de geest de stof beheerst en vormt. Zij hebben zelf de geest tot nu toe als een middel gebruikt tot heerschappij, zij hebben de wetenschap, de wet, het recht, de politiek, de kunst, de kerk, en daarmee heersen zij, nu zouden zij graag de arbeiders diets maken, dat dat zo ligt in de natuur, dat de geest van nature beheerst het maatschappelijk stoffelijk zijn, beheerst het werk, dat de arbeider doet in de fabriek, de mijn, op het veld, op spoor en boot. De arbeider die dit gelooft, die gelooft dat het de geest is die uit zichzelf de productie schept, de arbeid en de maatschappelijke klassen maakt, hij zal zich aan de bourgeoisie en haar handlangers, de priesters, de geleerden, etc. onderwerpen, want de bourgeoisie heeft het grootste deel van de wetenschap, heeft de kerk, heeft dus de geest, en moet, als dit waar is, heersen.

Daarom, om haar macht te houden, maakt de bezittende klasse dit de arbeiders diets.

Maar de arbeider die vrij wil worden, die de staat wil brengen in de macht van zijn klasse, die de productiemiddelen wil ontnemen aan de heersers, hij moet begrijpen dat de bourgeoisie met haar voorstelling van de zaak liegt en dat het niet de geest is die het zijn, maar het maatschappelijk zijn dat de geest bepaalt.

Begrijpt de arbeider dit, dan zal hij zich van de geestelijke overheersing van de bezittende klassen vrij maken, en tegenover hun denken een eigen, sterker, waarachtig denken stellen.

Maar bovendien omdat, zoals wij elders hebben aangetoond [1], de maatschappelijke ontwikkeling, het maatschappelijk zijn zelf in de richting van het socialisme gaat, het socialisme voorbereidt, zal de arbeider die dit begrijpt, én begrijpt dat zijn socialistisch denken door het maatschappelijk zijn wordt veroorzaakt, inzien dat wat er buiten hem in de maatschappelijke wereld gebeurt de oorzaak is van wat er in zijn hoofd gebeurt, dat het socialisme in zijn hoofd wordt omdat het daarbuiten in de maatschappij groeit, hij zal met andere woorden voelen dat hij de waarheid over de werkelijkheid bezit, en dit zal hem de moed, en het vertrouwen geven die voor de sociale revolutie nodig zijn.

Deze kennis is dus voor de proletarische strijd even nodig als de vakbond en de politieke strijd, ja, men kan zeggen dat economische en politieke strijd niet ten volle kunnen gestreden worden zonder die kennis. Want geestelijk slaaf te zijn, verhindert de stoffelijke strijd goed te voeren, zichzelf, armen proletariër, geestelijk sterker te weten dan de heersers, verheft reeds boven hen, en geeft de kracht hen ook stoffelijk te verslaan.

Het historisch materialisme is die leer, die duidelijk maakt dat het maatschappelijk zijn de geest determineert, het denken dwingt in zekere banen te gaan, het willen en handelen van personen en klassen bepaalt. Wij zullen trachten in dit geschriftje zo eenvoudig en helder als wij kunnen, aan de arbeiders de waarheid van deze leer te laten zien.

II. Wat het historisch materialisme niet is

Maar voordat wij er toe overgaan aan te tonen wat het historisch materialisme is, moeten wij om enige vooroordelen weg te nemen en misverstand te voorkomen, eerst zeggen wat het niet is. Er is namelijk behalve dit geschiedkundige materialisme dat de bijzondere leer van de sociaal—democratie en door Friedrich Engels en Karl Marx gegrondvest is, nog een ander, misschien zelfs meerdere materialismen, n.l. het wijsgerige. En die stelsels spreken niet zoals het historisch materialisme, over hoe de geest door het maatschappelijk zijn, de productiewijze, de techniek, de arbeid wordt gedwongen zich in zekere richting te bewegen, maar zij spreken over de samenhang van lichaam en geest, stof en ziel, god en wereld, etc. Die andere, niet geschiedkundige, maar algemeen wijsgerige stelsels trachten een antwoord op de vraag te geven: hoe verhoudt zich het denken in het algemeen tot de materie, of hoe is het denken ontstaan? Het historisch materialisme vraagt dit niet, maar... hoe komt het dat er in een bepaalde tijd zo en zo gedacht wordt? Het algemeen wijsgerig materialisme zal bij voorbeeld zeggen: de stof is eeuwig en uit haar komt onder bepaalde omstandigheden de geest voort, om, als die voorwaarden niet meer bestaan, te verdwijnen. Het historisch materialisme zal zeggen: dat de proletariërs anders denken dan de bezittende klassen, komt daar en daar vandaan.

Het algemeen wijsgerig materialisme vraagt naar het wezen van het denken. Het historisch materialisme vraagt naar de oorzaak van de veranderingen in het denken. Het eerste zoekt zijn oorsprong, het tweede zijn groei. Het eerste is wijsgerig, het tweede geschiedkundig. Het eerste onderstelt een toestand waarin nog geen denken, geen geest bestaat, het tweede onderstelt het bestaan van de geest. Men ziet het grote onderscheid.

Wie de leer van de sociaal—democratie wil onderzoeken en leren kennen, moet beginnen met dit onderscheid goed in het oog te houden. Want de tegenstanders, vooral de gelovigen, zijn er op uit die twee met elkaar te verwarren, en door de afschuw voor het eerste, bij de gelovige arbeiders ook het tweede in de ban te doen. De leiders van de gelovigen zeggen: het materialisme verkondigt dat de hele wereld niets is dan mechanisch bewegende stof, dat stof en kracht het enig eeuwig en absoluut bestaande is, dat denken slechts een afscheiding is van de hersens als de gal van de lever, de materialisten zijn stofvergoders en het historisch materialisme is hetzelfde als het wijsgerig materialisme. De arbeiders, vooral hier te lande in wie nog veel slaafse aanbidding voor de geest schuilt en van wie er nog maar zeer weinige de juiste gedachten van de sociaal—democratie over het wezen van de geest kennen, zoals vooral Jozef Dietzgen die beschreven heeft, geloven dit, en zij krijgen er een afschuw van naar de socialistische sprekers te gaan luisteren die hen willen leiden naar de stofaanbidding en zo naar de verdoemenis.

Welnu, die beweringen zijn leugens. Wij zullen in het volgende door een reeks van voorbeelden bewijzen dat het historisch materialisme niet handelt over de algemene verhouding van geest en stof, ziel en materie, god en wereld, denken en zijn, maar dat het alleen de door de maatschappelijke veranderingen veroorzaakte veranderingen in het denken aantoont.

Wij zullen dus een machtig wapen aan de christelijke demagogen uit de hand slaan.

Maar als wij aantonen, dat het geschiedkundige materialisme niet hetzelfde is als het wijsgerige, dan is daarmee niet gezegd dat het geschiedkundige materialisme niet tot een algemene wereldbeschouwing kan leiden. Integendeel, het historisch materialisme is, evenals elke wetenschap van de ervaring, een middel om tot een algemene wijsgerige levensbeschouwing te komen. Dat is juist ook een belangrijk stuk van zijn betekenis voor het proletariaat. Het brengt wel degelijk nader tot een algemeen denkbeeld over de wereld. Maar dat denkbeeld is niet het stoffelijk—mechanische, waarvoor Kuyper, Aalberse e.a. het willen uitmaken, al is het natuurlijk evenmin het christelijk katholieke of calvinistische of het vrijzinnig moderne. Het is een ander, nieuw denkbeeld, een nieuwe voorstelling betreffende de wereld, die alleen aan de sociaal—democratie eigen is. Het historisch materialisme is niet die wereldbeschouwing zelf, maar het is een weg, een middel, een van de vele middelen, om ertoe te komen, zoals het darwinisme, de gehele natuurwetenschap en de leer van de geest of van het kennen van Dietzgen, middelen daartoe zijn. Niet een van die middelen is tot die wereldbeschouwing voldoende, alle samen eerst leiden er heen.

Waar wij alleen over het historisch materialisme schrijven, daar zullen wij natuurlijk over die algemeen wijsgerige wereldbeschouwing van de sociaal—democratie niet veel zeggen, maar wij zullen toch gelegenheid vinden om bij sommige van de voorbeelden, die wij tot uitlegging van ons onderwerp zullen geven, een vingerwijzing te doen naar dat algemene, zodat ook dit doel, waarheen het historisch materialisme met zoveel andere wetenschappen wandelt, aan onze lezers enigszins duidelijk blijken zal.

III. De inhoud van de leer

Wat is nu de algemene inhoud van onze leer? Voordat wij er toe overgaan haar juistheid en waarheid te doen blijken, moet de lezer een algemeen en duidelijk overzicht hebben van wat te bewijzen is. Dat overzicht wordt hier nu eerst gegeven.

Het is voor iedereen die heeft opgelet op het maatschappelijke leven om hem heen, of die slechts een blik er heen wil slaan, duidelijk dat de leden van de maatschappij in bepaalde verhoudingen tot elkaar leven. Zij zijn niet maatschappelijk gelijk aan elkaar, maar staan op trappen, hoog en laag, en in groepen of klassen. De oppervlakkige toeschouwer kan menen, dat die verhoudingen alleen eigendomsverhoudingen zijn. De ene hebben grond, andere fabrieken of transportmiddelen, of koopwaren om te ruilen, de anderen niets. De oppervlakkige beschouwer kan ook menen dat het verschil vooral een politiek verschil is. Sommige groepen hebben de staatsmacht in handen, andere hebben er geen of bijna geen invloed op. Maar wie dieper ziet ontwaart dat onder de eigendom en politieke verhoudingen productieverhoudingen schuilen, verhoudingen waarin de mensen tot elkaar staan bij het produceren van wat voor de maatschappij nodig is.

Arbeiders, ondernemers, reders, renteniers, grootgrondbezitters, pachters, grote kooplui en winkeliers, zij zijn wat zij zijn door de plaats die zij innemen in het productieproces, in bearbeiding en de circulatie van de producten. Dat is een nog dieper verschil, dan dat de een geld heeft, de ander niet, de een politieke macht, de ander geen. Het is het eigenlijke verschil, het verschil waaruit de andere voortkomen.

De bearbeiding van de natuurschatten, dat is de grondslag van de maatschappij. Wij staan tot elkaar in arbeid en in productieverhoudingen.

Maar waarop steunen die arbeidsverhoudingen? Hangen de mensen als kapitalisten en arbeiders, grootgrondbezitters, pachters en dagloners, en hoe al de andere soorten van maatschappijleden mogen heten, zo maar in de lucht?

Neen, zij steunen op de stevige techniek, op de werktuigen met welke zij in de aarde, in de natuur werken. De industriëlen en de proletariërs steunen op, hangen af van de machine. Was de machine er niet, de industriëlen en de proletariërs zouden er niet zijn, of althans niet zo zijn als zij er zijn.

De eenvoudige weefstoel gaf de huisarbeid door het eigen gezin, het samengestelde houten weefwerktuig geeft een maatschappij met kleine bazen en gezellen, de grote, door stoom of elektriciteit gedreven stalen weefmachine een maatschappij met grootindustriëlen, aandeelhouders, directeuren, bankiers en loonarbeiders.

De productieverhoudingen zweven niet als strepen rook of damp in de lucht, het zijn stevige ramen, waarin de mensen zijn gevat. Het productieproces is een materieel proces, de werktuigen zijn als de hoek— en steunpunten van de ramen waarbinnen wij staan.

De techniek, de werktuigen, de productiekrachten zijn de onderbouw van de maatschappij. De eigenlijke basis waarop zich het gehele reusachtige en zo samengestelde organisme van de maatschappij verheft.

Maar dezelfde mensen, die hun maatschappelijke verhoudingen vormen naar hun stoffelijke productiewijze, vormen ook hun ideeën, hun voorstellingen, hun beschouwingen, hun beginselen naar die verhoudingen. De kapitalisten, de arbeiders en de andere klassen die door de techniek van de maatschappij waarin zij leven gedwongen zijn in bepaalde verhoudingen (als heer en knecht, eigenaar en bezitloze, grondheer, pachter en dagloner) tot elkaar te staan, diezelfde kapitalisten en arbeiders etc. denken ook als kapitalisten, arbeiders, etc. Zij vormen hun ideeën, hun voorstellingen niet als abstracte wezens, maar als de zeer concrete wezenlijke levende mensen die zij zijn, n.l. als maatschappelijke, in een bepaalde maatschappij levende mensen.

Dus niet alleen onze stoffelijke verhoudingen hangen af van, steunen op de techniek, de arbeid, de productiekrachten. Daar wij in onze stoffelijke verhoudingen, en naar deze denken, hangen onze gedachten direct van die verhoudingen en dus indirect van de productiekrachten af.

Het stoffelijk maatschappelijke bestaan van de moderne proletariër is door de machine geschapen. Zijn maatschappelijke gedachten, voortkomend uit de verhouding waarin hij als proletariër staat, steunen dus indirect op, hangen indirect af van het moderne machinewezen. En zo is het met alle klassen van de kapitalistische maatschappij.

Want de verhoudingen, waarin de personen tot elkaar staan, gelden niet voor hen alleen. De persoon staat maatschappelijk niet in een geheel afzonderlijke, hem alleen eigen betrekking tot anderen, hij heeft vele gelijken die in precies dezelfde verhouding tot anderen staan. De arbeider, om bij hetzelfde voorbeeld te blijven, staat niet alléén als loondienaar tegenover andere mensen, hij is één van vele, hij is lid van een klasse van miljoenen en miljoenen die als loondienaars in dezelfde positie zijn als hij. En zo is het met elk mens in de beschaafde wereld, elk behoort tot een groep, een klasse, waarvan de leden zich tot het productieproces op dezelfde wijze verhouden. Het is dus niet alleen waar, dat één arbeider, één kapitalist, één boer, etc., maatschappelijk denken zal, zoals de arbeidsverhoudingen hem doen denken, maar zijn beschouwingen, ideeën, voorstellingen, zullen in algemene trekken, overeenkomen met die van honderdduizenden anderen die in dezelfde omstandigheden zijn als hij. Er is een klassendenken, zoals er een klassenpositie in het arbeidsproces is.

De vorm — wij geven nog altijd het algemene overzicht van onze leer — waarin de arbeidsverhoudingen van de verschillende klassen, van kapitalist, ondernemer, arbeider, etc., aan de dag komen, is in de kapitalistische en algemeen de warenproducerende maatschappij, ook een eigendomsverhouding. Kapitalist, loonarbeider, boer, koopman, hebben niet alleen elk hun eigen plaats in de productie, maar ook in het bezit, in het eigendom.

De rentetrekkende aandeelhouder heeft in het productieproces niet alleen de rol van geldschieter en parasiet, hij is ook mede—eigenaar van de onderneming, van de productiemiddelen, van een stuk grond, werktuigen, grondstoffen, producten. De koopman is niet alleen ruiler, tussenpersoon, maar ook eigenaar van koopwaren en van de handelswinst. De arbeider niet alleen de maker van goederen, maar ook de eigenaar van zijn arbeidskracht die hij telkens verkoopt, en van de hem voor zijn arbeidskracht betaalde prijs. Met andere woorden, arbeidsverhoudingen zijn in de maatschappij, die haar producten als waren produceert, tegelijk eigendomsverhoudingen.

Dit was niet altijd zo. In de primitieve communistische maatschappij was de grond, het gemeenschappelijk gebouwde huis, vee, kortom de voornaamste productiemiddelen, gemeenschappelijk eigendom. Men deed de voornaamste maatschappelijke arbeidsverrichtingen samen. Men was, uitgezonderd de verschillen van geslacht en leeftijd, in het productieproces gelijk, en in eigendom was geen of weinig verschil.

Maar nadat de arbeidsverdeling zó groot geworden is dat afzonderlijke beroepen zijn ontstaan, en nadat er door de betere techniek en de arbeidsverdeling, een overschot is geproduceerd boven het voor het leven direct nodige, en nadat enkele in weten of weerbaarheid uitmuntende beroepen, als priesters of krijgslieden, zich dat overschot en tenslotte ook de productiemiddelen hebben weten toe te eigenen, zijn er klassen ontstaan en is het privaateigendom de vorm geworden waarin de arbeidsverhoudingen aan het licht komen.

Door de ontwikkeling van techniek en door arbeidsverdeling zijn dus de klassen ontstaan. Klassenverhoudingen, bezitsverhoudingen, berusten op de arbeid. Door de ontwikkeling van de techniek, die sommige beroepen in staat stelde zich de productiemiddelen toe te eigenen, ontstonden bezitters en niet—bezitters en werd de grote massa van het volk tot slaven, lijfeigenen, loonarbeiders.

En het overschot dat de techniek, de arbeid, boven het onmiddellijk nodige, heeft voortgebracht is aldoor groter geworden en aldoor groter dus ook de rijkdom van de bezittende en het klassenverschil met de bezitlozen. En in dezelfde mate is dus ook de klassenstrijd, de strijd om het bezit van de producten en van de productiemiddelen, tussen de klassen gegroeid, en de algemene vorm geworden van de strijd om het bestaan van de mensen in de maatschappij. De arbeidsverhoudingen zijn eigendomsverhoudingen, en eigendomsverhoudingen zijn verhoudingen van klassen die met elkaar in strijd zijn, en alle tezamen berusten op en zijn veroorzaakt door de ontwikkeling van de arbeid, het arbeidsproces, de techniek.

Maar de techniek staat niet stil. Zij is in langzame of snelle ontwikkeling en beweging, de productiekrachten worden groter, de productiewijze anders. En als de productiewijze anders wordt, moeten noodzakelijk ook de verhoudingen waarin de mensen in het arbeidsproces tot elkaar staan, veranderen. De verhouding waarin de kleine bazen van vroeger tot elkaar en tot hun gezellen stonden, is een geheel andere dan nu de verhouding van de grote patroons onderling en tegenover het loonproletariaat. De machinale productie heeft de oude verhouding doen veranderen. En omdat in de warenmaatschappij productieverhoudingen meteen eigendomsverhoudingen zijn, worden tegelijk met de eerste ook de tweede gerevolutioneerd. En omdat denkbeelden, ideeën, voorstellingen, enz., gevormd worden in en naar de verhoudingen waarin de mens leeft, verandert zijn bewustzijn ook, als de arbeid, de productie en het eigendom veranderen.

Werken en denken zijn in voortdurende verandering en ontwikkeling. “De mens verandert, terwijl hij door zijn arbeid de natuur doet veranderen, meteen zijn eigen natuur.” De productiewijze van het stoffelijke leven bepaalt het gehele maatschappelijke leven. “Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt.”

Maar op een bepaalde trap van ontwikkeling geraken de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de voorhanden productie en eigendomsverhoudingen. Binnen de oude verhoudingen kunnen de nieuwe productiekrachten niet tot ontwikkeling komen, zich niet uitleven. Dan ontstaat de strijd tussen hen die belang hebben bij de oude productie— en eigendomsverhoudingen, en hen die belang hebben bij de ontwikkeling van de nieuwe productiekrachten. Dan treedt een tijdperk van maatschappelijke revolutie in, totdat de nieuwe productiekrachten hebben gezegevierd en de nieuwe verhoudingen van productie en eigendom zijn gevormd, waarbinnen zij kunnen bloeien.

En het denken van de mensen verandert door, in en met die revolutie.

Dit is in het kort de inhoud van onze leer. Aanschouwelijk voorgesteld kan men haar aldus nog eens overzien:

I. De techniek, de productiekrachten zijn de grondslag van de maatschappij.

Van de productiekrachten hangen af, de productiekrachten bepalen, de productieverhoudingen, de verhoudingen waarin de mensen in het productieproces tot elkaar staan.

Die productieverhoudingen zijn tevens eigendomsverhoudingen.

Die productieverhoudingen en eigendomsverhoudingen zijn verhoudingen, niet alleen van personen, maar van klassen.

Die klassen, eigendom en productieverhoudingen (m.a.w. het maatschappelijk zijn) bepalen het bewustzijn van de mensen. M.a.w. hun begrippen over recht, politiek, zedelijkheid, godsdienst, wijsbegeerte, kunst enz.

II. De techniek is in voortdurende ontwikkeling.

De productiekrachten, de productiewijze, de productieverhoudingen, de eigendom, de klassenverhoudingen, worden dus voortdurend gewijzigd.

Het bewustzijn van de mensen, hun begrippen en voorstellingen over recht, politiek, zedelijkheid, godsdienst, wijsbegeerte, kunst, enz. worden dus ook met de productieverhoudingen en de productiekrachten veranderd.

III. Nieuwe techniek komt, op een bepaalde graad van ontwikkeling, in strijd met oude productie en eigendomsverhoudingen.

Tenslotte overwint de nieuwe techniek.

De economische strijd tussen de conservatieve belanghebbenden bij de oude vormen en de vooruitstrevende belanghebbenden bij de nieuwe krachten komt hun in rechtskundige, staatkundige, godsdienstige, wijsgerige en kunstvormen tot bewustzijn.

Dit nu zullen wij trachten aan te tonen. Wij zullen het oorzakelijke verband dat tussen de wijziging in het denken en de wijziging van de techniek van de mensen bestaat in een reeks van voorbeelden bewijzen. Gelukt ons dit, dan hebben wij een belangrijke steunpilaar van het gezag van de kapitalisten over de arbeiders ondergraven. Want dan is bewezen dat geen goddelijke voorzienigheid of geestelijke overmacht van mensen de arbeiders kan afhouden van de macht over de wereld, als de techniek hen tot de stoffelijke en geestelijke beheersers van de wereld maken zal.

IV. Onze voorbeelden

De voorbeelden die wij zullen gebruiken moeten in de eerste plaats zeer eenvoudig zijn. Zij moeten door arbeiders begrepen worden die niet over veel historische kennis beschikken. Daarom moeten zij door hun klaarheid overtuigende kracht hebben. Wij zullen dus grote verschijnselen van brede omvang, die overal zichtbaar werken, nemen.

Als onze leer waar is, dan moet zij natuurlijk gelden in de gehele geschiedenis. Elke klassenstrijd, elke grote verandering in het denken van de klassen, van de maatschappij, moet door haar worden verklaard.

Maar om voorbeelden uit vroegere eeuwen met onze leer te verklaren, daartoe behoort een zeer grote geschiedkundige kennis. Wij zullen later er nog op wijzen hoe gevaarlijk het is onze leer te willen toepassen op tijden of omstandigheden die men niet of maar weinig kent. Zowel lezer als schrijver van dit boekje hebben een zó grote historische kennis niet. Daarom zullen wij niet alleen eenvoudige voorbeelden nemen, maar wij zullen ze hoofdzakelijk zoeken in onze eigen tijd, grote verschijnselen die ieder arbeider uit zijn eigen omgeving kent of kennen kan, veranderingen in maatschappelijke verhoudingen en in maatschappelijk denken die elk levend mens moeten opvallen. Problemen bovendien die voor het bestaan van de arbeidende klasse van het grootste belang zijn, en alleen door de sociaal—democratie op voor die klassen bevredigende wijze kunnen worden opgelost.

Daarmee zullen wij dan meteen nog goede propaganda maken.

Maar er worden zeer belangrijke en schijnbaar zeer sterke argumenten tegen onze leer aangevoerd.

Daarom zullen wij bij elke soort van geestelijke verschijnselen die wij bespreken, veranderingen in politieke ideeën, godsdienstige voorstellingen enz., telkens een van de beste argumenten van onze tegenstanders laten opmarcheren en bestrijden, opdat de leer zo gaandeweg van alle zijden bezien kan worden en er een totale voorstelling van worden verkregen.

De stoffelijke veranderingen, die door de verandering van de techniek plaats hebben zijn het gemakkelijkst te zien. In elke tak van industrie, bij het vervoer en ook in de landbouw verandert de techniek, veranderen de productiekrachten. Wij zien het dagelijks voor onze ogen.

Het zetten van de drukletters, het produceren van het drukschrift geschiedde kort geleden nog algemeen met de hand. Maar de vooruitgang van de techniek bracht de zetmachine, die gehoorzaam aan de hand van de machinezetter, letters giet en ze op hun plaats zet.

Het glasblazen geschiedde met de mond. De techniek vindt werktuigen om vensterglas, flessen enz. te maken.

Boter werd met de hand gekarnd. Een machine die in korte tijd grote hoeveelheden melk verwerkt, is gevonden en in algemeen gebruik.

Het deeg wordt in de kelder van de kleine bakker met de hand gemaakt en gevormd. De machine doet het in de fabriek.

Het licht wordt in het ouderwetse huishouden geproduceerd door de huismoeder. Zij maakt de lamp schoon en vult haar, zorgt voor de nieuwe pit. Machinaal wordt gas of elektrische stroom geleverd in de moderne stad.

Overal, waarheen men ook ziet, verandering van productiekracht. In alle takken van bedrijf, en steeds sneller verandering en groei. Handgrepen, die men voor de machine onmogelijk achtte, gelukken haar.

En met de productiekrachten veranderen de productieverhoudingen, verandert de productiewijze. Wij spraken al van de weefmachine, hoe zij andere verhoudingen bracht tussen patroons onderling en tussen hen en de arbeiders. Vroeger vele kleine bazen naast elkaar, met kleine werkplaatsen, betrekkelijk weinig arbeiders. Nu honderdduizenden arbeiders, betrekkelijk weinig bezitters van de fabriek, weinig ondernemers. De fabrikanten als grote heren tegenover elkaar, tegenover de arbeiders als Aziatische despoten. Welk een verandering in verhouding! En toch alleen door de machine veroorzaakt.

Want zij was het, die aan hem die haar kon aanschaffen, de rijkdommen bracht, hem in staat stelde de concurrenten te verslaan, een reusachtig kapitaal op krediet te krijgen, misschien een trust te vormen. En zij was het, de productiekracht, die kleine bezitters bezitloos maakte en de duizenden dwong in loondienst te gaan.

En wat doet de nieuwe zuivelproductiekracht? De machine die duizenden liters melk in boter omzet, zou voor de gemiddelde boer te duur zijn, hij zou te weinig melk voor haar hebben. Daarom kopen honderd boeren haar en bewerken hun melk samen. De productiekracht is veranderd, maar ook de productieverhoudingen, de gehele wijze van produceren. Waar vroeger honderd apart werkten, waar vrouwen en dochters in de boerderij van de man de boter maakten, daar werken nu honderd samen, door voor gemeenschappelijke rekening loonarbeiders te laten werken. De boeren, hun vrouwen, hun dochters en een aantal proletariërs zijn in nieuwe productieverhoudingen tot elkaar en tegenover de maatschappij gekomen.

De olie— of petroleumlamp is de zaak van de huisvrouw, in de huizen zorgen honderdduizenden vrouwen voor de productie van het licht. Maar de gemeente bouwt een lichtfabriek, van gas of elektriciteit. De productieverhoudingen zijn daarmee veranderd. Niet de afzonderlijke mens produceert, maar een groot maatschappelijk orgaan: de gemeente. Een nieuw soort arbeiders, vroeger maar schaars te vinden, komt in duizenden exemplaren op, de gemeentearbeider, die in gans andere verhouding staat tot de maatschappij dan de vroegere producent.

Vroeger kropen de vrachtkar, de postkoets, de diligence door het land. Maar de techniek vond de locomotief en de telegraaf. En daarmee werd het de kapitalistische staat mogelijk om het vervoer van goederen, mensen en tijdingen aan zich te trekken. Honderdduizenden arbeiders en beambten kwamen in nieuwe productieverhoudingen. De massa mensen, die in directe productieverhouding staan tot de gemeenschap in gemeente, provincie, rijk, zijn veel groter dan vroeger de gewapende legers.

Er is geen bedrijf waarin de techniek niet een nieuwe productiewijze brengt. Vanaf het hoogste, het wetenschappelijke chemische proefstation, de werkplaats voor elektrische uitvindingen, tot het laagste, tot de geringste arbeid, de vuilnisdienst van een moderne stad, wordt de techniek en de werkwijze telkens veranderd. In elk bedrijf hebben revoluties plaats, zo dat uitvindingen niet meer het werk zijn van het toeval of van geniale mensen, maar van opzettelijk daartoe geschoolden die bewust zoeken in een van te voren bepaalde richting.

Stuk voor stuk wordt elke productietak uit elkaar genomen, afgebroken, opzij geworpen. Het economische leven van een modern kapitalistisch land lijkt een nieuwe stad, die dwars door de gebouwen van de twaalfde dertiende, veertiende, tot negentiende eeuw toe, wordt opgebouwd, en gaandeweg alle overblijfsels verdringt en opslokt. En evenals die oude huizen worden verdrongen, zo verdwijnen door de werking van de nieuwe productiekrachten gaandeweg alle oude productieverhoudingen.

De nieuwe techniek vormt het grote kapitaal. Zij vormt dus ook het moderne bank en kredietwezen, de bron waaruit de kracht vloeit voor wéér nieuwe techniek.

Zij vormt de moderne handel, zij vormt de export van massagoederen en van reusachtige sommen kapitaal, waardoor de zeeën bedekt worden met schepen. En verre tropische landen en hele werelddelen worden ontgonnen voor mineralen of landbouwproducten.

Zij vormt de grote kapitalistische belangen die alleen de staat sterk genoeg is te verdedigen. Zij vormt dus de moderne staat met zijn militarisme, zeevaart, koloniale politiek en imperialisme, met zijn beambtenleger en zijn bureaucratie.

Hoeven wij er, met deze voorbeelden in de hand, de arbeider nog op te wijzen dat die nieuwe productieverhoudingen tevens nieuwe eigendomsverhoudingen zijn? Het aantal bezitters van productiemiddelen nam in dertien jaar tijd in het Duitse rijk, terwijl de bevolking sterk steeg, met 150.000 af. Het aantal mensen die niets bezitten dan hun arbeidskracht, met twee miljoen toe. Dat is een wijziging niet alleen in de productie, maar evenzeer in de eigendomsverhoudingen. Veroorzaakt door de nieuwe techniek die het kleinbedrijf vermoordde en honderdduizenden kinderen van kleine burgers en kleine boeren arbeiders deed worden. En wat is de zogenaamde nieuwe middenstand anders dan een klasse in nieuwe eigendomsverhoudingen? De enorm vermeerderde beambtenstand, de officieren, de geleerde beroepen, de intellectuelen, de beter bezoldigde onderwijzers, de ingenieurs, scheikundigen, advocaten, dokters, kunstenaars, de filiaalhouders, agenten, reizigers, de kleine winkeliers afhankelijk van het groot kapitaal, die alle van de bourgeoisie voor hun diensten wat loon ontvangen, hetzij direct van de bourgeois, hetzij indirect door de staat, verkeert in een andere eigendomsverhouding dan de oude middenstand. En de moderne grootkapitalisten die met hun banken, syndicaten, trusts en kartels, de wereld en de wereldpolitiek beheersen, zij staan tot de maatschappij in geheel andere eigendomsverhoudingen dan de Florentijnse of Venetiaanse of Hanzestad of Vlaamse of Hollandse of Engelse koopman en industrieel in vroegere eeuwen.

Wij schreven zojuist: productie en eigendomsverhoudingen zijn niet alleen verhoudingen van personen, maar van klassen.

De nieuwe techniek nu schept de volgende verhouding. Aan de ene kant een steeds stijgend aantal van bezitlozen, sneller stijgend dan de bevolking, een meerderheid van de bevolking wordend, die van de maatschappelijke rijkdom zo goed als niets krijgen.

Verder een zeer groot aantal kleine burgers en boeren en beambten en leden van beroepen van allerlei slag, die met uiterst weinig worden afgescheept. Eindelijk een betrekkelijk kleine menigte van grotere en kleinere kapitalisten die door hun economische en politieke macht het overgrote deel van de maatschappelijke rijkdom naar zich toe halen.

En wat zij elk jaar aan groter overschot vergaren wordt opnieuw tot uit en afpersing van niet of weinig bezittende arbeiders, kleine boeren en burgers, en vreemde bevolkingen in nog niet kapitalistisch ontwikkelde landen gebruikt. Zodat er progressief stijgende accumulatie, interest op interest, komt, zowel van ontbering van maatschappelijke rijkdom aan de ene als van overvloed aan de andere kant.

De voortgaande techniek schept dus niet slechts nieuwe productie en eigendomsverhoudingen, maar tevens nieuwe klassenverhoudingen. In dit geval grotere scheiding van de klassen, grotere klassenstrijd.

Iedereen ziet dat, is het niet zo? Het is waarlijk niet moeilijk het te onderscheiden. De klassen staan verder van elkaar, er is groter, uitgebreider en diepere klassenstrijd dan vijftig jaar geleden. De scheiding is elk jaar groter geworden en wordt steeds groter. En de techniek is duidelijk daar de oorzaak van.

De stoffelijke kant van de zaak, die wij willen uitleggen, is dus o zo gemakkelijk te zien. Zijn er veel woorden nodig om het kind van de Friese of Overijsselse of Brabantse boer die textielarbeider werd, of bootwerker in Rotterdam of Amsterdam, te verklaren dat hij dat moest worden door de techniek, door de nieuwe productiewijze. Dat er voor hem in het kleinbedrijf geen kans meer was, dat de concurrentiestrijd tegenwoordig te zwaar, het benodigde kapitaal te groot was, dat maar enkelen in het kleinbedrijf nog slagen, de grote massa niet meer slagen kan? Grootkapitaal is grote techniek, wie kan het tegen de grote techniek opnemen? De moderne arbeider voelt wel dat heel zijn stoffelijke toestand, zijn schamel eten, zijn geringe woning, de onaanzienlijke kleding van hem en zijn vrouw en zijn kinderen en zijn klasse een gevolg is van de nieuwe productieverhoudingen zoals die door de nieuwe techniek uit de oude productieverhoudingen zijn gegroeid. En het is niet moeilijk om het stoffelijke bestaan van alle klassen duidelijk in verband te zien met de eigendoms en productieverhoudingen en dus met de productiekrachten. Niemand kan meer de rijke kleding, het goede voedsel, de aanzienlijke woning van de fabrikant een gave gods noemen, want het is duidelijk hoe hij zijn welvaart en zijn vermogen, door kneveling en uitbuiting, heeft verworven. Niemand kan meer in het failliet van de koopman of de speculant de ‘predestinatie’, de ‘voorbeschikking’ zien, want het is in de goederen— en fondsenmarkt wel te vinden waardoor zijn val veroorzaakt werd. Niemand kan meer van een toorn des hemels spreken als een arbeider door maandenlange werkloosheid, ziekte van zijn kinderen, voortdurende ellende, getroffen wordt. Want de natuurlijke of liever maatschappelijke oorzaken daarvan, alle in de nieuwe techniek geworteld, zijn, ten minste aan de arbeider, genoegzaam bekend. En persoonlijke geestesgave of karakter alleen verantwoordelijk te maken voor welvaart of ongeluk, gaat ook niet meer daar in het alles verdringende grootbedrijf miljoenen met de beste gaven niet omhoog kunnen komen.

De maatschappij heeft een hoogte bereikt van ontwikkeling dat de stoffelijke oorzaken van ons stoffelijk bestaan evengoed in de natuur als in de maatschappij bloot liggen.

Evengoed als wij weten dat de zon de bron is van alle natuurlijk leven op aarde, evengoed weten wij dat het arbeidsproces en de productieverhoudingen de oorzaken zijn dat ons maatschappelijk stoffelijk leven is zoals het is.

De arbeider aanschouwe met een rustig en vast oog zijn eigen stoffelijk bestaan, dat van zijn kameraden en van de boven hem staande klassen, en hij zal vinden dat wat wij hier zeggen juist is. Dat zal het begin zijn dat hem van veel vooroordeel en bijgeloof zal bevrijden. Moeilijker wordt het vraagstuk eerst als het er op aankomt het verband tussen stoffelijke arbeid en productie— en eigendomsverhouding, en geestelijk bestaan te zien. De ziel, de geest, het gemoed, het verstand, zij zijn ons en onze voorouders zo lang als het eigenlijke, het betere, het oppermachtige (soms zelfs als het enige) voorgesteld!

En toch... als wij zeggen, het maatschappelijk zijn bepaalt het bewustzijn, dan zeggen wij wel iets (in die omvang, in die grootte van waarheid) nieuw, maar er was toch vóór Engels en Marx al zeer veel gezegd en aangetoond en algemeen aangenomen dat in diezelfde richting lag en een voorbereiding was voor de door hen gevonden hogere waarheid.

Gelooft, ja weet b.v. niet elk beschaafd mens tegenwoordig, dat velen vóór Marx en Engels niet duidelijk hebben bewezen dat gewoonte, ervaring, opvoeding, omgeving, de mens ook geestelijk vormen? En zijn onze gewoonten niet producten van de maatschappij? Zijn de mensen die ons opvoeden, niet zelf door de maatschappij opgevoed, en geven zij ons niet een maatschappelijke opvoeding? Is onze ervaring niet een maatschappelijke? Wij leven toch niet eenzaam als Robinson? Onze omgeving is toch in de eerste plaats de maatschappij, eerst mét onze maatschappij leven wij in de natuur. Dat alles wordt en werd ook door niet—marxisten, niet sociaal—democraten aangenomen.

Welnu, het historisch materialisme gaat verder. Het vat al die vroegere wetenschap samen, maar het gaat tegelijk dieper, als het zegt: maatschappelijke ervaring, maatschappelijke gewoonte, opvoeding, omgeving, zij worden zelf weer door de maatschappelijke arbeid, en de maatschappelijke productieverhoudingen bepaald. Deze bepalen het gehele geestelijk zijn. De arbeid is de wortel van de geest. Op die wortel groeit de geest.

Op één gebied van het geestelijke leven is dat het gemakkelijkst te onderscheiden, en daarom zullen wij, bij het bewijzen van onze theorie door middel van voorbeelden, dáármee beginnen.

V. Het maatschappelijk zijn bepaalt de geest

A. De wetenschap, het kennen en leren

Het is een gewichtig gebied van de geest, al omvangt het hem lang niet geheel. Hoe wordt zijn inhoud bepaald?

De arbeider—lezer lette eens eerst op zichzelf. Hoe komt het dat zijn geest vervuld is van juist die hoeveelheid en die soort van wetenschap die hij heeft?

Hij heeft — algemeen gesproken, wij spreken hier immers over het gewone lid van de arbeidersklasse die in geen uitzonderingspositie is — wat kennis van lezen, schrijven en rekenen. In zijn jeugd heeft hij wellicht nog iets meer gehoord, iets van aardrijkskunde, vaderlandse geschiedenis, maar dat is vervlogen. Hoe komt het dat hij juist dat heeft, en niet meer?

Het productieproces met zijn productieverhoudingen bepaalt dat. De bourgeoisie, de kapitalistenklasse, die in de zogenaamd beschaafde landen heerst, had voor haar werkplaatsen arbeiders nodig die niet geheel en al onontwikkeld waren. Daarom voerde zij voor de proletariërskinderen de lagere scholen en de leeftijd van b.v. twaalf jaar in tot waar er onderwijs wordt gegeven. Daardoor hebben de arbeiders die hoeveelheid en die soort van kennis. De bourgeoisie, die de macht heeft en door de wetgeving kan doen wat zij wil, had zulke arbeiders nodig. Het was haar behoefte in het productieproces zulke arbeiders te hebben, niet dommer en niet wijzer. Dommer zou hen niet winstgevend genoeg, wijzer te duur en te veeleisend hebben gemaakt. Evenals het moderne productieproces behoefte heeft aan bepaalde werktuigen, altijd sneller draaiende, meer product leverend, zo heeft het behoefte aan een bepaald soort arbeiders, het moderne proletariaat, dat zich van vroegere arbeiders onderscheidt. Het productieproces dringt die behoefte op, het vormt door zijn aard die behoefte. In de achttiende eeuw b.v. had het zulke arbeiders nog niet nodig.

En zo is het ook met de kennis van de andere klassen.

De kapitalistische grootindustrie, het verkeer en de landbouw berusten aldoor meer op de natuurwetenschap. Het productieproces is een bewust wetenschappelijk proces. De nieuwe techniek heeft zelf de grondslag voor de moderne natuurwetenschap gelegd, door werktuigen voor haar uit te vinden, en door haar verkeersmiddelen te verschaffen, die haar materiaal brengen uit alle landen. De productie wendt de natuurkrachten bewust aan. Het productieproces heeft dus behoefte aan mensen die natuurwetenschappen, de werktuigkunde, de scheikunde kennen, want die alleen kunnen de leiding van de productie nemen en nieuwe methodes, nieuwe werktuigen vinden. En daarom, uit die maatschappelijke behoefte van het productieproces, worden middelbare en hogere scholen tegenwoordig ook, en dikwijls voornamelijk, ingericht tot de studie van de natuur, en worden er die wetenschappen onderwezen die voor de leiding en de uitbreiding van het productieproces nodig zijn.

Het weten, de kennis van al die werktuigkundigen, scheepsbouwers, ingenieurs, landbouwtechnici, scheikundigen, wiskundigen, onderwijzers in natuurwetenschappen, is dus bepaald door het productieproces.

En, om een ander voorbeeld te kiezen uit dezelfde maatschappelijke klassen onderstelt het bestaan van advocaten, professoren in recht en economie, rechters, notarissen, etc., niet een bepaald eigendomsrecht, bepaalde eigendoms—, dat wil dus zeggen zoals wij boven zagen, productieverhoudingen? Zijn notarissen, advocaten, enz. niet mensen aan wie de kapitalistische maatschappij behoefte heeft om haar eigendomsrechten in stand te houden en te beschermen? Is hun denken hun niet door de burgerlijke klasse ingegeven, en komt dus hun denken niet uit het productieproces dat die klassen schiep voort?

Onderstelt het vorstendom, de bureaucratie, het parlement niet eigendoms— of klassenbelangen op productieverhoudingen gegrond die beschermd moeten worden, naar binnen tegen andere klassen, naar buiten tegen andere volken? Is de regering niet de centrale commissie van de bourgeoisie die de eigendommen en belangen van de bourgeoisie verdedigt? Zij, en het weten, de kennis die zij heeft, komen uit maatschappelijke behoeften, behoeften van het productieproces en het eigendom voort. De kennis van haar leden dient er toe om de bestaande productie en eigendomsverhoudingen in stand te houden.

En wat is de rol van de geestelijkheid, van dominees en priesters? Voor zover zij reactionair zijn, doen zij openlijk dienst om, door het eisen van volstrekte onderwerping aan het godsdienstige dogma en bepaalde zedelijke geboden de oude maatschappij in stand te houden. Hun weten dient daartoe, er bestaat een maatschappelijke, een klassenbehoefte aan mensen die die dingen prediken. Voor zover zij vooruitstrevend zijn, verkondigen zij de heerschappij van God over de wereld, van de ziel over de zinnen, van de geest over de stof, en helpen aldus de bourgeoisie die hen daartoe opleidde, de heerschappij over de arbeid te behouden.

Het op de techniek gebaseerde productie— en eigendomsstelsel had op een bepaalde hoogte van ontwikkeling behoefte aan zulke vorsten, priesters, rechtsgeleerden, natuurkundigen, technici. Het schiep ze, en door de maatschappelijke behoefte stromen van de maatschappij de dragers, de spelers, van die maatschappelijke rollen voortdurend toe. Het individu verbeeldt zich dat hij uit vrije wil die beroepen kiest en dat de denkbeelden die daar gekoesterd worden, de “eigenlijke bepalende oorzaken en het uitgangspunt van zijn handelen zijn”. In werkelijkheid bepaalt het productieproces die denkbeelden en, in de eerste plaats, zijn keus.

“In de maatschappelijke productie van hun leven”, zegt Marx “treden de mensen in bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen, productieverhoudingen”. Zeker, zo is het. Die verhoudingen zijn noodzakelijk en onafhankelijk van onze wil. Zij waren er voor wij geboren werden. Wij moeten in die verhoudingen treden, de maatschappij met haar productieproces, haar klassen, haar behoeften, heeft de overmacht over ons.

En elk van die beroepen heeft een bepaalde hoeveelheid en bepaalde soort kennis nodig om zijn functie in de maatschappij te vervullen. Het is dus duidelijk dat, evenals de functie zelf, ook de kennis die er voor nodig is, door het maatschappelijke productieproces wordt bepaald.

Eerste tegenwerping van onze tegenstanders

Wij hebben in deze eerste redenering over de kennis een ding genoemd dat in de maatschappij en dus ook in onze leer, die een waarachtig beeld van de maatschappij is, een grote rol speelt, en dat wij dus nog dikwijls zullen moeten noemen. Het is de behoefte.

De behoefte is echter iets geestelijks, zij wordt gevoeld, waargenomen, gedacht in de ziel, het gemoed, de geest, de hersens van de mens.

Hieruit smeden de tegenstanders van de sociaal—democraten een wapen.

Als de organen van het productieproces, zeggen zij, geschapen worden door een behoefte van de mensen, dan is de eerste oorzaak toch weer geestelijk, en niet maatschappelijk—stoffelijk.

Deze tegenwerping wordt gemakkelijk weerlegd. Want waar komen de behoeften vandaan? Ontstaan zij door de vrije wil, zijn zij op de opinie gegrond? Zijn zij een zelfstandige uitwerking van de geest? Neen, de behoeften zijn vast geworteld in het productieproces. De student heeft behoefte, het is waar, aan kennis van werktuigkunde, van de rechten, de theologie, de staatswetenschap, maar wat gaf hem die behoefte? De maatschappij, zijn maatschappij met haar bepaald productieproces. In een andere maatschappij had hij naar die kennis niet getaald, in een andere had hij verlangen naar een andere gehad of naar in het geheel geen.

De arbeider heeft ook behoefte aan kennis en wel aan de kennis van de maatschappij, de kennis, die wij op dit ogenblik proberen hem te geven — een geheel andere kennis, dan die de regerende klasse hem op de school geeft. Maar waardoor ontspringt die behoefte? Uit het productieproces. Want dit maakt de arbeider tot een lid van een klasse van miljoenen die strijden moet en overwinnen kan. Was dat niet zo, de arbeider zou deze kennis niet zoeken. In de achttiende eeuw deed hij het nog niet. Omdat de productieverhoudingen toen nog anders waren en die behoefte niet deed opkomen.

Het lijkt dus maar dat de behoefte het geestelijke zielsgevoel ons leidt. Bij dieper nadenken zien wij dat het ons door stoffelijk—maatschappelijke verhoudingen wordt ingegeven.

Het is niet alleen bij de ‘hoge’ geestelijke behoefte aan kennis zo. Ook bij heel wat ‘lagere’ dingen. De stoffelijke behoeften worden ook dikwijls door de techniek, de productie en eigendomsverhoudingen ingegeven. De arbeider heeft b.v. zeker als ieder mens behoefte aan voedsel. Maar heeft hij behoefte aan margarine, aan surrogaten voor voedsel, kleding, comfort en schoonheid? Waarachtig niet. Men zou eerder kunnen zeggen dat de mens van nature stevig voedsel en echte, lekkere, warme kleding verlangt. Maar het productie— en eigendomsstelsel had behoefte aan goedkoop voedsel voor de arbeiders, het had behoefte om massa—artikelen te kunnen verkopen, het schiep ze en eerst daarna en daardoor kreeg de arbeider de behoefte aan die goedkopere en slechte massa—artikelen.

Zo heeft niemand behoefte uit zichzelf aan een productie van honderdduizend stuks in het uur of een snelheid van honderd kilometer, de concurrerende producent heeft er behoefte aan door het productiestelsel, dit schept de machines die die snelheid en die productie bereiken, en eerst daarna en daardoor wordt de behoefte door alle individuen van de maatschappij gevoeld.

Zo zouden wij honderden voorbeelden kunnen geven. De lezer zal ze gemakkelijk zelf vinden, als hij maar om zich heen ziet.

“Het systeem van de maatschappelijke behoeften in zijn geheel is niet op de mening, maar op de gehele organisatie van de productie gegrond. In de meeste gevallen ontspringen de behoeften uit de productie of uit een op de productie gegronde algemene toestand. De wereldhandel draait bijna uitsluitend om behoeften — niet van de consumptie van enkelen, maar van de productie.” En zo ontstaat de kennis ook uit de behoeften van de productie.

Tweede tegenwerping

Maar er bestaat, zeggen onze tegenstanders, een algemene drang naar kennis die aan alle mensen eigen is! De drang naar een bepaalde kennis moge tijdelijk zijn, de algemene drang is eeuwig.

Volstrekt niet. Er bestaan volken die in het geheel geen drang naar kennis hebben, die volkomen tevreden zijn met het weinige dat hun voorvaderen hun aan wetenschap nalieten.

In een rijke tropische streek waar de natuur alles geeft wat de inwoners nodig hebben, zijn zij tevreden met het kunnen planten van sagopalmen, het maken van een loofhut en nog enkele oeroude overgeleverde bezigheden. In landen met vruchtbare bodem en klein boerenbedrijf kunnen de inwoners honderden jaren in dezelfde verhoudingen blijven. Nieuwe kennis zoeken zij niet. M.a.w. hun kennis is precies wat hun productieverhoudingen nodig maken. Is die voldoende voor hun verhoudingen, dan verlangen zij niet meer.

Een duidelijk voorbeeld, wij vergaten nog het te noemen, zijn ook die volken die, daar zij landbouw beoefenden bij grote rivieren die op gezette tijden overstroomden, hierdoor gedwongen waren tijdrekening te hebben, en daarvoor de hemellichamen bestudeerden.

Het waren de inwoners van Egypte, van Mesopotamië en van China, die door de Nijl, Eufraat en de Hoangho [Gele Rivier — MIA] tot sterrenkunde kwamen. Andere volken, die de noodzakelijkheid van die kennis niet hadden, kwamen er niet toe.

Het zijn dus de productieverhoudingen die tot kennis dwingen en de hoeveelheid en de soort van kennis bepalen.

Laat de arbeider, om de waarheid hiervan te zien maar weer eens goed op zijn omgeving letten. Welke arbeiders zijn ijverig, weetgierig, vol van drang naar maatschappelijke ontwikkeling? Die arbeiders die door het productieproces de rol van het proletariaat leren begrijpen, d.w.z. de arbeiders in de stad en in de grootindustrie. De techniek, de machine zelf, zegt hun dat een socialistische maatschappij mogelijk zou zijn, het grote productieproces voor hun ogen leert hun dat de oude productieverhoudingen te bekrompen zijn voor de krachten van de machine. Er moeten nieuwe verhoudingen komen, als gelijken moet u zelf die productiemiddelen bezitten, dat is de taal die de moderne stad hun toeroept. En door die taal van het productieproces ontstaat hun drang naar kennis, veel sterker dan bij de landarbeider b.v., die voorlopig de nieuwe productiekrachten nog niet zó nabij ziet.

Opmerking

Uit het voorbeeld van de tropische streken waar het productieproces niet, en van de grote rivieren waarbij het wél tot kennis dwingt, ziet de aandachtige lezer dat het historisch materialisme niet het productieproces alleen als oorzaak van ontwikkeling kent. Geografische (aardrijkskundige) factoren hebben grote betekenis. Zo zou, om nog een laatst groot voorbeeld te nemen, het productieproces zich in Europa nooit zo geweldig en zo snel ontwikkeld hebben als het klimaat tropisch was en de grond haast zonder bewerking overvloed van vruchten gaf. Het zijn juist ook de gematigde temperatuur en de betrekkelijk arme bodem die de mens hier tot hard werk hebben gedwongen en daardoor tot het leren kennen van de natuur.

De beschuldiging, dat voor de sociaal—democraat het productieproces de enige, onafhankelijke, drijfkracht is, treft dus niet. Wij zullen er behalve de natuurlijke gesteldheid van het land, het klimaat, de invloeden van bodem en atmosfeer, in de loop van ons betoog nog meerdere leren kennen.

B. De uitvindingen

Er bestaat intussen een gebied van de wetenschap, dat afzonderlijk nog iets uitvoeriger moet worden besproken. Het is het gebied van de technische uitvindingen.

Wij hebben gezegd: op de techniek berusten de productieverhoudingen. Hebben wij daarmee niet erkend dat de productieverhoudingen ook op de geest berusten?

Zeker, dat hebben wij. De techniek is de bewuste uitvinding en aanwending van werktuigen door de denkende mens, en als historisch—materialisten zeggen dat de gehele maatschappij berust op de techniek, dan zeggen zij dat de gehele maatschappij op stoffelijke en geestelijke arbeid berust.

Maar is dat niet in strijd met wat wij beweren? Wordt hierdoor niet de geest weer de eerste drijfkracht van de maatschappelijke ontwikkeling?

Als toch de geest de techniek maakt en de techniek de maatschappij, dan is de geest de eerste schepper. Zien wij hier nog eens wat scherper toe.

Het historisch materialisme ontkent volstrekt niet dat de geest tot de techniek behoort. Hoe zou het dit kunnen? De techniek is mensenwerk. Mensen zijn denkende wezens. Productieverhoudingen, eigendomsverhoudingen zijn verhoudingen van mensen. Er wordt dus in gehandeld en gedacht. Techniek, eigendom en productieverhoudingen zijn én geestelijk én materieel. Het is niet dit dat wij ontkennen.

Wij ontkennen slechts het zelfstandige, het eigenmachtige, het vrijwillige, het buitennatuurlijke, het onbegrijpelijke van de geest en zijn daden. Wij zeggen: als de geest nieuwe wetenschap, nieuwe techniek vindt, dan doet hij dit niet uit zichzelf alleen, maar door een maatschappelijke drang of behoefte.

Hoe geschiedden vroeger de meeste technische uitvindingen?

Door mensen die in het productieproces zelf bezig waren.

In hen, die daar zaten aan hun werktuig, leefde dan de drang ‘ach, ging dit werk maar beter, sneller, wat zou ik meer en beter produceren, rijker worden, of hoe zouden wij allen tezamen rijker worden’.

Hoe dan de maatschappij ook was, klein of groot, horde nog of stam, feodale of kapitalistische maatschappij, die drang was maatschappelijk, ontstond door economische behoefte. In de maatschappijen met gemeenschappelijk bezit door sociale drang iets te doen voor de gemeenschap, in de klassenmaatschappijen met privaatbezit door de maatschappelijke drang iets te doen voor het maatschappelijke individu, de privaatbezitter zelf, of voor de klasse van de privaatbezitters.

Geen wonder. Daar de mens een maatschappelijk wezen en de arbeid van de mensen maatschappelijk is, is ook de drang naar verbetering van arbeid niet iets wat uit eigen—geest—van—de—mens—alleen opkomt, maar uit zijn maatschappelijke verhoudingen. De drang naar verbeterde techniek, naar uitvindingen, is een maatschappelijke drang. Ontstaat door maatschappelijke behoeften.

Dat is wat de historisch materialisten zeggen: zij ontkennen de zelfstandigheid, de eigenmachtigheid, de oppermachtigheid van de geest, zij zeggen dat maatschappelijke behoefte, wanneer zij bestaat, de geest dwingt in bepaalde banen en dat ook de behoefte geschapen wordt door bepaalde stoffelijke productieverhoudingen. Zij ontkennen dus ook hier dat de geest absoluut heerser is.

Deze zaak, de samenhang van techniek en wetenschap, is zó belangrijk dat wij er langer bij stil mogen staan, hetzelfde nog wel wat dieper mogen beschouwen.

Geven wij dus nog een paar uitvoerige voorbeelden.

Onderstellen wij een handwever in de middeleeuwen. Het handweefgetouw voldoet in het algemeen aan de maatschappelijke behoeften. Handel, verkeer, buitenlandse markt, zijn nog niet zover ontwikkeld dat nieuwe grote productiekrachten nodig zijn. Daaraan wordt geen behoefte gevoeld. Maar de aandacht van een bijzonder scherpzinnige wever is toch op zijn werktuig gericht omdat hij weet dat voor hem persoonlijk een snellere, gemakkelijkere, productie een voordeel betekent. Hij vindt een kleine verbetering en brengt die aan. Binnen zijn kring wordt deze bekend en nagedaan. Daarbij blijft het. Een kleine, haast niet voortschrijdende verandering in het productieproces, die misschien tientallen, honderdtallen van jaren de enige verandering blijft. Ontstaan door de maatschappelijke behoefte van een enkeling.

Onderstel echter dat verkeer en handel (b.v. in 15e, 16e en 17e eeuw) zeer zijn toegenomen, dat de buitenlandse markt enorm is uitgebreid, dat koloniën zijn gesticht die manufacturen uit het moederland verlangen — dan wordt de maatschappelijke behoefte en drang naar verbeterde techniek, naar groter voordeel, algemeen. Dan peinst niet één, maar honderd man op verbetering, dan ontstaat door snel opgehoopte kleine veranderingen een nieuw werktuig.

Onderstellen wij een van de vroegste uitvinders van het stoomwerktuig, een Papin bijvoorbeeld.

Hij is geboren met een bijzondere technische aanleg. De dieren maken reeds woningen en gebruiken stenen en stokken. De mens maakt werktuigen en er zit in talrijke mensen een bijzondere aanleg en liefde voor de techniek, de miljoenen jaren mensheidontwikkeling hebben ons dat overgeërfd, en in sommigen komen die liefde en aanleg, wanneer de productieverhoudingen meewerken, als grote vlammen te voorschijn. De maatschappij of klasse waarin zij leven, heeft al een ontwikkelde techniek, zij zinnen op verbetering, die de maatschappelijke productie nog beter zou maken. Hun in die richting gespannen maatschappelijk denken, wordt getroffen door de kracht van samengeperste waterdamp. Zij bedenken op de basis van oude werktuigen, die door mensen, dieren, water of wind bewogen werden een nieuw toestel. Hun sociaal gevoel is zo groot, hun genot en verlangen om zo iets te produceren zo sterk, dat zij tijd, gezondheid, fortuin opofferen, om het te volmaken en in te voeren.

Maar de algemene behoefte bestaat nog niet, deze vooruitgang van de techniek is te groot, de kosten misschien te hoog. De uitvinding wordt niet aangenomen, de proeven moeten gestaakt worden, en raken in het vergeetboek. De uitvinder sterft dikwijls als een te gronde gericht man. Hij had wel de sociale behoefte gevoeld, maar de maatschappij nog niet of althans niet voldoende, hij is iets te vroeg geweest.

Nemen wij een grote uitvinder van onze tijd, een Edison. Hij is ook een technicus van geboorte, zijn leven is denken aan techniek. Maar hij is geen eerste zwaluw, die denkt aan wat nog niet kan. Zijn gehele maatschappij, althans de gehele bezittende klasse, wil wat hij wil. Voor duizenden kapitalisten is verbeterde techniek enorme verhoging van winst. Elke uitvinding die sneller, goedkoper productie mogelijk maakt, wordt dadelijk geaccepteerd. Dat versterkt zijn werkkracht en maakt dat hij zichzelf zijn problemen kan opgeven, dat hij niet meer van het toeval maar van zijn eigen wil afhankelijk wordt.

De uitvindingsdrang van een Edison is een sociale drang, zijn liefde voor techniek een maatschappelijke, door en in de maatschappij ontstane liefde, de basis waarop hij werkt maatschappelijk, zijn welslagen en dat hij zich bewust, van te voren, zijn doel stellen kan, aan deze maatschappij te danken.

Zo komt het tegenwoordig veel voor dat uitvindingen worden gedaan, maar de nieuwe machines niet worden ingevoerd omdat zij te duur zijn. Voor de landbouw b.v. bestaan de prachtigste machines die in ons land geheel of bijna niet gebruikt worden. De productieverhoudingen zijn nog te eng voor die nieuwe krachten, maar de uitvinders hebben ze toch gemaakt door de algemene sociale behoefte, die in hun kapitalistische tijd bestond. Ontstaat dus een uitvinding in het algemeen, door in het individu gevoelde maatschappelijke behoefte, op grond van al bestaande techniek — alleen die worden aangenomen, aan welke de maatschappij praktisch behoefte heeft en die zij in haar bepaalde verhoudingen invoeren kan. Dus zowel oorsprong als ontwikkeling van het werktuig is maatschappelijk. Om ze te vinden moet men niet in de geest van één, doch in de maatschappij zoeken.

Ten slotte een voorbeeld uit de tijd, toen de mens pas zijn eerste werktuigen begon te maken. Wij ontlenen het aan een boekje van onze partijgenoot Kautsky: Ethiek en materialistische geschiedenisbeschouwing. Daarin lezen wij:

“Zodra de mens de lans bezat, was hij in staat op grotere dieren te jagen. Had tot dusver zijn voedsel voornamelijk uit boomvruchten en insecten, en waarschijnlijk vogeleieren en jonge vogels bestaan, nu kon hij grote dieren doden, het vlees werd van nu af belangrijker voor zijn voedsel. De meeste grote dieren houden zich echter op de grond, niet in de bomen op. De jacht bracht dus de mens van uit de takken (waar hij vroeger woonde) op de grond.

Meer nog. De best te jagen dieren, de herkauwers, zijn in het oerwoud maar schaars. Zij geven de voorkeur aan grote grasvelden, prairiën. Hoe meer de mens een jager werd, des te eer kon hij uit het tropisch bos, waarin de oermens nog bevangen was.

Deze voorstelling is zuiver op vermoedens gegrond. De gang van de ontwikkeling kan ook omgekeerd geweest zijn. Evengoed als de uitvinding van het werktuig en van het wapen de mens er toe brengen kan uit het bos naar de vlakte te verhuizen, evengoed kunnen oorzaken die de oermens uit zijn oorspronkelijke woonplaats verdrongen, de aanleiding tot uitvinding van wapens en werktuigen zijn geweest. Nemen wij b.v. aan dat de menigte van mensen groter werd dan het voedsel toeliet... of dat een toenemende droogte de oerwouden deed sterven... In al deze gevallen werd de oermens gedwongen zijn leven in de bomen vaarwel te zeggen, en kon hij zich niet meer zo veel van boomvruchten voeden. De nieuwe levenswijze bracht hem er toe meermaals stenen en stokken te gebruiken en bracht hem zo dichter tot de uitvinding van de eerste werktuigen en wapens.

Welke ontwikkelingsgang men ook moge aannemen, de eerste of de tweede — en beide kunnen op verschillende plaatsen onafhankelijk van elkaar hebben plaats gevonden — uit elk van beide wordt duidelijk zichtbaar de wisselwerking die tussen nieuwe productiemiddelen en nieuwe levenswijze en behoeften bestaat. Elk van deze factoren brengt met natuurlijke noodzakelijkheid de anderen teweeg, elk wordt noodzakelijk de oorzaak van veranderingen, die dan op hun beurt weer nieuwe veranderingen in hun schoot bergen. Zo brengt elke uitvinding onvermijdelijk werkingen voort die de aanstoot geven tot andere uitvindingen, en daarmee weer tot nieuwe behoeften die weer nieuwe uitvindingen te voorschijn roepen, enz. — een keten van oneindige ontwikkeling die veelvoudig en sneller wordt naarmate zij verder vordert, en hoe meer daardoor de mogelijkheid en gemakkelijkheid van nieuwe uitvindingen groeit.”

Kautsky verhaalt dan verder hoe, toen de mens eenmaal in de vlakte was gekomen, hij daar tot landbouw, het bouwen van woningen, het gebruik van vuur en tot veeteelt kwam, en hoe dus het gehele leven van de mens, zijn behoeften, zijn woonplaatsen, zijn middelen tot levensonderhoud veranderd werden, en hoe de ene uitvinding talrijke andere uitvindingen met zich bracht zodra die ene van speer en bijl gelukt was.

Opmerking

De uitvinding van de nieuwe techniek, waarop, zoals wij zagen, de wetenschap berust, geschiedt dus door maatschappelijke drang en door maatschappelijke behoefte in het individu, en slaagt eerst volkomen als de behoefte algemeen maatschappelijk is. De gevolgen echter, die de uitvinding zou hebben, konden tot dusver door de geest van de uitvinder gewoonlijk niet worden voorzien.

Zagen de uitvinders van de stoommachine, ja, zien de uitvinders van de geweldige techniek van onze tijd nu zelfs, de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal die hun uitvinding aldoor breder ontketent en scherper toespitst? Zien zij de socialistische maatschappij die ook door hun vinding verrijzen moet? Immers neen: De mens, zelfs de geniaalste, leefde tot nu toe blind voor het worden van de maatschappij. Hij werd gedrongen tot zijn daden door maatschappelijke behoeften. Dikwijls kende hij onder het kapitalisme deze maar duister, doch nooit wist hij onder het kapitalisme waarheen de bevrediging van de behoefte de maatschappij zou voeren. De maatschappelijke krachten overheersten hem. Hij leefde in het rijk van de noodzakelijkheid.

Eerst in een socialistische maatschappij, als de productiemiddelen in het bezit van de gemeenschap zijn, bewust aangewend en beheerst worden, dan zal de mens niet alleen de maatschappelijke krachten en behoeften kennen door welke hij tot zijn handelen gedwongen wordt, maar ook het doel waartoe zijn handelen hem voert, de gevolgen die uit zijn handelen voortkomen. Alle verbetering van techniek zal groter geluk, meer vrijheid voor geestelijke en lichamelijke ontwikkeling tengevolge hebben. Geen nieuwe vinding zal onvoorziene heilloze rampen brengen, maar elk zal de individuen tot volledige ontwikkeling de vrijheid geven, en daarmee de voorwaarde voor het geluk van allen aldoor meer volkomen maken.

O zeker, de productiekrachten, de materiële productieverhoudingen dringen ons naar het socialisme, en ook in de socialistische maatschappij zullen wij van de productiekrachten, van de socialistische productiewijze afhankelijk zijn. In zover, in die zin, zal ook dan, zal altijd het maatschappelijk zijn de geest beheersen, zullen wij nimmer vrij zijn. Maar wanneer wij dit niet meer blind ondergaan, wanneer wij niet meer door de teugelloze beweging van machines en producten worden meegesleept. Niet meer als arme ‘verstrooide atomen’ produceren, doch bewust als één geheel, wanneer wij de gevolgen van onze maatschappelijke daden kennen, dan zijn wij in vergelijking met nu vrij. Dan zijn wij uit het sombere rijk van het blinde noodlot in het heerlijke licht van de vrijheid gestapt. Dan hebben wij de absolute vrijheid niet — die bestaat slechts in het brein van anarchisten en mystieke klerikalen of liberalen — maar wij hebben de van de productiekrachten afhangende vrijheid om deze te gebruiken naar onze gemeenschappelijke wil, voor ons gemeenschappelijk heil. En dat is al wat wij begeren.

Tweede opmerking

Het spreekt van zelf dat wanneer eenmaal een wetenschap door maatschappelijke behoefte is ontstaan, zij, wanneer ze tot een zekeren trap van ontwikkeling is gekomen, zelfstandig, zonder onmiddellijk verband met de maatschappelijke behoefte kan doorgroeien. Hoewel het begin van de sterrenkunde uit maatschappelijke nood ontstond, is zij nu ook uitgebreid buiten direct verband met de behoeften van het maatschappelijk leven. De samenhang tussen zelfstandig geworden wetenschap en techniek en behoefte is evenwel altijd te vinden als men slechts niet bij de uiterste takkén of bloemen blijft, maar de wortel van de wetenschap zoekt.

C. Het recht

Het recht handelt over het mijn en dijn. Het recht is de algemene opvatting van een maatschappij over wat van u, van hem en van mij mag zijn. Zolang productiekrachten en productieverhoudingen vast zijn, zijn ook die begrippen over het eigendom vast, maar wanneer gene beginnen te wankelen, wankelen ook deze. Geen wonder. Productieverhoudingen zijn immers tegelijk eigendomsverhoudingen, zoals wij boven duidelijk hebben aangetoond.

Wij zullen enige grote voorbeelden van die verandering uit onze tijd geven, die aan iedereen bekend zijn.

Het is nog niet heel lang geleden dat in een grote stad als Amsterdam de algemene opvatting was, dat levering van licht en water, en de zorg voor vervoer van personen, een zaak was waarmee particulieren geld moesten verdienen. Dat gasfabrieken, waterleidingen en omnibussen het eigendom van particulieren moesten zijn. Nu is dit veranderd. De vrij algemeen aangenomen opinie is dat zij, en nog menige andere bedrijfstak, het eigendom van de gemeente moeten zijn. Dit is een grote verandering in het begrip van recht, in dat departement van de geest, dat over het mijn en dijn een gedachte, een overtuiging, een vooroordeel heeft.

Waar komt die verandering vandaan?

Het is niet moeilijk aan te tonen dat zij rechtstreeks komt van de wijziging van de productiekrachten.

Toen ons land meer en meer onder de invloed kwam van de grootindustrie en van de wereldhandel, werd de toestand van middenstand en arbeidersklasse slechter. Dit verergerde vooral na 1870. Die klassen van de bevolking zonnen door die nood op middelen tot hulp. De radicale partij ontstond daardoor, een middenstandspartij, waar arbeiders zich bij aansloten. Zodra zij konden voerden zij het gemeentelijke bedrijf in om niet langer zó erg door de particuliere gasfabriek—, waterleiding— en omnibusmaatschappij te worden gevild.

De nieuwe economische verhouding van grootkapitaal tegenover klein bedrijf en handwerkersbestaan, die eigenlijk de verhouding is van grote machine tegen klein werktuig, bracht bij een deel van de maatschappij, sommige klassen, nieuwe nood. Er ontstond behoefte aan nieuwe eigendomsverhoudingen, waardoor de nieuwe productiekrachten niet zó verderfelijk zouden werken. De lijdende klassen wisten macht te krijgen en voerden de nieuwe eigendomsverhoudingen in.

Dit is een betrekkelijk klein voorbeeld. Want hoewel gemeente (en ook staatsbedrijf) wel een heel andere vorm van eigendom is dan een particulier bedrijf van een of meerdere kapitalisten, elkeen weet dat de gemeente of de staat tegenwoordig toch kapitalistische gemeente en staat zijn, en dat dus de voordelen voor de kleine man, van gemeente of staatseigendom en bedrijf nooit zo heel groot kunnen zijn. Al is het villen van de kleinen niet meer zó brutaal als door de concessionarissen, uitgekleed, geplukt, geschoren wordt men toch door de staat en de gemeente ook.

Een groter en beter voorbeeld is onze eigen beweging.

Het socialisme wil het gemeenschappelijk eigendom van de productiemiddelen, er zijn reeds miljoenen socialisten, waar er voor enkele tientallen jaren nog bijna geen waren. Hoe heeft een zo grote revolutie in het denken, in het bewustzijn van zo velen plaats gehad? Hoe is het begrip van wat recht is, zo veranderd?

Het antwoord is hier nog veel duidelijker dan in het eerste voorbeeld.

De grootindustrie heeft miljoenen proletariërs gemaakt die nooit tot bezit en welvaart kunnen komen zolang het privaatbezit van de productiemiddelen blijft bestaan. Maar als dit privaatbezit wordt veranderd in gemeenschappelijk bezit, dan kunnen zij wel tot welvaart komen. Daarom zijn zij socialisten geworden.

Bovendien hebben crisissen en overproductie en, in de laatste tijd, de trust met haar alles opslokkende concurrentie en beperking van de productie, die ook alle onmiddellijk uit het privaateigendom aan de tegenwoordige productiemiddelen volgen, zulk een heilloze werking ook in de middenstand, dat ook dààr velen als enige oplossing in de nood het gemeenschappelijk bezit zien en ook socialisten worden.

In het socialisme ligt het onmiddellijke verband tussen verandering van productiekrachten en productieverhoudingen enerzijds, en verandering in het denken anderzijds, klaar voor de hand.

Is het een god die ons onze sociaal—democratie in het hoofd heeft gebracht? Is het een mystieke vonk, een heilige geest? Een licht dat God ons heeft getoond, zoals enkele socialisten ons willen doen geloven?

Is het onze eigen vrije geest die deze heerlijke gedachte ons uit zijn eigen voortreffelijkheid heeft gebaard? Is het onze extra verheven deugd, een geheimzinnige kracht in ons, de categorische imperatief van Kant?

Of is het de duivel die ons de begeerte naar gemeenschappelijk bezit heeft ingegeven? Dat laatste beweren andere christenen dan de zo even genoemden.

Het is niets van dat alles. Het is de nood, de maatschappelijke nood.

Die nood is ontstaan, omdat de oude eigendomsverhoudingen (die van het vroegere kleinbedrijf) te eng zijn voor de nieuwe productiekrachten, die daarbinnen bij arbeiders en kleine burgers een verwoesting aanrichten. En de oplossing van het socialisme is gevonden, omdat ieder arbeider en menig kleine burger voelen en begrijpen kan, dat als wij maar gezamenlijk de productiemiddelen bezaten, die verwoesting onder ons zou ophouden. Immers de arbeid is al gemeenschappelijk. De oplossing van de moeilijkheden door gemeenschappelijk bezit ligt dus voor de hand.

En nu zegge men niet dat toch ook in vroegere eeuwen aan socialisme werd gedacht en dat hieruit dus volgt dat het socialisme niet veroorzaakt wordt door de productiekrachten die nu heersen, maar dat het beginsel van algemene gelijkheid van de mensen een eeuwig ideaal is dat de mensen altijd heeft voor gezweefd.

Het socialisme, dat de eerste christenen zich voorstelden, verschilde evenveel van het socialisme dat de arbeidersklasse nu wil, als de productiekrachten en klassenverhoudingen uit die tijden van die van ons. De eerste christenen wilden gemeenschappelijke consumptie, de rijken zouden hun overvloed van verbruiksmiddelen delen met de armen. Men zou niet de grond en de arbeidsmiddelen gemeenschappelijk hebben, maar de producten. Eigenlijk dus een bedelaars—socialisme, de armen zouden de producten met de rijken delen door de goedheid van de rijken.

Zo predikt ook Jezus nooit iets anders dan dat de rijken hun rijkdom moeten afstaan. De rijken moeten de armen als broeders liefhebben, en vice versa.

De sociaal—democratie echter leert dat de bezitlozen de bezitters moeten bestrijden en hun de productiemiddelen moeten ontnemen, en zij wil niet de producten gemeenschappelijk bezitten — integendeel, wat ieder aan product, aan verbruiksmiddelen krijgt, dat zal van hem zijn dat behoeft hij niet te delen — maar de productiemiddelen.

De productieverhoudingen van de eerste eeuwen van het christendom konden onze sociaal—democratische gedachte niet laten opkomen, evenmin als onze productiekrachten ons het christelijke ideaal kunnen doen nastreven. In de tijd toen de productiekrachten nog zo gering waren, zo versplinterd en verstrooid dat een grote gemeenschap ze niet beheersen kon, was liefdadigheid de enige, wel zeer miserabele en voor geen duizendste deel voldoende, oplossing van de ellende. In een tijd waarin de arbeid aldoor meer maatschappelijk wordt, is maatschappelijk bezit het enige, maar nu ook afdoende middel tegen de misère.

Een ander groot voorbeeld doet zich in het strafrecht voor. Ook hier heeft een omwenteling in de geesten van velen plaats. De socialistische arbeiders geloven niet meer in de persoonlijke schuld van een misdadiger. Zij geloven dat de oorzaken van de misdaad maatschappelijk, niet persoonlijk zijn.

Hoe zijn zij tot die nieuwe gedachte gekomen dat noch het klerikale, noch het liberale christendom heeft kunnen inzien?

Door de strijd tegen het kapitalisme die, zoals wij zagen, zelf op het productieproces berust. De socialistische schrijvers zijn door de strijd, door hun kritiek op de bestaande maatschappelijke orde, gedwongen de oorzaken van de misdaad op te sporen, en zij hebben gevonden dat die in de maatschappij liggen. Door het productieproces, door de klassenstrijd, zijn zij tot die kennis gedwongen.

Dat bewustzijn dringt langzaam door in de hoofden van de socialistisch geschoolde arbeiders.

Wij kunnen er hier in het bestek van dit geschriftje niet dieper op ingaan, maar het is wel een bewijs, welk een revolutie in het denken zich door de veranderde productieverhoudingen ook hier voltrekt. Want welk een verschil! Niet lang geleden geloofde ieder nog in zondeval, persoonlijke schuld, vrije wil, wraak van God en mens, straf. Thans zien de socialisten — maar ook zij alleen ” dat als de “antisociale broedplaats van de misdaad, de kapitalistische maatschappij vernietigd, en aan ieder de maatschappelijke ruimte voor zijn wezenlijke levensuiting gegeven is”, de sociale misdaad zal verdwijnen.

Opmerking

En hier bij het bespreken van deze voorbeelden van de verandering van denken over recht en eigendom zien wij nu voor het eerst zeer duidelijk een wet van de ontwikkeling van het menselijk denken, waarop wij tot dusver de aandacht nog niet scherp konden vestigen.

Voldoende zagen wij nu al dat de productiekrachten drijfveer, oorzaak zijn, dat de ontwikkeling in het denken plaats heeft. Nu zien wij hoe zij plaats heeft. De ontwikkeling in het denken heeft plaats in strijd, in de klassenstrijd.

Zeer duidelijk tonen wij dit aan met dezelfde voorbeelden van gemeentebedrijf en socialistische opvatting van eigendom en recht, die wij zo even gebruikten.

De grootindustrie maakte de positie van kleine burgers en arbeiders hachelijk. De monopolisten van gas en water, tot dusver geduld, werden ondragelijker naarmate de grootindustrie toenam. De arbeiders en kleine burgers voelden hen als hun vijanden, het werd hun een levensbehoefte ze van zich af te schudden. In hun hoofden ontstond de gedachte: het is onrecht wat die mensen doen, recht, hoger recht is dat de gemeente die bedrijfstakken heeft. Wij, arbeidende klassen, moeten die parasieten bestrijden. Maar de parasieten dachten: het is ons recht deze fabrieken te bezitten, wij als klasse zouden al onze winst gaan verliezen, als men ons het ene winstgevende bedrijf na het ander ontnam. Wij moeten die lagere klassen bestrijden.

In strijd ontwikkelde zich dus het nieuwe rechtsbegrip. De ontwikkeling van de productiekrachten bracht nieuwe klassenstrijd en die strijd verbreidde het nieuwe rechtsbesef.

En het proletariaat dat zich door de grootindustrie geestelijk, zedelijk en lichamelijk voelt te gronde gaan, voelde de kapitalisten als zijn vijanden. Het dacht eerst: wij, arbeiders van deze fabriek, worden uitgeplunderd, wij gaan te gronde, onze kapitalist is onze vijand, het is onrecht dat hij alle winst krijgt en wij niets. Wij moeten hem bestrijden. En daarna dacht het proletariaat in één stad, in één beroep datzelfde. En daarna het proletariaat van één beroep in een heel land. En daarna het proletariaat van een heel land. En daarna het bewuste proletariaat van de hele wereld. En het dacht: wij, als klasse, moeten de kapitalistenklasse bestrijden. Het is recht dat alle productiemiddelen in onze handen komen. Laat ons strijden voor ons recht.

Maar de kapitalisten dachten, eerst ook afzonderlijk, daarna samen, georganiseerd en als staat, precies andersom. Het is recht dat wij houden wat ons eigendom is. Laat ons verpletteren al die revolutionaire gedachten. Laat ons samen als klasse strijden voor ons recht.

En in dezelfde mate dat de techniek zich ontwikkelde, de productiekrachten en de rijkdommen aldoor groter maakte in de handen van de kapitalisten en de ellende dieper, veelvoudig, zwaarder gevoeld onder het steeds talrijker proletariaat, in dezelfde mate werden de behoefte van de bezitters om hun grotere rijkdom te houden en de behoefte van de niet—bezitters, om zich de productiemiddelen toe te eigenen, groter, en dus ook de strijd tussen die twee klassen, en dus ook de sterkte van die idee van recht en onrecht bij die twee klassen.

Zodat men aan dit voorbeeld zeer duidelijk ziet dat de begrippen van recht en onrecht zich in en door de klassenstrijd ontwikkelen, en dat een klasse onrecht kan gaan vinden wat haar vroeger billijk voorkwam, en steeds heftiger iets als onrecht of recht kan gaan voelen naarmate haar klassenbelang het meebrengt.

De materiële strijd om de productiemiddelen is dus tegelijk een geestelijke over recht en onrecht. De laatste is de geestelijke weerspiegeling van de eerste.

Tweede opmerking

Het zal hier wel niet nodig zijn aan te tonen dat in die geestelijke en stoffelijke strijd tenslotte die klasse wint, die door de ontwikkeling van het productieproces tot de talrijkste, de machtigste, de het meest in het bezit van geestelijke kracht en waarheid wordt gemaakt, de klasse die door de uit haar toestand geboren behoeften geroepen is de tegenstrijdigheden, waartoe de nieuwe productiekrachten met de oude productieverhoudingen komen, op te lossen. Wij zullen daar trouwens aan het eind van ons betoog op terugkomen. Hier zij een andere opmerking geplaatst, die tegenover een argument van onze tegenstanders dienst kan doen.

Er lopen leden van de bezittende klassen wel eens over tot de niet—bezittende. Is dit niet een bewijs, dat niet het maatschappelijk zijn over het denken, maar iets hoog geestelijk, iets mysterieus ethisch misschien, over onze maatschappelijke daden beslist?

Een overloper uit het kapitalistische naar het proletarische kamp kan dit doen uit tweeërlei redenen (die ook gemengd kunnen voorkomen). Uit verstandelijke. Hij kan ingezien hebben dat de toekomst aan het proletariaat is. Dan zal niemand ontkennen dat het productieproces, de economische verhoudingen hem die kennis hebben bijgebracht, en dat dus niet in ‘vrijheid’ van geest, maar in het maatschappelijk zijn de drijfveer van de daad moet worden gezocht. Of hij kan overlopen uit gevoelsredenen, omdat hij b.v. liever bij de zwakken dan bij de onderdrukkers is. Wij zullen bij de bespreking van de zedelijkheid aantonen dat hij ook dàn door gevoelens wordt bepaald, waar de oorsprong ligt in het sociaal—economische leven van de mensen en niet door iets mysterieus, bovennatuurlijk of absoluut geestelijk.

D. De politiek

Geven aldus de socialistische begrippen over eigendom en straf een duidelijk voorbeeld, hoe de productiekrachten het denken beïnvloeden, hoe geestelijke strijd van klassen ontstaat en tot oplossing moet komen, nog veel duidelijker voorbeelden vinden wij in de politiek.

En ook hier moeten wij dat wat de socialisten denken tot voorbeeld nemen, want in hun hoofden werken de nieuwe productiekrachten het sterkst.

Ook bij de grootindustrieel, grootbankier of koopman, reder, etc., werken de nieuwe productiekrachten zeer sterk op de geest. Hij denkt aan grootse ondernemingen, enorme winst, kartelvorming, aan buitenlandse markt, aan koloniën, schepping van een nationale vloot en machtig leger om zijn invloed, rijkdom, macht te vergroten. Maar hoe onderscheiden ook in graad van het denken van de kapitalisten en heersers in ‘t algemeen van vroegere eeuwen, in zijn soort is denken daarvan niet verschillend.

De middenstand denkt ook anders dan vroeger. De zwelling van de productiekrachten heeft hen naar een gevaarlijke kant gebracht, vanwaar zij kunnen vallen in het proletariaat. Hoe daaraan te ontkomen, door krediet, door staatshulp, door coöperatie, daar peinzen zij over — heel anders dan hun vaderen dachten. Het ziet er in die hoofden thans anders uit dan b.v. in de achttiende eeuw. Maar ook dit denken gaat in de oude richting: Winst, winst, particuliere winst!

De niet—socialistische arbeidersgeest is ook met een andere voorraad gevuld dan b.v. zijn collega uit de eerste helft van de negentiende eeuw in ons land. Beter loon, kortere arbeidstijd, staatshulp, beter leven, dat murmelt in zijn hoofd. Het lijkt wel een bijenkorf of een molenrad in die christelijke, niet—socialistische organisaties. Het mompelt en het bromt er en je hoort aldoor dezelfde woorden: organisatie, beter leven. Maar ook deze mensen gaan nog het oude pad. Zij willen meer voordeel van het kapitaal, van het privé—bezit, op de grondslag van het privé—bezit.

Maar in de socialisten, daar leeft wat anders, daar leeft iets geheel nieuws dat zó nimmer op de wereld was. Zij willen, zelf staande op de algemene bodem van het privé—bezit, de opheffing van het privé—bezit, zij willen, zelf levend in de kapitalistische staat, de omverwerping van de kapitalistische staat. Hun gedachten, geboren en gevoed in het hulsel van het kapitalisme, willen dat hulsel weg. Hun gedachten zelf willen andere gedachten worden. De arbeidersklasse wil de oorsprong waaruit ze zelf ontsprong vernietigen: het kapitaal en het privé—bezit. Dat is een geheel andere uitwerking van de productiekrachten dan bij de andere klassen, veel groter, veel dieper, veel radicaler, en daarom is het socialistische denken het beste voorbeeld van de invloed van de techniek op de geest.

En hier, in de politiek, komt het verband tussen maatschappelijk zijn en denken ook dáárom zo verhelderd aan de dag omdat de politiek, het willen, begeren, streven, denken, handelen in de staat, het gehele moderne staatsleven van alle klassen omvat. Omdat de staatsburger, die in onze staat zijn rechten heeft, het gehele maatschappelijke leven kan raken. Over de gehele maatschappij en haar onderdelen moet denken en dus letterlijk in zijn geheel geestesleven door de veranderingen van de maatschappij wordt getroffen.

Welk vraagstuk van de politiek is nu het grootste, algemeenste, en kan ons daarom het best tot voorbeeld dienen?

Het is het sociale vraagstuk, het vraagstuk van de strijd van arbeid tegen kapitaal.

Dat vraagstuk zelf is door het kapitaal, dat is dus door de ontwikkeling van de productiekrachten, ontstaan. En in het oordeel over de beantwoording van dat vraagstuk kan men het best zien hoe de groei van de techniek de mensen tot anders denken dwingt.

Waren er voor een zestig jaar in ons land velen die er aan dachten bij wet een arbeidsdag voor de proletariërs in te voeren, of vrouwen en kinderbescherming, of een pensioen of ongevallenverzekering? Slechts enkelen, uiterst weinigen. En wie er aan dacht had uit grotere kapitalistische landen van zulke arbeidersbescherming gehoord. En voor honderd jaar dacht in ons land waarschijnlijk niemand er nog aan.

Hoe is die schone gedachte, dat het proletariaat beschermt moet worden door de gemeenschap, in de geesten gekomen?

Christelijke zin kan het toch bezwaarlijk geweest zijn. Want ook vóórdat de geesten aldus veranderden stierven in Nederland duizenden en duizenden arbeiders door overwerk, ziekte, gebrek, ongevallen, en hadden duizenden en duizenden een ellendige ouderdom. Men leze daarover eens het boekje van Henriëtte Holst Kapitaal en Arbeid in Nederland. Er bestaat in ons land al eeuwen een groot ellendig levend proletariaat. En ook christenen waren er genoeg. Dat men toen niet, later wel, aan staatshulp dacht moet dus een andere oorzaak hebben.

En deze is niet moeilijk te vinden. Het proletariaat had nog geen macht in die dagen en kon de bezitters dus nog tot niets dwingen, dan tot wat particuliere liefdadigheid en wat armenzorg.

En dat het nog geen macht had, dat kwam door het productieproces. Het productieproces had de arbeiders nog niet georganiseerd. Er waren er wel reeds betrekkelijk velen — het kapitaal, dat uit onvergoede arbeid ontstaat, heeft van zijn begin af arbeiders geschapen en met zijn eigen groei er steeds meer geteeld — maar ze waren in kleine bedrijven verspreid. Daardoor ging weinig kracht van ze uit.

Maar toen het productieproces ze verenigd had in dezelfde steden en dezelfde gebouwen bij honderden, toen begonnen ze begrip van hun kracht te krijgen en zich, evenals ze tot arbeid georganiseerd waren, ook tot strijd te organiseren. En deze uit het productieproces voortgekomen strijd, dat optreden, heeft de klassen van de bevolking aan het denken gezet, heeft een revolutie in hun geest teweeggebracht.

Eerst natuurlijk in Engeland en Frankrijk, waar het nieuwe productieproces het eerst kwam. Die buitenlandse voorbeelden laten wij voor het ogenblik weg, er alleen even op wijzend dat dáár, onder de drang van de nieuwe verhoudingen, het utopisch socialisme van Saint Simon, Fourrier en Robert Owen ontstond. En dat door de kennis van Engelse productieverhoudingen, Friedrich Engels, en van Franse en Engelse politiek, Karl Marx tot de sociaal—democratische theorieën, dat wil dus zeggen tot hun denken, kwamen.

Maar ons eigen land is een voorbeeld van de waarheid van wat wij van de politiek zeggen. De burgerlijke staat had nooit iets voor de arbeidersklasse gedaan.

Maar tussen 1860 en 1870 begonnen de arbeiders zelf kleine verenigingen te vormen, kleine vakorganisaties van typografen, smeden, en dergelijke. Kleine secties van de Internationale werden gesticht.

De bourgeoisie begon toen te denken dat er iets voor de arbeiders gedaan moest worden. De staatkundige partijen begonnen te praten van staatshulp.

Daarna begon de socialistische actie. De klassenstrijd werd gepredikt. De eerste propagandisten van beroep gingen het land op, Domela e.a. Men eiste het algemeen kiesrecht.

De bourgeoisie zag de mogelijkheid, dat de gehele arbeidersklasse één vijandige massa werd. De bourgeoisie begon iets te doen. Het eerste heel onnozele wetje op vrouwen en kinderarbeid kwam in de maak. Een eerste miniem veiligheidswetje. Een deel van de bourgeoisie begon aan uitbreiding van kiesrecht te denken. Papieren sociale programs kwamen als paddestoelen op.

De beweging voor algemeen stemrecht groeide enorm onder hen die geen stemrecht hadden.

Er kwam uitbreiding van stemrecht, vooral voor de middenstand.

De teleurgestelde arbeiders liepen in groten getale naar het anarchisme.

De burgerlijke staat deed weer niets.

De sociaal—democratische partij werd weer sterker, de arbeiders kwamen tot haar terug. Troelstra, Schaper, van Kol kwamen in de Kamer.

De bourgeoisie gaf de ongevallenwet, de woningwet. De S.D.A.P. groeide en groeide.

Pensioen en ziekteverzekering kwamen in ontwerpen voor de dag.

Welk een reusachtige verandering van denken! In een heel land, bij alle klassen van de bevolking! Alle klassen namen stelling ten opzichte van het sociale vraagstuk, d.w.z. in de klassenstrijd.

En hoe duidelijk hangt dit samen met de ontwikkeling van de techniek! De statistieken leren ons dat juist na ‘70, na de Frans—Duitse oorlog, industrie en handel zich nieuw ontwikkelden, aldoor sterker werden. Juist, precies in de tijd dat het socialisme groeide en de politiek veranderde. Het is haast mogelijk de cijfers van handel en productie, het groeiende aantal bewuste arbeiders, èn de politieke denkbeelden van de bezittende klassen in drie parallelle lijnen naast elkaar te leggen. De stijging van de eersten is stijging van de beide anderen, de strijd van de klassen komt zichtbaar uit de ontwikkeling van de techniek voort.

En hoe helder toont zich de wijze waarop wij zeiden dat de ontwikkeling gaat: de strijd. Niet uit christelijkheid, maar evenmin uit vrije wil of uit eigenmachtige oorspronkelijke werking van de rede. En evenmin door de drang van een of andere mystieke tijdgeest of vrijheidszin, kwamen de tak van Poortvliet’s, de van Houten’s, de Kuyper’s, etc. tot de wijziging van hun denkbeelden. Het waren de arbeiders zelf die, gesteund door hun arbeid, hun werktuigen, door hun organisatie, hun propaganda, hun strijd, de bourgeoisie dwongen de inhoud van hun geest te wijzigen.

Alle mystiek kan hier overboord geworpen worden. Het ware verband van deze dingen ligt zó open voor ons als de bewegingen van het zonnestelsel. Wij begrijpen ze.

In Nederland is deze ontwikkeling van de geesten van de arbeiders gekomen door de ontwikkeling van de techniek. En deze ontwikkeling van de geesten van de bourgeoisie is ontstaan door de drang, die de in daden omgezette gedachten van de arbeiders op hen hebben geoefend. (Wij hoeven er zeker niet bij te voegen, dat dat zo moet blijven, tot de arbeiders hun doel hebben bereikt. Strijd is het enige middel om de gedachten en daden van de heersers te doen veranderen.)

Op gevaar af door uitvoerigheid en herhaling vervelend te worden — het onderwerp wezenlijk te begrijpen is voor de arbeider zó belangrijk dat wij graag het gevaar lopen voor langdradig te worden gescholden — gaan wij nog wat dieper op de kwestie in.

Wij hebben de bezittende klassen over één kam geschoren, wij hebben hen tegenover het proletariaat als één massa beschouwd. Maar zij zijn inderdaad verschillend, en de ontwikkeling van de techniek werkt niet op alle bezitters gelijk. Op dat verschil moeten wij nog even ingaan.

De materiële toestand en de politieke gedachten van de klassen worden door de ontwikkeling van de techniek op zeer verschillende wijze ontwikkeld. Als voorbeeld nemen wij nu aan de ene kant het militarisme en het imperialisme, aan de anderen kant de sociale wetgeving.

De zware internationale concurrentie dwingt de grote kapitalisten van alle landen, dus ook Nederland, tot koloniale politiek. Heeft een land een koloniaal gebied zelf in de macht, dan kunnen de kapitalisten van dat land daar veel meer rijkdom halen dan in aan vreemden toebehorende koloniën. Men komt er, vooral in de aanvang, gemakkelijker in, de eigen staat steunt, stuwt, en beschermt het best. Een kolonie is een terrein voor uitbuiting vooral voor het moederland. De winsten in de koloniën, waar de arbeidskracht goedkoop, en geweld en knevelarij geoorloofd is, zijn vaak enorm. Het kapitaal, in het moederland te veel, kan daar zeer hoog rentegevend belegd. De Nederlandse grootkapitalisten dringen dus naar uitbreiding van onze koloniale macht.

Daarvoor zijn leger en vloot nodig, ergo zij eisen miljoenen voor leger en vloot ginds.

Ook Nederland zelf moet verdedigd worden, want het is met zijn koloniën, het beste terrein voor de winst van de Nederlandse bourgeoisie. Zij eist daarom tientallen miljoenen voor leger en vloot ook hier.

Al dat geld, waar moet het vandaan komen? Zo weinig mogelijk van de grote bezitters, zo veel mogelijk van de lagere klassen. Daarom een belastingstelsel, door de grote heren ingevoerd, dat bijna alle belasting door indirecte heffing neemt van de kleine man.

Sociale wetgeving, pensioen, ziekteverzekering, enz. zou veel kosten als ze goed was. Daarom moet ze slecht zijn, en zoveel mogelijk door de arbeiders zelf worden betaald. Geheel ontwijken kan men ze uit angst voor het proletariaat niet, maar zo weinig mogelijk offert men zelf.

Dit is in het kort de gedachtegang, de inhoud van de hoofden van de grote kapitalisten. Van de fabrikanten in Brabant en Twente, in Amsterdam en Rotterdam, aan de rivieren, van de bankiers door het hele land, van de koloniale kapitalisten van de petroleumbronnen en goudmijnen, van de tabak en suikerplantages, van de stoomvaartmaatschappijen.

En elk, die zijn verstand gebruikt, kan begrijpen dat de wil van deze klasse om meer schepen en soldaten, meer koloniale macht, de onwil om goede sociale hervorming te hebben, sterker worden naarmate de belangen van deze klasse groter worden. En sterk imperialisme en militarisme betekent dus geen of zo goed als geen sociale hervorming.

Anders staat de middenklasse in deze vraagstukken.

Zij heeft lang niet zulke grote belangen bij leger en vloot en vooral niet bij de koloniën, de handel met Nederlands—Indië [a] is voor ons land maar een klein deel van de hele handel. De grote heren halen wel schatten daarvandaan, maar het aantal van die heren is relatief niet groot. De middenklasse kan ambtenaren leveren voor de bureaucratie, officieren, administrateurs en beambten voor ondernemingen, onderwijzers en dergelijke. Maar ook hun aantal is betrekkelijk gering.

Maar toch volgt het grootste deel van de middenklassen de politiek van de grote heren en zien wij in ons parlement de vertegenwoordigers van boeren en winkeliers, de katholieken, de anti—revolutionairen, de vrijzinnig—democraten gewoonlijk stemmen voor oorlogschepen, vestingbegrotingen, Indische uitgaven, enz. enz.

Hoe zit dat? Hebben wij hier niet een tegenspraak met wat wij zeiden, dat de ontwikkeling van de productiekrachten de behoeften van de mensen, van de klassen doet veranderen, en daarmee hun politiek?

De behoefte van een Hollandse boer of timmermansbaas aan Nederlands—Indië is toch niet zó groot dat hij daarvoor zo zware belastingen slikt?

Om deze moeilijkheid op te lossen moeten wij goed onderscheiden. Een groot deel van de middenstand hangt geheel en al van het kapitaal af. Niet alleen heeft de middenstand de staatsbetrekkingen grotendeels en de betrekkingen bij de kapitalisten in handen, maar een zeer groot deel van de middenstand leeft van krediet. Vooral de boeren en de winkeliers. Overvloedig voorradig kapitaal betekent voor hen goedkoop krediet. Bloeiende nijverheid en handel brengen overvloed van kapitaal. Ergo voor dat deel van de middenstand geldt de tactiek: alles doen, wat dat schijnt te bevorderen wat staat en kapitaal machtig schijnt te maken: leger, vloot, koloniën. Een groot deel van de middenstand leeft bovendien direct van de uitbuiting van arbeiders. De kleinere industriëlen, de boeren met knechts, vele winkeliers. Uitbuiting van de arbeidersklasse, dat voelen zij, hebben zij gemeen met de grootkapitalisten. Hogere belasting voor sociale hervorming zou ook hun bestaan verzwaren, ergo: strijd tegen de arbeiders.

Direct heeft een zeer groot deel van de middenklassen dus geen belang bij militarisme en imperialisme, indirect een zeer groot belang. En eveneens een direct belang bij de uitbuiting van arbeiders.

Ligt het dus zo met dat gedeelte van de middenklassen, dat een groter vóór dan een nadeel van het kapitalisme heeft, anders staat het met dat gedeelte dat nadert tot het proletariaat. De kleine boer, de kleine pachter, de kleine winkelier, de lage beambte met gering inkomen. Zij hangen ook wel van het kapitaal af, maar zij worden er door verpletterd. Krediet hebben zij niet, daarentegen is het proletariaat hun verwant, en moeten zij dikwijls van het proletariaat als hun klanten leven. Dat deel is dus tegen imperialisme en militarisme, en zij het dan ook dikwijls niet zó vurig als de arbeidersklasse, vóór sociale hervorming.

En naarmate de ontwikkeling van de techniek het proletariaat vergroot, het gevaar toeneemt voor de arme middenklasse om zelf proletarisch te worden, en de druk van het kapitaal en de staat groter wordt, naar die mate verandert ook het denken van dit gedeelte van de middenklasse, worden de leden van dit gedeelte in hun willen meer en meer tegen het kapitaal.

Direct heeft dit gedeelte bij sociale hervorming voor het proletariaat geen belang, wel indirect.

Omdat het hogere deel van de middenklasse dus geen direct belang bij de bloei van het grootkapitaal, het lagere niet bij de sociale hervorming heeft, is het politieke denken van de gehele maatschappelijke middenstof enigszins onzeker, en kan het gebeuren dat het hogere deel zich soms iets meer naar het arbeidersbelang, het lagere wat meer naar het kapitalistisch belang neigt, een radicale partij b.v. zich wat meer voor het proletariaat, een calvinistisch—democratische partij zich voor het grootkapitaal interesseert. Dit kan weer omdraaien. Beide worden ook gemakkelijk het werktuig van eerzuchtigen en intriganten.

Helder spiegelt zich hierin de werking van de productie en eigendomsverhoudingen af. De arbeidersklasse, wij hoeven het haast niet te zeggen, heeft noch direct noch indirect belang bij imperialisme, koloniale politiek en militarisme. Want deze zuigen de arbeider uit en maken zijn organisatie en sociale hervorming moeilijk of onmogelijk. En de oorlog en nationale naijver breken de internationale solidariteit van de arbeiders; het grote wapen waarmee zij tenslotte het kapitaal zullen overwinnen, zoals wij verder nog zullen aantonen.

Imperialisme en koloniale politiek zijn de troetelkinderen van de grote bourgeoisie, de doodsvijanden van het proletariaat. De middenklasse hangt tussen liefde en haat, en het grootste deel van haar loopt met de machtigste mee.

Radicale sociale hervorming is het spook voor de grote bezitters, de springplank naar de macht voor de arbeiders. De middenklasse schippert en knoeit er een beetje tussen door.

Zo spiegelen zich in de politieke ideeën van de drie grote klassen de productie en de eigendomsverhoudingen. Want de moderne techniek brengt het grootkapitaal het monopolie en het grootbezit, maakt de middenklasse in bezit daarvan afhankelijk of tussen bezit en niet—bezit zwevend, maar berooft de proletariërs van alle persoonlijke macht, van alle persoonlijk bezit.

Het politieke denken van de klassen is de geestelijke spiegel van het productieproces met zijn eigendomsverhoudingen.

Tegenwerping

Het schijnt zeer mechanisch dat hele klassen van denkende mensen allen gedwongen worden hetzelfde te denken. Dit is dan ook wat de tegenstanders opmerken.

Intussen, wie even bedenkt dat de klassen door hun belang worden gedreven, dat hun klassenbelang voor hen een kwestie is van te zijn of niet te zijn als klasse, hij zal zich niet verwonderen en om deze tegenwerping niet veel geven. Want het is hun bestaan zelf dat de klassen verdedigen. Als één mens reeds alles verdragen, alles doen, alles uitdenken wil om zijn bestaan te behouden, hoeveel te meer een klasse die door haar samenwerking en maatschappelijke organisatie duizenden malen sterker is dan haar leden.

Maar elk mens tenslotte strijdt de politieke klassenstrijd naar zijn gaven. De arbeider hoeft slechts weer in zijn omgeving rond te zien om te ontwaren dat het vlugge vurige hoofd en het gevoelige hart eerder de roep van de ontwikkelde techniek volgt dan de slaapkop, de lauwhartige en het hazenhart. De revolutie van de techniek gaat snel, de mensen komen iets langzamer na. Maar eindelijk komt de massa, eindelijk allen. De macht van de maatschappelijke productiekrachten is allesbeheersend.

Men ziet immers duidelijk de miljoenen proletariërs langzaam, maar sneller en sneller, de roep van de moderne techniek volgen en bij scharen sociaal—democraten worden.

Het individu heeft dus wel grote betekenis in de ontwikkeling van de maatschappij. De energieke, de vurige, de gevoelige, de geniale, de ijverige verhaasten de gang van een klasse, terwijl de dommen, tragen en onverschilligen hem verlangzamen. Maar geen mens, hoe geniaal, ijverig of vurig ook, kan tegen de ontwikkeling van de techniek in de maatschappij een richting doen inslaan, en geen domkop of luiaard of de voor het maatschappelijke onverschillige kan de stroom tegenhouden. Het maatschappelijk zijn is oppermachtig, het individu dat weerstaat wordt verpletterd. En zelfs zijn weerstand is door het maatschappelijk zijn bepaald.

E. De zede en de zedelijkheid

Wij hebben nu de zogenaamde lagere gebieden van de geest afgehandeld en komen nu tot de zogenaamd hogere: de zeden, de zedelijkheid, de godsdienst, de wijsbegeerte, de kunst. Deze gebieden worden door de heersende klassen hoger gesteld dan de eerste, omdat de eerste nog te veel met de materie samenhangen, terwijl de laatste boven al het stoffelijke schijnen te zweven. Het recht, de politiek, de wetenschap, hoe geestelijk ook, behandelen toch maar het aardse — stoffelijke, dikwijls lelijke dingen en verhoudingen — filosofie, godsdienst, moraal schijnen zuiver geestelijk, schoon en hemels. Een advocaat, een lid van de Kamer, een professor of leraar lijkt minder hoog dan een kunstenaar, een priester en een wijsgeer.

Wij zouden niet graag met die verdeling meegaan. Maar wel is het waar dat ook voor ons de kunst, de wijsbegeerte, de godsdienst en de moraal moeilijker gebieden zijn. Juist doordat de heersende klassen van deze terreinen bovennatuurlijke departementen hebben gemaakt, zonder samenhang met de aarde, met de maatschappij, zuiver geestelijk, en doordat die mening als een vooroordeel in alle geesten is gekropen, valt het aantonen van verband tussen denken en maatschappelijk zijn ook hier zwaarder. Wij zullen dubbel duidelijk moeten zijn en trachten te zijn, het geldt hier in dubbele mate het arbeidersbelang. Het zien van de waarheid maakt hier krachtige strijders.

Wij beginnen met het eenvoudigste van deze vier gebieden, de zeden. Men moet hier wel onderscheiden tussen zeden en zedelijkheid. Een zede is een voorschrift voor een bepaald geval, zedelijkheid is iets algemeen. Zede is b.v. bij de beschaafde volken, niet naakt te lopen. Zedelijkheid de naaste lief te hebben als zichzelf. Het minder eenvoudige, de zedelijkheid, de moraal, zullen wij na de zeden behandelen.

Twee sterke zeer algemene voorbeelden uit onze eigen tijd, uit wat de arbeider dagelijks voor zijn ogen ziet, bewijzen hoe sterk de zeden door de wijziging van de productieverhoudingen wordt gewijzigd.

Het was vroeger zede dat de arbeidersklasse zich niet bemoeide met de publieke zaak. De arbeiders hadden niet alleen niet de minste macht op, of in de regering, maar hun gedachten hielden er zich ook niet mee bezig. Alleen in tijden van grote spanning, oorlog met het buitenland, strijd tussen heersers, vorsten, adel, geestelijkheid, bourgeoisie onderling, dan werd hun aandacht gewekt, dan poogde men hen aan zijn kant te krijgen, dan waren er ogenblikken dat zij voelden dat hun belang geraakt werd. Dan deden zij mee, of lieten zich gebruiken. Maar van een voortdurend politiek leven was voor hen geen sprake.

Tegenwoordig totaal anders. Zeer vele arbeiders leven niet alleen het politieke leven mee, maar in de landen waar de sociaal—democratie het proletariaat heeft geschoold maakt een groot deel van het proletariaat, het proletariaat tot de klasse die het sterkst deelneemt aan de politiek.

Vroeger was het goed dat de arbeider in de avond thuis was, tegenwoordig is het goed, en het wordt meer en meer goed, dat de arbeiders ‘s avonds naar een vergadering gaan van hun vakbond, hun partij, of een vereniging die hen als proletariërs ontwikkelt.

De gewoonte ontstaat door het klassenbelang, het klassenbelang door de eigendomsverhouding. Het was het klassenbelang van de heersers vroeger dat de arbeiders thuis waren ‘s avonds, spaarzaam, rustig, bescheiden, onderdanig, zich niet dan bij bijzondere gelegenheden bemoeiend met de politiek. En omdat de arbeidersklasse toen, door de toenmalige techniek, zwak was, liet zij zich dit door de heersers opdringen. De dominees en priesters, de dienaren van de heersers, preekten hun dat in het gemoed.

Het is nu het klassenbelang van de arbeiders niet meer zo te doen. De techniek heeft dit gewijzigd en de arbeiders meteen sterk genoeg gemaakt om hierin niet meer naar de heren te luisteren. En nu is door het klassenbelang de gewoonte aldus geworden: De thuiszitter is nu een slaapkop, een doffe, onverschillige, een slechte arbeider. De ijverige organisatieman is de goede arbeider.

Want — het is duidelijk niet waar? — al naar de zede noemt men iemand goed of slecht.

In een tijd, toen het noodzakelijk moest uitlopen op hun onderdrukking met geweld, met moord en doodslag, was het ook geen goede zede om de arbeiders op te ruien. De heersers hadden gelijk: het was goed, maatschappelijk goed, als de arbeiders niet voor zich streden, het zou schadelijk geweest zijn voor de maatschappij die voor een revolutionaire arbeidersklasse nog niet rijp was. Thuiszitten, spaarzaamheid, politieke bescheidenheid, etc. was toen goede zede, voor de arbeiders en voor de maatschappij.

Maar nu is het omgekeerde goed. Er uit, de straat op, allen naar de meeting of vergadering, dat is nu goed. Want de techniek belooft nu aan de arbeidersklasse de overwinning en de overwinning van de arbeiders is goed voor hen en goed voor de hele maatschappij. Ergo is het goede zede, het is goed in de avond uit te gaan met dat doel.

Onze partijgenote Henriëtte Roland Holst is zeer hard gevallen, toen zij zei dat de begrippen van goed en kwaad stuivertje wisselen, maar wanneer men niet zo maar in ‘t algemeen verontwaardigd is over dit beweren, maar zelf kalm de feiten onderzoekt, dan zal men vinden dat dezelfde dingen door verschillende volken en klassen, of door hetzelfde volk of dezelfde klasse op verschillende tijden, goed en kwaad zijn genoemd. Er zijn voorbeelden bij honderden te vinden, de gehele geschiedenis is er vol van. Wij wijzen hier slechts op de zeden die de verhouding van de beide seksen, het huwelijk, enz. regelen, en die bij verschillende volken en klassen, of op verschillende tijden verschillend zijn.

Wij nemen nu nog een ander zeer algemeen voorbeeld uit onze eigen tijd. Behalve de arbeidersklasse die omhoog streeft, is er nog een groot deel van de mensheid die de vrije maatschappelijke beweging zoekt: de vrouwen.

Hoe komt het dat zij, die zo kort geleden nog alleen voor het huiselijk werk en het huwelijk werden opgevoed, nu bij honderden nog een ander doel hebben: werk in de maatschappij.

Bij de proletarische vrouw is dit door de grootindustrie gekomen. Het werk aan de machine is vaak zo licht (al wordt het door het lange werken zwaar), dat vrouw en meisje het doen kunnen. Het loon van de vader was niet hoog genoeg, het aanbod van te gronde gerichte kleinindustriëlen of boeren was te groot, vrouwen en kinderen moesten de fabriek in om het loon voor het huisgezin voldoende te maken. Zo kwamen de proletarische vrouwen in het bedrijf, hun aantal nam steeds meer toe.

En daardoor veranderde de inhoud van de geest van die vrouw. De socialistische gedachte is ook in haar hoofd gedrongen, bloem van het werk dat zij doet. De proletarische vrouwen zijn in enkele landen (als Duitsland) reeds een goed stuk op de weg van de socialistische organisatie, in alle kapitalistische landen zijn zij begonnen die weg te gaan. De arbeidersvrouw, het arbeidersmeisje, de medestrijdster van de man in de politieke partij en in de vakvereniging. Welk een verschil met vroeger toen de vrouw kleren verstelde, waste, de kinderen verzorgde en niets meer!

En in het hoofd van de socialistische arbeidersvrouw leeft ook de gedachte aan een tijd waarin het meisje en de vrouw maatschappelijk geheel zelfstandig, als producent geheel vrij zal staan. In de toekomstige maatschappij zal niemand, noch vrouw, noch man, een meester hebben, noch in het huwelijk, noch in het werk, in niets. Als vrijen en gelijken zullen de individuen naast elkaar staan.

Ook die gedachte is aan de vrouw door het productieproces gegeven.

De burgerlijke vrouw streeft ook naar enige bevrijding. En ook bij haar wordt die gedachte door het productieproces veroorzaakt.

Want toen de grootindustrie gekomen was, werd ten eerste het werk voor de vrouw in de huishouding minder. De grootindustrie produceerde allerlei: licht, warmte, manufacturen, levensmiddelen, zó goedkoop dat men het niet meer thuis wilde maken. Ten tweede werd de concurrentie zó hevig dat het meisje en de vrouw uit de kleine burgerstand mee moest gaan verdienen en als onderwijzeres, kantoorklerk, telefoniste, apothekeres enz. een plaats zocht. Ten derde namen onder de bourgeoisie de huwelijken af door de heftige strijd om het bestaan, de hogere levenseisen, de zucht naar genot en weelde. Alles gevolg van de moderne productiewijze.

De geest van het burgerlijke meisje is daardoor gericht op groter maatschappelijke bewegingsvrijheid. Haar denken is veranderd. Vergeleken bij haar grootmoeder is zij een nieuw mens.

Terwijl de proletarische vrouw, door de plaats die zij in het maatschappelijk productieproces inneemt, de bevrijding van het proletariaat en daarmee van de gehele mensheid in haar hoofd heeft, heeft de burgerlijke feministe de bevrijding van de burgerlijke vrouw in de gedachte. Zij wil deze tot macht brengen in de kapitalistische maatschappij, zij wil haar kapitalistische macht geven, iets wat natuurlijk alleen mogelijk is als zij de arbeiders even hard, economisch en politiek, onderdrukt als de mannelijke bourgeois dit nu doen.

De feministe wil de vrouw “niet van het eigendom bevrijden, maar haar de vrijheid van het eigendom verschaffen, haar niet van het vuil van het geld verdienen bevrijden, maar haar de vrijheid van concurreren geven.” De arbeidersvrouw wil zich, en alle vrouwen en alle mannen, bevrijden van het eigendom en de concurrentie en daardoor alle mensen werkelijk vrij maken.

Hoewel de inhoud van beider hoofden dus zeer verschillen — zoals een nachtlampje van het volle zonlicht — komen beide gedachten uit het productieproces voort. Ze verschillen slechts door het verschil van eigendomsverhoudingen waarin de beide ‘zusters’ zijn geplaatst.

De totale bevrijding van de vrouw, de bevrijding van de arbeider, de bevrijding van de mens, welke gloeiende gevoelens geven zij ons. Welk een hartstocht en een daadkracht doen zij bij miljoenen ontstaan, welke bronnen van energie roepen zij bij ons wakker. En welk een heerlijke gouden en rozerode dromen geven zij ons in uren van rust na strijd. Dan kan het wel lijken of de geest van de mensen eigenmachtig al die energie, die woedende strijdlust en die verrukkelijke dromen wakker riep! Maar laat ons nooit vergeten, vrienden, dat die enorme wil van het proletariaat, die zaligheid bij overwinning en die gestaalde hoop bij nederlaag — dat reusachtige idealisme van de arbeiders — de hoogste, meest omvangrijke en heerlijkste, o verreweg wijl meest bewuste en dus diepst idealistische geestesuiting die de wereld ooit kende — dat die schoonste geestelijke verschijningen vastzitten aan de arbeid, het werktuig, die op hun beurt weer vast in de aarde staan.

Deze twee voorbeelden bewijzen aan de twee grootste veranderingen in de zeden van onze tijd, hoe waar ons historisch materialisme is. Wij gaan nu over tot de algemene zedelijkheid. Intussen nemen wij, om de overgang daarheen gemakkelijker en dus het gehele onderwerp begrijpelijker te maken, eerst nog een voorbeeld, dat niet meer behoort tot de zede van het dagelijkse werk, als het naar vergaderingen lopen van de arbeiders, en het telefoneren of in de apotheek staan van de vrouwen — maar dat toch ook nog niet tot dat gebied van de zedelijkheid behoort dat volgens de heersende klassen het allerhoogste is, de naastenliefde, de waarheidsliefde, enz.

Als overgang nemen wij de vaderlandsliefde.

Ook in dat gevoel, in die gedachte zien wij in onze eigen tijd een enorme verandering plaats hebben, en wel voornamelijk weer het allermeest bij de arbeiders.

In vroeger tijd toen de arbeidersklasse nog zo goed als geen zelfstandige maatschappelijke macht was, was zij vaderlandslievend, d.w.z. zij wist niet anders te doen dan bij de strijd, die de heersende klassen van haar land tegen buitenlandse machten hadden te voeren, deze te volgen. Het is wel niet waarschijnlijk dat de toenmalige proletariërs en kinderen uit de kleine boeren en burgerstand, die zich voor leger of vloot lieten werven, dit uit gloeiende liefde voor het vaderland deden. Bij de velen was het nood, het gebrek aan andere betere verdienste, maar de arbeidende klassen wisten toen wel niet beter of het behoorde zo, althans, het moest zo. Een gedachte dat zij zich als zelfstandige macht tegen een oorlog konden verklaren en hem verhinderen, ook als de regerende klassen hem wilden, kwam niet bij hen op, immers zij waren politiek en economisch een aanhangsel van die klassen. Noch in aantal, noch in organisatie, waren zij sterk genoeg een eigen gedachte op dit punt te hebben, laat staan haar in een daad om te zetten. Ook wanneer zij voor het behoud van de vrede streden, deden zij dit gewoonlijk als aanhangsel van een gedeelte van de heersende klassen dat meer voordeel in vrede zag, en onder de leuze dat dit goed voor het vaderland, deze gedachte en deze daad de echte vaderlandsliefde waren.

In werkelijkheid was oorlog, en was zulke vaderlandsliefde, algemeen dikwijls zeker niet nuttig of voordelig voor de arbeidende klassen. Ook toen, even als nu, zullen zij dikwijls het gelag hebben betaald met hun bloed, hun leven, hun weinig bezit dat in zware belastingen hun werd ontnomen of door de oorlog verwoest. Maar desondanks volgden zij in hun ideeën de heersers, en namen de leuzen die deze hun preekten, van liefde voor de onafhankelijkheid van de staten, voor het vaderland, of voor Oranje, aan zonder daar iets anders definitiefs tegenover te stellen.

Hoe is dat veranderd! In alle landen, ook in ons land, neemt het aantal arbeiders — men kan zeggen bij de dag toe — die inzien dat oorlogen tegen beschaafde en tegen onbeschaafde volken alleen gevoerd worden ten voordele van de bourgeoisie. Dat de bourgeoisie vaderlandsliefde alleen aan de arbeiders preekt om hen als gewillige oorlogswerktuigen te hebben, dat doel en resultaat van alle oorlogen is de arbeidersklasse nog meer te plunderen en nog meer arbeiders uit te buiten, dat internationale strijd van de volken voor de arbeiders van winnend en van verliezend land een gevaar is.

“De bourgeois” zo denkt de moderne arbeider “heeft belang bij de oorlog. De productie en het te beleggen kapitaal zijn zó groot geworden dat hij naar markten en terrein voor belegging zoekt en door oorlog anderen wil verdringen of weghouden. Maar dat kan hij slechts bereiken door nog zwaarder belasting op te leggen, door minder loon te geven en intenser of langer te laten werken, en door mij geen of slechte arbeidswetten te geven. Ik echter heb er belang bij dat ik hoge lonen, korte arbeidstijd, goede sociale wetten, geen belasting of invoerrecht op verbruiksmiddelen heb. Ik moet dus wel tegen de oorlog zijn. Ja, ik heb er ook belang bij dat mijn kameraad over de grenzen dezelfde voordelen heeft, want dan kan aan de industrie van mijn land geen schandelijke concurrentie door hongerlonen worden aangedaan, dan wordt de vakbond van die buitenlandse arbeiders sterk, en kan ik op hun voorbeeld de mijne sterk maken, ja hem met de hunne tot een internationalen bond verbinden. En als ginds de politieke arbeiderspartij sterk is, dan is dat een zweepslag voor onze mannen om ook de onze sterk te maken, en wij kunnen komen tot een internationale aaneensluiting van alle politieke arbeiderspartijen met éénzelfde doel en tot onderlinge steun. Maar wanneer oorlog uitbreekt, dan wordt de economische kracht van ons en van hen vernietigd, en wordt er door de bourgeoisie haat tussen ons gezaaid.”

Het zijn de ontwikkeling van de industrie en van de wereldhandel die de arbeiders tot een zelfstandige macht hebben gemaakt, die alleen haar doeleinden bereiken kan. Maar zij zijn het ook die, doordat zij het kapitaal tot een macht hebben gemaakt, die in alle landen heerst, en overweldigend reusachtig is, veroorzaken dat de arbeiders het kapitaal alleen internationaal kunnen overwinnen. Men kan zich niet denken, dat de arbeiders van één land over de kapitalisten zouden zegevieren, zonder dat de kapitalisten van andere landen alles deden om hun klassengenoten te helpen. Dit komt nu al duidelijk in de internationale patroonsverenigingen voor de dag. En om al die redenen en dáárdoor hebben de socialistische arbeiders ingezien dat vaderlandsliefde geen leus voor hen meer is, maar dat de internationale solidariteit van de arbeiders hun leuze zijn moet.

De techniek, het productieproces op zijn tegenwoordige hoogte, maakt het voor de kapitalisten van een land noodzakelijk de markten van de koloniën of te monopoliseren of er een zo groot mogelijk stuk van te krijgen.

De techniek, het productieproces op zijn tegenwoordige hoogte, maakt het voor de arbeiders van een land noodzakelijk zich hiertegen te verzetten, omdat oorlog en koloniale politiek altijd gepaard gaan met uitzuiging van het proletariaat.

De techniek heeft de belangen van alle kapitalisten, hoewel zij over de markt met elkaar vechten, gelijk gemaakt op dit punt: onderdrukking van de arbeiders.

De techniek heeft de arbeiders van alle landen georganiseerd en hun laten zien dat hun belang gelijk is op dit punt: solidariteit van alle arbeiders.

De bezitters zijn dus vóór oorlog en arbeidersonderdrukking. De arbeiders vóór internationale arbeiderswelvaart en internationale arbeidersvereniging.

De arbeidersklasse is dus zeker niet vaderlandslievend in de zin van de bourgeoisie, in de zin die onder het kapitalisme altijd gehecht is aan dit woord, en die betekent: liefde voor het eigen, geringschatting of afkeer of haat tegen het vreemde land.

Het moderne kapitalisme is uitsluitend vaderlandslievend uit winstbejag. Het acht vaderlandsliefde niet werkelijk een deugd, het vaderland niet heilig, want het ontneemt het vaderland aan Transvalers, de Filippijnen, de inwoners van Engels en Nederlands—Indië, de Chinezen, de Marokkanen, enz. enz. Het voert Polen, Galliciërs, Kroaten, Chinezen in, om de lonen van de eigen landgenoten, kinderen van hetzelfde vaderland, te drukken.

Het vraagt vaderlandsliefde, die het zelf niet voelt, van de onderdrukte klasse. De vaderlandsliefde van de bourgeoisie is winstbejag en huichelarij.

Een dergelijke vaderlandsliefde is aan het socialistische proletariaat zeker volkomen vreemd. In de grond is alle vaderlandsliefde, in de zin die de bourgeoisie aan het woord hecht, de arbeider vreemd.

Natuurlijk wil de arbeider zijn taal behouden, de enige waarmee hij werk vinden kan. Maar dat is niet de vaderlandsliefde die de bourgeoisie van hem wil. Ook de arbeider heeft misschien de natuur, het klimaat, de atmosfeer van zijn land lief, waaraan hij gewoon is, die hij van af zijn jeugd genoot. Maar ook dat is niet de vaderlandsliefde, die de bourgeoisie van hem vraagt. De vaderlandsliefde die de bourgeois de arbeider wil opdringen is, dat hij zich gewillig door haar als oorlogswerktuig laat gebruiken, zich voor haar laat slachten wanneer zij haar winstmakerij verdedigt of winst van andere kapitalisten of bezit van weerloze volken tracht te roven. Dat is de burgerlijke vaderlandsliefde en daaraan is de socialistische arbeider totaal vreemd. In de zin van de bourgeoisie heeft de arbeider geen vaderland.

De arbeider vraagt bij alle internationale verwikkelingen: wat is het arbeidersbelang, en daarnaar, daarnaar alleen oordeelt hij.

En zeker zal dat klassenbelang van de arbeiders, algemeen, wel het behoud van de vrede zijn, en is dus de politiek van de arbeiders wel het beste middel om alle vaderlanden te laten bestaan. Want als de vrede blijft, en de arbeidersklasse komt in alle landen aan de macht, dan is er geen mogelijkheid meer dat het ene land het andere aan zich onderwerpt, dan kan alleen van een langzaam verdwijnen van grenzen en verschillen, langs organische weg zonder geweld, sprake zijn. In zoverre is de internationale sociaal—democratie de enige handhaver van het bestaan van de landen en naties.

En ook in die nog maar schaars denkbare gevallen, waarin het proletariaat zou toestemmen in een oorlog, b.v. om een despotisme als in Rusland te vernietigen, daar zou het niet door de vaderlandsliefde van de bourgeoisie, maar door de liefde voor het internationale proletariaat worden gedreven.

De arbeidersklasse die tot het socialisme is doorgedrongen, kan rustig haar doel: internationale éénheid van de arbeiders en daardoor van de mensen, eeuwige vrede van alle volken, stellen tegenover de chauvinistische vuil—winstgierige liefde voor het vaderland van de bourgeoisie en haar priesters, en tegenover hun huichelachtige vredeskomedies. Het doel van de bourgeoisie is bekrompen, zoals een land of landje beperkt is tegenover de aarde. Maar bovendien is het vals en onbereikbaar, want de kapitalistische heersers van de volken, die vechten om de buit, zullen met elkaar vechten zolang er buit is. Het doel van de sociaal—democratie is verheven en smetteloos heerlijk, maar bovendien is het waarachtig bereikbaar. De arbeidersklasse kan niet anders willen dan vrede tussen de arbeiders. Het is haar belang, ja meer nog, de voorwaarde van haar overwinning.

Welk een verandering bij vroeger! De arbeider toen een slaafse denker van de beperkte gedachten van zijn meesters. Nu: de wereld, de hele mensheid omvattend, onafhankelijk van, strijdend met zijn meesters. En die gehele verandering is veroorzaakt door, te danken aan de machine die proletariërs bij miljoenen heeft geschapen en georganiseerd.

Opmerking

Wij toonden aan dat vroeger de vaderlandsliefde van de arbeidende klassen niet direct uit hun eigen belang voortkwam, maar uit het belang van de heersende klassen van wie zij afhankelijk waren. Dit zal men altijd vinden: zolang een klasse geen kracht heeft haar wezenlijke eigen belangen te verdedigen, het belang van een andere klasse nog haar belang is, zal zij ook in haar denken de heersers volgen, en aannemen en geloven, zich inbeelden wat deze haar voorpraten. Daarvan was de vaderlandsliefde vroeger, en is zij bij velen ook nu nog, een duidelijk voorbeeld. “De heersende ideeën van een tijd” zegt Marx “waren steeds de ideeën van de heersende klasse.” Maar naarmate een klasse langzamerhand sterker wordt, zodat zij haar eigen belangen verdedigen kan, komt zij krachtiger en eindelijk geheel openlijk, zonder valse schaamte, stoutmoedig voor haar gevoel en gedachteleven uit.

Wij gaan nu over naar de ‘hogere’ gebieden van de zedelijkheid. De zucht van de arbeider naar ontwikkeling, van de vrouw naar maatschappelijke gelijkheid met de man, de vaderlandsliefde, het zijn alle slechts lagere gevoelens vergeleken met onzelfzuchtigheid, liefde tot de naaste, zelfopoffering, trouw, eerlijkheid, rechtvaardigheid.

Deze deugden behoren tot de hogere zedelijkheid, zij zijn de zedelijkheid zelf.

Hoe staat het met deze? Van waar komen zij? Zijn zij eeuwig, altijd dezelfde in de menselijke borst, of zijn zij even veranderlijk als al de andere geestelijke dingen, die wij hebben leren kennen?

Deze vragen zijn eeuwen lang sinds de Griekse wijsgeer Socrates en zijn tijdgenoten begonnen met ze te stellen, onoplosbaar gebleven voor de mensen. Zij hebben ook een eigenaardige moeilijkheid.

Er is namelijk een stem in ons die, in vele gevallen, ons onmiddellijk zegt wat goed en wat kwaad is. Daden van naastenliefde, van zelfopoffering worden gedaan spontaan, vanzelf, op een roep van die stem. Waarheidsliefde, trouw, eerlijkheid, zij schrijft ons ze gebiedend en vanzelf voor. Ons geweten knaagt als wij naar die stem niet hebben geluisterd. Schaamte vervult ons als wij, ook al weet niemand het, niet goed hebben gedaan. De geboden van de plicht, de zedenwet leven in ons, zonder dat opvoeding en het eigen lustgevoel ze voldoende kunnen verklaren.

Dat gebiedende en dat van vanzelf ontstaande, dat is iets aan de ethiek, de zedenleer, eigen. Geen ander gebied van de geest heeft het, noch de wetenschap, noch het recht, noch de politiek, noch de godsdienst, noch de wijsbegeerte, die alle worden aangeleerd en ook alle anders konden zijn.

Men heeft getracht de zedenwet uit de ervaring van het individu zelf af te leiden, uit zijn opvoeding, zijn gewoonten, zijn trachten naar geluk, uit een geraffineerd eigenbelang, uit sympathie voor anderen. Maar men is er op deze wijze nooit in geslaag