V.I. Lenin
Materialisme en empiriokriticisme


Aanvulling op 1 van hoofdstuk IV. Van welke kant kritiseerde N. G. Tsjernysjewski het kantianisme?

In de eerste paragraaf van het vierde hoofdstuk hebben wij uitvoerig aangetoond dat de materialisten Kant kritiseren vanuit een standpunt, dat diametraal tegengesteld is aan dat van Mach en Avenarius. Wij achten het niet overbodig hier, al is het dan ook in het kort, te wijzen op het kennistheoretische standpunt van de grote Russische hegeliaan en materialist N. G. Tsjernysjewski.

Korte tijd na de kritiek op Kant van de Duitse leerling van Feuerbach, Albrecht Rau, trachtte de grote Russische schrijver N. G. Tsjernysjewski, eveneens een leerling van Feuerbach, voor het eerst rechtstreeks zijn verhouding zowel tot Feuerbach als tot Kant uiteen te zetten. N. G. Tsjernysjewski was al in de jaren vijftig van de vorige eeuw als een aanhanger van Feuerbach in de Russische literatuur opgetreden, maar onze censuur stond hem niet eens toe de naam van Feuerbach te noemen. In 1888 probeerde Tsjernysjewski in het voorwoord bij de voorgenomen derde druk van de Esthetische betrekkingen van de kunst tot de werkelijkheid rechtstreeks naar Feuerbach te verwijzen, maar de censuur stond hem ook in 1888 zelfs geen verwijzing naar Feuerbach toe! Het voorwoord verscheen pas in 1906: zie deel X, 2e gedeelte van het Volledig verzamelde werk van N. G. Tsjernysjewski, blz. 190 -197. In dit ‘Voorwoord’ wijdt N. G. Tsjernysjewski een halve bladzijde aan de kritiek op Kant en de natuuronderzoekers die in hun filosofische gevolgtrekkingen Kant volgen.

Hier komt deze opmerkelijke beschouwing van N. G. Tsjernysjewski uit 1888:

‘De naturalisten, die zich verbeelden de scheppers van alomvattende theorieën te zijn, blijven in feite alleen maar leerlingen en in de regel zelfs zwakke leerlingen van de oude denkers die de metafysische systemen hebben geschapen en in de regel van de denkers wier systemen ten dele al door Schelling en definitief door Hegel werden afgebroken. Het is voldoende eraan te herinneren dat de meeste naturalisten, die alomvattende theorieën over de wetten van het menselijke denken probeerden te construeren, de metafysische theorie van Kant over de subjectiviteit van onze kennis herhalen’... (ter kennisneming van de Russische machisten, die alles door elkaar hebben gehaald: Tsjernysjewski blijft bij Engels ten achter voorzover hij in zijn terminologie de tegenstelling tussen materialisme en idealisme met de tegenstelling tussen metafysisch en dialectisch denken vermengt, maar Tsjernysjewski staat volkomen op het niveau van Engels voorzover hij Kant niet het realisme, maar het agnosticisme en het subjectivisme en niet het aanvaarden van het ‘ding op zichzelf’, maar het onvermogen om onze kennis van deze objectieve bron af te leiden verwijt)..., ‘de woorden van Kant napraten dat de vormen van onze zintuiglijke waarneming geen overeenkomst hebben met de vormen van het werkelijke bestaan van de voorwerpen’... (ter kennisneming van de Russische machisten, die alles door elkaar hebben gehaald: Tsjernysjewski’s kritiek op Kant staat diametraal tegenover de door de Mach-Avenarius en de immanentiefilosofen op Kant uitgeoefende kritiek, want voor Tsjernysjewski - net als voor iedere materialist - komen de vormen van onze zintuiglijke waarneming overeen met de vormen van het werkelijke, d.w.z. met het objectief reële bestaan van de voorwerpen), ‘...dat derhalve de werkelijk bestaande voorwerpen en hun werkelijke eigenschappen, hun werkelijke betrekkingen tot elkaar voor ons onkenbaar zijn’... (ter kennisneming van de Russische machisten, die alles door elkaar hebben gehaald: voor Tsjernysjewski - net als voor iedere materialist - bestaan de dingen, dat wil in de opgeschroefde taal van Kant uitgedrukt zeggen: de ‘dingen op zichzelf’, werkelijk en zijn zij volkomen voor ons kenbaar, kenbaar zowel in hun bestaan als in hun eigenschappen en in hun werkelijke betrekkingen)...’ ‘en dat zij, wanneer zij kenbaar waren, geen voorwerp van ons denken zouden kunnen zijn, hetgeen het hele materiaal van de kennis in vormen giet, die van de vormen van het werkelijke bestaan volkomen verschillend zijn, dat ook de wetten van het denken zelf alleen maar van subjectieve betekenis zijn...’ (ter kennisneming van de warhoofdige machisten: voor Tsjernysjewski - net als voor iedere materialist - zijn de wetten van het denken niet alleen van subjectieve betekenis, d.w.z. de wetten van het denken weerspiegelen de vormen van de werkelijk bestaande voorwerpen, zij komen met deze vormen volkomen overeen en verschillen daarvan niet)... ‘dat er in de werkelijkheid niets van dien aard bestaat wat zich aan ons als een verbinding van oorzaak en gevolg voordoet, want er bestaat noch iets voorafgaands noch iets daarop volgends, noch een geheel, noch delen ervan enzovoorts, enzovoorts’... (ter kennisneming van de warhoofdige machisten: voor Tsjernysjewski - net als voor iedere materialist - bestaat in de werkelijkheid datgene wat zich aan ons als een verbinding van oorzaak en gevolg voordoet, bestaat er een objectieve causaliteit of natuurlijke noodzakelijkheid)... ‘Wanneer de naturalisten eens zullen ophouden deze en soortgelijke metafysische nonsens ten beste te geven, dan zullen zij in staat zijn - en zullen zij dit waarschijnlijk ook doen - op basis van de natuurwetenschap een systeem van meer exacte en meer volledige begrippen uit te werken dan die welke door Feuerbach zijn uitgewerkt’... (Ter kennisneming van de warhoofdige machisten: Tsjernysjewski noemt iedere afwijking van het materialisme, in de richting van hetzij het idealisme, hetzij het agnosticisme, metafysische nonsens)...’ Maar voorlopig blijft de beste uiteenzetting van de wetenschappelijke begrippen over de zogenaamde fundamentele vraagstukken van de menselijke weetgierigheid die van Feuerbach’ (blz. 195-196). Fundamentele vraagstukken van de menselijke weetgierigheid noemt Tsjernysjewski datgene, wat in de moderne taal fundamentele vraagstukken van de kennistheorie of de gnoseologie wordt genoemd. Tsjernysjewski is de enige werkelijk grote Russische schrijver die vanaf de jaren vijftig tot en met 1888 op het peil van een afgerond filosofisch materialisme wist te blijven staan en de jammerlijke nonsens van de neokantianen, de positivisten, de machisten en de overige warhoofden van de hand wist te wijzen. Tsjernysjewski was echter niet in staat - of juister, hij kon het niet als gevolg van de achterlijkheid van het Russische leven - zich tot het dialectische materialisme van Marx en Engels te verheffen.

Geschreven van februari tot oktober 1908.
Verschenen in mei 1909 in Moskou in een afzonderlijk boek bij de uitgeverij ‘Zweno’.