V.I. Lenin

De proletarische revolutie en de renegaat Kautsky



Geschreven: 1918
Bron: Pegasus, Amsterdam 1935 (Als boek verschenen bij uitgeverij Communist, Moskou) - Beschikbaar gesteld door Koen Dille
Vertaling: Marx-Engels-Lenin Instituut
Deze versie: Spelling, zinsbouw en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2007


Voorwoord
I. Hoe Kautsky Marx in een doodgewone liberaal verandert
II. Burgerlijke en proletarische democratie
III. Kan er gelijkheid bestaan tussen de uitgebuite en de uitbuiter
IV. De Sovjets zouden niet tot staatsorganisaties mogen worden
V. De Constituante en de Sovjetrepubliek
VI. De Sovjetconstitutie
VII. Wat is internationalisme
VIII. In het gevlei komen bij de bourgeoisie onder de schijn van ‘economische analyse’
Aanhangsel - I. Stellingen over de Constituante


Zie ook: De Communne van Parijs | De burgeroorlog in Frankrijk | Dictatuur en proletariaat


Voorwoord

De brochure van Kautsky De dictatuur van het proletariaat (Wenen 1918, Ignatz Brand, 63 blz.), onlangs te Wenen verschenen, is een zeer aanschouwelijk voorbeeld van het volledige en smadelijke bankroet van de IIde Internationale, waarover alle eerlijke socialisten van alle landen sedert lang spreken. De kwestie van de proletarische revolutie staat thans in een reeks van staten praktisch op de agenda. Daarom is het noodzakelijk de renegaten sofismen van Kautsky, zijn volledige zelfverloochening van het marxisme, te ontleden.

Reeds dadelijk moet er de nadruk op worden gelegd dat de schrijver van deze regels reeds vanaf het eerste begin van de oorlog herhaaldelijk op Kautsky’s breuk met het marxisme moest wijzen. Een reeks van artikelen werd van 1914-1916 in de buitenlandse Sociaal-Democraat en in de Communist daaraan gewijd. Deze artikelen zijn verzameld in de uitgave van de Petrogradse Sovjet, getiteld: Tegen de Stroom, Petrograd 1918 (550 blz.). In een brochure, in 1915 te Genève uitgegeven en in hetzelfde jaar in het Duits en in het Frans vertaald, schreef ik over het ‘kautskyanisme’ :

“Kautsky, de grootste autoriteit van de IIde Internationale, is er op de meest typerende en duidelijke wijze het voorbeeld van, hoe het met de lippen belijden van het marxisme in werkelijkheid heeft geleid tot zijn transformatie in ‘stroewisme’ of ‘brentanisme’ (d.w.z. in een burgerlijke liberale leer, die een niet-revolutionaire ‘klassen’strijd van het proletariaat aanvaardt, hetgeen de Russische schrijver Stroeve en de Duitse economist Brentano bijzonder duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht. Wij zien dit ook aan het voorbeeld van Plechanov. Met behulp van klaarblijkelijke sofismen snijdt men uit het marxisme zijn levende, revolutionaire geest, men aanvaardt alles in het marxisme, behalve zijn revolutionaire strijdmiddelen, de propaganda en voorbereiding daarvan, de opvoeding van de massa’s juist in deze richting. Kautsky ‘verzoent’ zinloos de fundamentele gedachte van het sociaalchauvinisme, het aanvaarden van de vaderlandsverdediging in deze oorlog met een diplomatieke paradeconcessie aan de linkse, in de vorm van het niet deel nemen aan de stemming over de kredieten, het met de lippen belijden van zijn oppositie enz. Kautsky, die in 1909 een geheel boek schreef over het naderen van het tijdperk der revoluties en over het verband tussen oorlog en revolutie. Kautsky, die in 1912 het Manifest van Bazel over het op revolutionaire wijze gebruik maken van de dreigende oorlog ondertekende, tracht thans op alle mogelijke manieren het sociaalchauvinisme schoon te wassen en mooi te praten en verenigt zich, evenals Plechanov, met de bourgeoisie om elke gedachte aan de revolutie en alle stappen in de richting van de rechtstreeks revolutionaire strijd belachelijk te maken.
De arbeidersklasse kan zijn revolutionair verelddoel niet verwezenlijken, zonder meedogenloos strijd te voeren tegen dit renegatendom, tegen deze karakterloosheid, tegen deze kruiperige houding tegenover het opportunisme, tegen deze weergaloze vervlakking van het marxisme. Het kautskyanisme is niet iets toevalligs, maar een sociaal product van de tegenstellingen binnen de IIde Internationale, van het verenigen van trouwbetuiging aan het marxisme met het woord, en de onderwerping aan het opportunisme met de daad”. (Socialisme en Oorlog, Genève, 1915, blz. 13-14.)

Verder: In het, in het jaar 1916 geschreven boek Het imperialisme als het hoogste stadium van het kapitalisme (verschenen te Petrograd in 1917) heb ik in onderdelen de theoretische onhoudbaarheid van alle uiteenzettingen van Kautsky over het imperialisme ontleed. Ik heb daar de door Kaustki gegeven definitie van het imperialisme aangehaald:

“Het imperialisme is een product van het hoogontwikkelde industriëele kapitalisme. Het bestaat in de drang van elke industriëele kapitalistische natie, een steeds groter agrarisch (door Kautsky onderstreept) gebied te onderwerpen en te annexeren, zonder er rekening mee te houden door welke volkeren het wordt bewoond”.

Ik toonde de volkomen onjuistheid van deze definitie aan, haar ‘geschikt zijn’ tot het verdoezelen van de diepstgaande tegenstellingen van het imperialisme en verder tot de verzoening met het opportunisme. Ik citeerde mijn eigen definitie van het imperialisme:

“Het imperialisme is het kapitalisme op die trap van zijn ontwikkeling, waarop de heerschappij van de monopolies en van het financierskapitaal tot stand is gekomen, de uitvoer van kapitaal een op de voorgrond tredende betekenis heeft gekregen, de verdeling van de gehele wereld tussen de internationale trusts is begonnen, en de verdeling van het gehele grondgebied van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid”.

Ik toonde aan, dat Kautsky’s kritiek op het imperialisme zelfs lager stond dan die van de burgerlijke en kleinburgerlijke critici.

Ten slotte: In augustus en september 1917, dus nog voor de proletarische revolutie in Rusland (25 oktober [7 november] 1917), schreef ik de brochure Staat en Revolutie. De leer van het marxisme over de staat en de taak van het proletariaat in de revolutie, die te Petrograd in het begin van 1918 is verschenen en hier, in het zesde hoofdstuk, over “Het vervlakken van het marxisme door de opportunisten”, wijdde ik bijzondere aandacht aan Kautsky en bewees ik, dat hij de leer van Marx volkomen heeft verdraaid, dat hij haar tot opportunisme heeft vervalst, dat hij de revolutie met de daad verloochent, bij een gelijktijdig erkennen dáárvan met het woord.

In het wezen der zaak bestaat Kautsky’s fundamentele theoretische fout in zijn brochure over de dictatuur van het proletariaat, juist in die opportunistische verdraaiing van Marx leer over de staat, die ik uitvoerig in mijn brochure Staat en Revolutie heb ontmaskerd.

Deze voorafgaande, opmerkingen waren nodig, want zij bewijzen, dat ik Kautsky openlijk heb beschuldigd een renegaat te zijn, lang voor de bolsjewiki de staatsmacht hadden gegrepen en daarvoor door Kautsky werden veroordeeld.

I
Hoe Kautsky Marx in een doodgewoon liberaal verandert

De fundamentele kwestie, die Kautsky in zijn brochure behandelt, is het vraagstuk van de wezenlijke inhoud van de proletarische revolutie, namelijk van de dictatuur van het proletariaat. Dit vraagstuk is voor alle landen van de grootste betekenis, vooral voor de vooraanstaande landen, in het bijzonder voor de oorlogvoerende landen en vooral in de huidige tijd. Men kan zonder overdrijving zeggen dat dit het voornaamste vraagstuk is van de gehele proletarische klassenstrijd. Daarom moeten wij er ons aandachtig mee bezig houden.

Kautsky stelt het vraagstuk aldus:

“De tegenstrijdigheid van de beide socialistische richtingen” (d.w.z. van de bolsjewiki en de niet-bolsjewiki) . . . “is de tegenstrijdigheid van twee, tot in de vortel verschillende methoden: de democratische en de dictatoriale”. (blz.3)

We merken in het voorbijgaan op dat, als Kautsky de niet-bolsjewiki in Rusland — dat zijn de mensjewiki en de sociaal-revolutionairen — socialisten noemt, hij zich laat leiden door hun namen, d.w.z. door een woord en dus niet door de werkelijke plaats die zij in de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie innemen. Een schitterende opvatting en toepassing van het marxisme! Maar daarover hieronder nader.

Thans moeten wij ons met het belangrijkste bezig houden: met Kautsky’s grote ontdekking van de fundamentele tegenstrijdigheid van de “democratische en dictatoriale methode”.

Dit is de kern van het vraagstuk. Dit is het ganse wezen van Kautsky’s brochure. En dit is zulk een monsterachtige theoretische warwinkel, zulk een volledig loochenen van het marxisme, dat men moet erkennen dat Kautsky Bernstein ver heeft overtroffen.

Het vraagstuk van de dictatuur van het proletariaat is het vraagstuk van de verhouding van de proletarische staat in betrekking tot de burgerlijke staat, van de proletarische democratie tot de burgerlijke democratie. Dat schijnt helder als de dag. Maar Kautsky, precies als de een of andere leraar aan een gymnasium, die door het herhalen van zijn geschiedenisboekjes is uitgedroogd, keert koppig de XXe eeuw de rug toe en wendt zich tot de XVIIIe eeuw en voor de honderdste keer, het is ongeloofelijk vervelend, kauwt en herkauwt hij, in een hele reeks van paragrafen, de oude praatjes over de verhouding van de burgerlijke democratie tot het absolutisme en de middeleeuwen!

Waarlijk, net alsof hij in zijn slaap op een stuk lindenbast kauwt!

Intussen betekent dit dat hij beslist niet begrijpt waarover het gaat. En Kautsky’s wanhopige pogingen om de zaak zo voor te stellen, dat er mensen zouden zijn, die een “verachting der democratie” (blz. 11) preken, enz., kunnen slechts een glimlach verwekken. Met zulke praatjes voor de zaak, moet Kautsky de zaak verdoezelen en verwarren, omdat hij als een liberaal de kwestie stelt over de democratie in het algemeen en niet over de burgerlijke democratie; hij ontwijkt zelfs dit preciese klassenbegrip en tracht te praten over een ‘voor-socialistische’ democratie. Onze politieke tinnengieter heeft bijna een derde gedeelte van zijn brochure, 20 bladzijden van de 63, gevuld met geklets, dat zeer aangenaam is voor de bourgeoisie, want het is gelijk te stellen met een opsmukken van de burgerlijke democratie en het verdoezelt het vraagstuk van de proletarische revolutie.

Intussen luidt de titel van Kautsky’s brochure toch (maar): De Dictatuur van het Proletariaat. Het is algemeen bekend dat dit juist het wezen is van de leer van Marx. En Kautsky moest na al het geklets buiten het onderwerp om, de woorden van Marx over de dictatuur van het proletariaat aanhalen.

Hoe de ‘marxist’ Kautsky dit doet, is reeds je reinste komedie! Hoort:

“Deze opvatting (die Kautsky voor een verachting van de democratie verklaart) steunt op één woord van Karl Marx”.

Zo lezen we letterlijk op bladz. 20. En op blz. 60 wordt dit zelfs in deze vorm herhaald:

“Zij (de bolsjewiki) herinneren zich te rechter tijd het woordje (het staat er zo letterlijk: ‘des Wörtchens’!) over de dictatuur van het proletariaat, door Marx eens, in 1875 in een briefje gebruikt”.

Ziehier dit ‘woordje’ van Marx:

“Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij ligt de periode van de revolutionaire verandering van de ene in de andere. Daarmee is ook de overeenstemming een politieke overgangsperiode, wier staat niets anders kan zijn dan de revolutionaire dictatuur van het proletariaat”.

Ten eerste: dit beroemde oordeel van Marx, dat de samenvatting is van heel zijn revolutionaire leer, ‘'n enkel woord’, of zelfs ‘een woordje’ te noemen, betekent het marxisme honen, het ten volle verloochenen. Men mag niet vergeten dat Kautsky Marx haast van buiten kent en dat hij, naar heel zijn geschrijf te oordelen, in zijn bureau of in zijn hoofd ‘n reeks van houten laadjes heeft, waarin hij alle geschriften van Marx op de meest akkurate en voor het citeren meest gemakkelijke wijze heeft gerangschikt. Kautsky moet weten, dat èn Marx èn Engels, èn in hun brieven èn in hun gedrukte werken, herhaaldelijk over de dictatuur van het proletariaat hebben gesproken, in het bijzonder vóór èn [1] na de Commune. Kautsky moet weten, dat de formule ‘dictatuur van het proletariaat’ niets anders is dan de meer historisch-concrete en wetenschappelijk meer nauwkeurige omschrijving van de taak van het proletariaat: de burgerlijke staatsmachine te ‘verbrijzelen’, waarover Marx zowel als Engels, van 1852 tot 1891, dus gedurende 40 jaren spraken, waarbij zij zich de ervaringen van de revolutie van 1848 en vooral van de revolutie van 1871 ten nutte maakten.

Hoe is deze monsterachtige verdraaiing van het marxisme door Kautsky, de marxistische schriftgeleerde, te verklaren? Indien men over de filosofische grondslag van dit verschijnsel spreekt, zo komt de zaak op het vervangen van de dialectiek door eklekticisme en sofistiek neer. Kautsky is een grootmeester in dergelijke vervalsingen. Plaatst men zich op praktisch-politiek standpunt, zo komt de zaak neer op het bewijzen van lakelendiensten aan de opportunisten, d.w.z. ten slotte aan de bourgeoisie. Sedert het begin van de oorlog, is Kautsky op die weg steeds verder voortgeschreden, zodat hij een virtuoos is geworden in de kunst marxist in woorden en lakei van de bourgeoisie met de daad te zijn.

Daar wordt men nog sterker van overtuigd, wanneer men goed let op de merkwaardige ‘interpretatie’, die Kautsky van ‘het woordje’ van Marx over de dictatuur van het proletariaat geeft.

Hoort:

“Marx heeft, helaas, nagelaten, nader aan te geven hoe hij zich deze dictatuur voorstelt . . . .” (Dit is een typische renegaten leugen, want Marx en Engels hebben juist een reeks van, tot in onderdelen uitgewerkte, uitvoerige aanwijzingen gegeven, die onze Marx-schriftgeleerde opzettelijk links laat liggen) “Letterlijk betekent het woord dictatuur de opheffing van de democratie. Maar het spreekt vanzelf dat dit woord, letterlijk opgevat, óók betekent de alleenheerschappij van de enkeling, die door geen enkele wet is gebonden. Een alleenheerschappij, die zich van een despotisme hierin onderscheidt, dat zij niet als een voortdurende staatsinstelling, maar als een voorbijgaande noodmaatregel is gedacht.

De uitdrukking ‘dictatuur van het proletariaat’, d.w.z. niet de dictatuur van een enkeling, maar van een klasse, sluit reeds uit dat Marx aan een dictatuur in de letterlijke zin van het woord heeft gedacht.

Hij spreekt hier niet over een regeringsvorm, maar over een toestand, die noodzakelijkerwijze overal moet ontstaan, waar het proletariaat de politieke macht heeft veroverd. Dat Marx niet een regeringsvorm op het oog had, wordt reeds bewezen door zijn mening dat in Engeland en Amerika de overgang zich langs vreedzame, dus op democratische weg kan voltrekken.” (blz. 20).

Wij citeren dit betoog opzettelijk volledig, opdat de lezer duidelijk kan zien, met welke kunstgrepen de ‘theoreticus’ Kautsky opereert.

Kautsky heeft de oplossing van het vraagstuk willen inleiden met een definitie van het ‘woord’ dictatuur.

Uitstekend. Het is ieders heilig recht een vraagstuk aan te snijden zoals hij dit zelf verkiest. Men moet echter onderscheiden tussen een ernstige en eerlijke manier van inleiden en een oneerlijke. Wie op deze wijze ernstig de kwestie wil behandelen, moet zijn eigen definitie van het onderhavige ‘woord’ geven. Dan zou de kwestie klaar en duidelijk zijn gesteld. Kautsky laat dit na. “Letterlijk”, schrijft hij, “betekent het woord dictatuur: de opheffing van de democratie”.

Ten eerste is dit geen definitie. Wanneer Kautsky het geven van een definitie van het begrip dictatuur had willen ontwijken, waarom heeft hij dan deze manier gekozen om de kwestie aan te snijden?

Ten tweede: is dit klaarblijkelijk onjuist. Voor de liberaal is het natuurlijk van de ‘democratie’ in het algemeen te spreken. Maar een marxist zal nooit vergeten er aan toe te voegen: “Voor welke klasse?” Iedereen weet, en de ‘historicus’ Kautsky weet dit eveneens, dat de opstanden, of zelfs de grote gistingen onder de slaven in de oudheid onmiddellijk bewezen dat de grondslag van de antieke staat de dictatuur van de slavenhouders was. Heeft deze dictatuur de democratie onder de slavenhouders, voor hen zelf, vernietigd? Iedereen weet dat dit niet het geval was.

De ‘marxist’ Kautsky heeft monsterachtige nonsens en een leugen uitgesproken, want hij heeft de klassenstrijd ‘vergeten’. . .

Om Kautsky’s liberale en leugenachtige bewering in een marxistische en waarachtige stelling te veranderen, moet men zeggen: een dictatuur behoeft niet noodzakelijkerwijze de vernietiging van de democratie voor die klasse te betekenen, die de dictatuur over de andere klassen uitoefent, maar zij betekent noodzakelijkerwijze wèl de vernietiging (of wezenlijke beperking, hetgeen ook een vorm van vernietiging is) van de democratie voor die klasse, over of tegen wie de dictatuur wordt uitgeoefend.

Maar hoe juist deze bewering ook is, toch is ze nog niet een definitie van het begrip van de dictatuur. Laat ons de volgende zin van Kautsky nader onderzoeken:

“. . . Maar het spreekt vanzelf dat dit woord, letterlijk opgevat, óók betekent de alleenheerschappij van een enkeling, die aan geen enkele wet is gebonden . . .”

Als een blinde jonge hond, die toevallig met zijn neus nu naar de ene kant, dan naar de andere kant tast, is Kautsky hier toevallig op een juiste gedachte gestoten (nl. dat de dictatuur een macht is die door geen enkele wet is gebonden); maar een definitie van de dictatuur heeft hij nog niet gegeven en bovendien heeft hij de klaarblijkelijke historische onwaarheid verkondigd dat de dictatuur de macht van een enkeling zou zijn. Dat is niet eens grammaticaal juist, want een dictatuur uitoefenen kan èn een groep van mensen èn een oligarchie èn een klasse, enz.

Verder wijst Kautsky op het onderscheid tussen dictatuur en despotisme. Hoewel zijn bewering klaarblijkelijk onjuist is, zullen we er toch niet bij blijven stilstaan, omdat dit met het ons interesserende vraagstuk niets heeft te maken. De voorliefde van Kautsky om zich van de XXste eeuw naar de XVIIIde en van de XVIIIde naar de oudheid te wenden, is bekend en wij hopen dat het Duitse proletariaat, wanneer het de dictatuur heeft bereikt, met die voorliefde rekening zal houden, door Kautsky, laten we zeggen: tot leraar in de oude geschiedenis aan een gymnasium te benoemen. De definitie van de dictatuur van het proletariaat uit de weg te gaan, door praatjes te verkopen over het despotisme — dat is óf uiterste stompzinnigheid óf het werk van een buitengewoon onhandigen bedrieger.

Als resultaat verkrijgen wij, dat Kautsky, die op zich nam over de dictatuur te spreken, vele bewuste onwaarheden heeft gezegd, maar geen enkele definitie heeft gegeven! Had hij minder op zijn verstandelijke vermogens vertrouwd en meer een beroep gedaan op zijn geheugen, dan zou hij uit de ‘laadjes’ van zijn loketkast alle gevallen, waarin Marx over de dictatuur spreekt, te voorschijn hebben kunnen halen. Dan zou hij, ongetwijfeld, de navolgende, of een daarmee in wezen gelijkwaardige definitie hebben verkregen:

De dictatuur is een macht, die rechtstreeks steunt op geweld en aan geen enkele wet is gebonden.

De revolutionaire dictatuur van het proletariaat is een macht, veroverd door en steunende op het geweld van het proletariaat over de bourgeoisie, een macht, aan geen enkele wet gebonden.

En ziehier: deze eenvoudige waarheid, een waarheid, helder als de dag voor iedere klassebewuste arbeider (voor de vertegenwoordiger van de massa, en niet voor die bovenste laag van het door de bourgeosie omgekocht kleinburgerlijk gespuis, waartoe de sociaal-imperialisten aller landen behoren), deze waarheid, die vanzelfsprekend is voor iedere vertegenwoordiger van de uitgebuite, voor haar bevrijding strijdende klasse — onbetwistbaar voor iedere marxist — moet de zeer geleerde heer Kautsky ‘in de strijd’ worden ‘afgedwongen’. Waardoor moet dit worden verklaard? Door die geest van slaafsheid, die de leiders van de IIde Internationale heeft doortrokken, die tot verachtelijke sycophanten in dienst van de bourgeoisie zijn geworden.

In het begin pleegde Kautsky een vervalsing door de klaarblijkelijke onzin te verkondigen dat de letterlijke betekenis van het woord dictatuur de dictatuur van een enkeling zou zijn. En daarna verklaart hij, op grondslag van deze vervalsing, dat dus het woord over de dictatuur van het proletariaat bij Marx geen letterlijke betekenis heeft, maar een zodanige, dat de dictatuur niet de toepassing van revolutionair geweld, maar de “vreedzame verovering van de meerderheid onder de burgerlijke (let daar vooral op) democratie” betekent.

Men moet, ziet u, onderscheidt maken tussen ‘toestand’ en ‘regeringsvorm’. Een wonderlijk diepzinnig onderscheid, juist als het onderscheid tussen de ‘toestand’ van domheid van een mens, die op domme wijze redeneert, en de ‘vorm’ van zijn domheid.

Kautsky moet de dictatuur als een ‘toestand van heerschappij’ uitleggen (dit is de uitdrukking die bij hem op de volgende bladzijde, de 21ste, letterlijk is te vinden), want dan verdwijnt het revolutionaire geweld, dan verdwijnt de gewelddadige revolutie. De ‘toestand, van heerschappij’ is de toestand, waarbij de een of andere meerderheid onder de . . . democratie voorhanden is . . . Met zo’n handige goocheltoer verdwijnt gelukkig de revolutie.

Maar het schelmstuk is al te grof, het kan Kautsky niet redden. Dat de dictatuur zulk een ‘toestand’ van revolutionair geweld die de renegaten zozeer mishaagt, van de ene klasse tegen de andere veronderstelt en betekent, dat ‘wast het water van de zee niet af’. De onzinnigheid van het onderscheid tussen ‘toestand’ en ‘regeringsvorm’ ligt voor de hand. Het moet wel een driedubbele domoor zijn die hier van regeringsvorm praat, want iedere jongen weet dat monarchie en republiek verschillende regeringsvormen zijn. De heer Kautsky moet men bewijzen, dat deze beide regeringsvormen, zoals alle overgangsvormen van de regering onder het kapitalisme, slechts variëteiten zijn van de burgerlijke staat, d.w.z. van de dictatuur van de bourgeoisie.

Spreken over regeringsvorm is ten slotte niet alleen een domme, maar ook een grove vervalsing van Marx, die hier met de grootste duidelijkheid spreekt over de vorm of het type van de staat en niet over de regeringsvorm.

De proletarische revolutie is onmogelijk zonder gewelddadige vernietiging van de burgerlijke staatsmachine en haar vervanging door een nieuwe, die, naar de woorden van Engels, “reeds niet meer een staat is in de eigenlijke betekenis van het woord.”

Kautsky moet dit alles verdoezelen en beliegen. Dat vereist zijn positie als renegaat. En let nu op, tot welke ellendige uitvluchten hij zijn toevlucht neemt.

Eerste uitvlucht:

“Dat hij (Marx) hier niet een regeringsvorm op het oog had, wordt reeds bewezen door zijn mening dat in Engeland en Amerika de overgang zich langs vreedzame, dus langs democratische weg kan voltrekken” . . .

De regeringsvorm heeft daar niets mee te maken, want er zijn monarchiëen die voor de burgerlijke staat niet typerend zijn, die zich bv. kenmerken door de afwezigheid van het militarisme; en er zijn republieken die in dit opzicht volkomen typerend zijn, met militarisme en de bureaucratie bv. Dit is een algemeen bekend, historisch en politiek feit, en het zal Kautsky niet gelukken dit te vervalsen.

Wanneer Kautsky ernstig en eerlijk zou willen oordelen, zou hij zich moeten afvragen: zijn er historische wetten die betrekking hebben op de revolutie en geen uitzondering kennen? Het antwoord zou luiden: neen, zulke wetten zijn er niet. Zulke wetten hebben slechts het typerende op het oog, hetgeen Marx eens genoemd heeft: het ‘ideale’, in de zin van een gemiddeld, normaal en typisch kapitalisme.

Verder: — Was er in de jaren ‘70 iets, wat van Engeland en Amerika in de hier te onderzoeken verhoudingen een uitzondering maakte? Het moet aan ieder, die slechts enigermate met de eisen van de wetenschap op historisch gebied vertrouwt is, klaar en duidelijk zijn dat deze vraag gesteld moet worden. Het niet stellen van deze vraag betekent een vervalsing van de wetenschap en spelen met sofismen. En wanneer men deze vraag stelt, dan kan het antwoord niet twijfelachtig zijn. De revolutionaire dictatuur van het proletariaat is het geweld tegen de bourgeoisie; en de noodzakelijkheid van dit geweld wordt, zoals Marx en Engels voortdurend en onophoudelijk hebben uitgelegd (in het bijzonder in het voorwoord en in de tekst van het werk De burgeroorlog in Frankrijk in 1871) vooral veroorzaakt doordat er militarisme en bureaucratie bestaat. En juist in de jaren ‘70 van de XIXde eeuw, toen Marx deze opmerking maakte, waren deze instellingen in Engeland en Amerika er niet. Maar thans zijn ze èn in Engeland, èn in Amerika aanwezig.

Kautsky moet letterlijk bij iedere stap oplichting plegen om zijn renegaat-zijn te verbergen.

En let wel, hoe hij hier per ongeluk zijn ezelsoren liet zien. Hij schreef: “langs vreedzame, dus langs democratische weg"!!!

Toen Kautsky zijn definitie van de dictatuur gaf, heeft hij zijn uiterste best gedaan om voor de lezer het fundamentele karakter van dit begrip verborgen te houden, nl het revolutionaire geweld. Maar nu treedt de waarheid aan het licht: het gaat om de tegenstelling tussen vreedzame en gewelddadige omwenteling.

Hier ligt de hond begraven. Alle uitvluchten, alle sofismen, alle schelmstukken dienen er Kautsky alleen toe om om de gewelddadige revolutie heen te praten, zijn afvalligheid van de revolutie en zijn overlopen naar de zijde van de liberale arbeiderspolitiek d.w.z. naar de zijde van de bourgeoisie, te bedekken. Hier ligt de hond begraven!

De ‘historicus’ Kautsky vervalst de geschiedenis zo schaamteloos, dat hij het fundamentele ‘vergeet’: het vóór-monopolistische kapitalisme (dat juist in de jaren ‘70 van de XIXde eeuw zijn hoogtepunt bereikte) onderscheidde zich krachtens zijn belangrijkste economische eigenschappen, die in Engeland en Amerika bijzonder typerend aan het licht traden, door een, naar verhouding zo groot mogelijke vredelievendheid en vrijheidsliefde. Maar het imperialisme, d.w.z. het monopolistisch kapitalisme, dat pas in de XXe eeuw tot volle wasdom is gekomen, onderscheidt zich, krachtens zijn fundamentele economische eigenschappen, door zeer geringe vredelievendheid en vrijheidsliefde en door de grootste en meest algemene ontwikkeling van het militarisme. Daar geen rekening mee te houden, wanneer men onderzoekt in hoever een vreedzame of gewelddadige revolutie typisch of waarschijnlijk is, staat gelijk met af te dalen tot de meest vulgaire lakei der bourgeoisie.

Tweede uitvlucht.

De Commune van Parijs was de dictatuur van het proletariaat, maar zij was gekozen langs de weg van het algemene kiesrecht, zonder dat de bourgeoisie van haar kiesrecht was beroofd, dus op ‘democratische’ wijze. En Kautsky triomfeert . . . .

“De dictatuur van het proletariaat was voor hem (Marx)” (of volgens Marx) “een toestand, die noodzakelijkerwijze voortkomt uit de zuivere democratie, wanneer het proletariaat de meerderheid vormt (bei überwiegenden Proletariat)”. (Blz. 21).

Dit argument van Kautsky is zo grappig, dat men bij de bestrijding ervan werkelijk met een ‘embarras de richesses’ [2] te doen krijgt. In de eerste plaats weet men dat de bloem, de staf, de top van de bourgeoisie uit Parijs naar Versailles was gevlucht. Te Versailles vertoefde de ‘socialist’ Louis Blanc hetgeen o.m. een bevestiging van de leugenachtigheid van Kautsky’s bewering, dat ‘alle richtingen’ van het socialisme aan de Commune zouden hebben deelgenomen. Is het niet belachelijk, de verdeling der burgers van Parijs in twee vijandelijke kampen, waarvan er één de gehele strijdvaardige en politieke actieve bourgeoisie omvatte, voor te stellen als ‘zuivere democratie’ met het ‘algemeen kiesrecht’?

In de tweede plaats: De Commune streed tegen Versailles, als de arbeidersregering van Frankrijk tegen de burgerlijke regering. Wat is hier de rol van de ‘zuivere democratie’ en het ‘algemeen kiesrecht’, als Parijs het lot van Frankrijk besliste? Toen Marx oordeelde dat de Commune een fout heeft begaan door zich niet meester te maken van de Franse Bank, die aan geheel Frankrijk toebehoorde, ging hij toen ook uit van de beginselen én de praktijk van de ‘zuivere democratie?'

Men ziet wel, dat Kautsky schrijft in een land, waar het de mensen bij politieverordening verboden is ‘gezamenlijk’ te lachen. Anders was hij al lang doodgelachen.

Ten derde, veroorloof ik mij, in alle eerbied de heer Kautsky, die de werken van Marx en Engels uit het hoofd heeft geleerd, het volgende oordeel van Engels over de Commune, van het standpunt van de . . . ‘zuivere democratie’, in herinnering te brengen:

“Hebben die heren (anti-autoriteiten) wel ooit een revolutie gezien? Een revolutie is zeker de meest autoritaire zaak die maar mogelijk is, een revolutie is een daad waarbij een deel van de bevolking zijn wil aan het andere deel oplegt door middel van geweren, bajonetten en kanonnen, d.w.z. met zeer autoritaire middelen; en de overwinnende partij wordt noodzakelijkerwijze gedwongen zijn heerschappij te schragen door middel van de vrees die haar wapens aan de reactionairen inboezemen. En indien de Commune van Parijs niet op de autoriteit van het tegen de bourgeoisie gewapende volk had gesteund, zou zij zich dan wel langer dan een dag hebben kunnen handhaven? Zijn wij integendeel niet gerechtigd de Commune te verwijten dat zij veel te weinig van deze autoriteit gebruik heeft gemaakt?”

Daar hebt ge nu de ‘zuivere democratie’! Wat zou Engels de draak hebben gestoken met de filister en de ‘sociaaldemocraat’ (in de Franse betekenis van de jaren ‘40, of de algemeen Europese betekenis van de jaren 1914 tot 1918), die het in zijn hoofd zou hebben gekregen, van ‘zuivere democratie’ in het algemeen te spreken in een in klassen verdeelde maatschappij!

Maar het is voldoende. Het is onmogelijk al de dwaasheden, die Kautsky aan de man heeft willen brengen, stuk voor stuk op te sommen. In elk van zijn frases is hij een renegaat tot in merg en been.

Marx en Engels hebben een tot in bijzonderheden afdalende ontleding van de Commune van Parijs gegeven, zij hebben aangetoond dat haar verdienste bestond in haar poging om de ‘bestaande staatsmachine’ te verbrijzelen, te vernietigen. In de ogen van Marx en Engels was dit punt van zo grote betekenis dat het het enige is dat zij in 1872 als verbetering hebben aangebracht in het (hier en daar) ‘verouderde’ Communistische Manifest. Marx en Engels hebben bewezen dat de Commune het leger en het beambtenstelsel vernietigde, een eind maakte aan het parlementarisme en de ‘parasitaire uitwas, de staat’, verwoestte enz., en de zeer geleerde Kautsky trekt zijn slaapmuts over de oren en herhaalt het eeuwige gezeur van de liberale professoren over de ‘zuivere democratie’.

Niet voor niets heeft Rosa Luxemburg op de 4e augustus 1914 de Duitse sociaaldemocratie een stinkend lijk genoemd.

Derde uitvlucht:

“Wanneer wij over de dictatuur als regeringsvorm spreken, kunnen we niet spreken over de dictatuur van een klasse. Want gelijk we reeds deden opmerken: een klasse kan alleen overheersen, maar niet ‘regeren’ . . . Regeren kunnen alleen ‘organisaties’ of ‘partijen’.”

U haalt de dingen op een afschuwelijke manier door elkaar, mijnheer de confusionist! De dictatuur is geen ‘regeringsvorm’, dat is belachelijke onzin! Ook Marx spreekt niet over een regeringsvorm, maar over de vorm of het type van de staat. Dat is volstrekt niet hetzelfde, volstrekt niet hetzelfde. Het is ook totaal onjuist dat een klasse niet zou kunnen regeren. Een dergelijke dwaasheid kan slechts een parlementaire ‘crétin’ [3] uiten, die buiten het burgerlijke parlement niets ziet en buiten de ‘leidende partijen’ niets bemerkt. Ieder willekeurig Europees land zal Kautsky voorbeelden van regeringen door de heersende klassen tonen, bv. door de landheren in de middeleeuwen, ondanks hun gebrekkige organisatie.

Tenslotte dus, heeft Kautsky op de meest ongehoorde manier het begrip van de dictatuur van het proletariaat vervalst, terwijl hij Marx in een vulgaire liberaal veranderde. D.w.z. hij is zelf afgezakt tot het peil van een liberaal, die banale praatjes over de ‘zuivere democratie’ opdist, de klasseninhoud van de burgerlijke democratie opsmukt en verdonkermaant, en die boven alles het revolutionaire geweld van de zijde van de onderdrukte klasse vreest. Door het begrip van de ‘revolutionaire dictatuur van het proletariaat’ zo ‘uit te leggen’, dat het revolutionaire geweld van de uitgebuite klasse over de uitbuiters verdween, heeft Kautsky het wereldrecord van liberale Marx-vervalsingen geslagen. De renegaat Bernstein is maar een schoothondje in vergelijking met de renegaat Kautsky.

II
Burgerlijke en proletarische democratie

De kwestie, die door Kautsky zo afschuwelijk in de war is gebracht, is in werkelijkheid als volgt: wanneer men niet wil spotten met het gezonde verstand en met de geschiedenis, is het duidelijk dat men niet spreken mag van ‘zuivere democratie’, zolang er verschillende klassen bestaan, en dat men alleen kan spreken van klasse-democratie. (Tussen haakjes gezegd: ‘zuivere democratie’ is niet alleen een stompzinnige frase, waarin blijk wordt gegeven dat men geen begrip heeft van de klassenstrijd en van het wezen van de staat, maar zij is bovendien een meer dan holle frase, want in de communistische maatschappij zal de democratie, die zich verandert en tot een gewoonte wordt, afsterven. Maar nooit zal er ‘zuivere’ democratie bestaan).

De ‘zuivere democratie’ is de leugenachtige frase van een liberaal, die de arbeiders een rad voor de ogen draait. De geschiedenis kent de burgerlijke democratie, die het feodalisme heeft vervangen en de proletarische democratie, die de burgerlijke zal vervangen.

Wanneer Kautsky bijna dozijnen bladzijden wijdt aan het ‘bewijzen’ van de waarheid dat de burgerlijke democratie tegenover de middeleeuwen een vooruitgang is en dat het proletariaat in zijn strijd tegen de bourgeoisie er beslist gebruik van moet maken, dan is dit inderdaad liberaal geleuter ter misleiding van de arbeiders. Niet alleen in het beschaafde Duitsland, maar ook in het onbeschaafde Rusland is dit een gemeenplaats. Kautsky strooit met zijn ‘geleerdheids’-vertoon de arbeiders zand in de ogen, wanneer hij met het ernstigste gezicht van de wereld over Weitling en de Jezuïeten in Paraguay of andere beuzelarijen spreekt, ten einde het burgerlijke wezen van de huidige, d.w.z. van de kapitalistische democratie uit de weg te gaan.

Kautsky ontleent aan het marxisme, wat aannemelijk is voor de liberalen, voor de bourgeoisie (kritiek op de middeleeuwen; de vooruitstrevende historische rol van het kapitalisme in het algemeen, en van de kapitalistische democratie in het bijzonder) en hij werpt overboord, gaat stilzwijgend voorbij of verdoezelt al wat in het marxisme voor de bourgeoisie onaannemelijk is (het revolutionaire geweld van het proletariaat tegen de bourgeoisie om haar te vernietigen). En daarom blijkt Kautsky krachtens zijn objectief standpunt, wat ook zijn subjectieve overtuiging moge zijn, onvermijdelijk een lakei van de bourgeoisie te zijn.

De burgerlijke democratie, die een zeer grote historische vooruitgang is in vergelijking met de middeleeuwen, blijft altijd — en kan onder het kapitalisme niet anders dan eng, beperkt, leugenachtig, huichelachtig, een paradijs voor de rijken blijven — een valstrik en een leugen voor de uitgebuiten, voor de armen. Ziehier, de waarheid die een wezenlijk bestanddeel van de marxistische leer uitmaakt en die de ‘marxist’ Kautsky niet heeft begrepen. Bij de behandeling van dit kernvraagstuk biedt Kautsky de bourgeoisie ‘vriendelijkheidjes’ aan in plaats van een wetenschappelijke analyse te geven van de voorwaarden, die iedere burgerlijke democratie tot een democratie voor de rijken maken.

Laten we beginnen met de zeer geleerde heer Kautsky aan de theoretische uiteenzetting van Marx en Engels te herinneren, die onze Marx-kenner tot zijn schande en tot groot profijt van de bourgeoisie, heeft ‘vergeten’. Vervolgens zullen wij de kwestie op de meest populaire wijze toelichten.

Niet alleen de antieke en de feodale, maar, zoals Engels zegt, ook de huidige parlementaire staat is een werktuig tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal (Engels in zijn werk over de staat).

“Daar nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is, waarvan men zich in de strijd, in de revolutie, bedient om de tegenstander met geweld er onder te houden, zo is het pure onzin, van de vrije volksstaat te spreken — zo lang het proletariaat de staat nog gebruikt, gebruikt het hem niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden. En zodra er van vrijheid sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan”. (Engels, in een brief aan Bebel, van 28 maart 1875).
“In werkelijkheid is de staat niets anders dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door een andere klasse en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie”. (Engels, in het voorwoord tot de Burgeroorlog van Marx).
“Het algemeen kiesrecht is de graadmeter van de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de huidige staat nooit zijn”. (Engels, in zijn Oorsprong van het gezin enz.) [4].

De heer Kautsky herkauwt tot vervelens toe het eerste deel van die stelling, die voor de bourgeoisie aannemelijk is. De rest evenwel, die wij hebben onderstreept en die niet aannemelijk is voor de bourgoisie, verzwijgt de renegaat Kautsky.

“De Commune moest niet een parlementair, maar een werkend lichaam zijn, voltrekkend en wetgevend tegelijkertijd”. . . “In plaats van eenmaal in de drie of zes jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement moet vertegenwoordigen en onderdrukken (ver- und zertreten), moest het algemene kiesrecht het in Communes samengevatte volk dienen, evenals het individuële kiesrecht er iedere andere werkgever toe dient, arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak te kiezen”. (Marx, over de Parijse Commune, in De burgeroorlog in Frankrijk in 1871).

Elk van deze zinnen, de zeer geleerde heer Kautsky wel bekend, is een slag in zijn gezicht en ontmaskert zijn verraad volkomen. In heel zijn brochure toont Kautsky niet een greintje begrip van deze waarheden. Van begin tot eind is zijn geschrift een doorlopend honen van het marxisme!

Neemt de grondwetten van de moderne staten — neemt hun regeringen; — neemt de vrijheid van vergaderen; van pers; — neemt de gelijkheid van de burgers voor de wet; — bij iedere stap zult ge de aan iedere eerlijke en bewuste arbeider welbekende huichelarij van de burgerlijke democratie ontmoeten. Er is niet één staat, ook niet de meest democratische, die in zijn grondwet niet een of andere achterdeur of beperkingen heeft, die aan de bourgeoisie de mogelijkheid verzekert het leger tegen de arbeiders te mobiliseren, de staat van beleg af te kondigen enz., ‘voor het geval dat de orde wordt verstoord’, d.w.z. voor het geval dat de uitgebuite klasse ook maar de geringste poging waagt om haar slaventoestand te ‘overtreden’ en niet langer als slaven te handelen. Kautsky gaat zich schaamteloos te buiten aan allerlei mooipraterij van de burgerlijke democratie en verzwijgt bij voorbeeld datgene wat de meest republikeinse en democratische bourgeoisie in Amerika en in Zwitserland tegen de stakende arbeiders uithalen.

O neen, de wijze en geleerde Kautsky zwijgt daar over! Deze geleerde politicus begrijpt niet, dat op dit punt zwijgen een laaghartigheid is. Liever wiegt hij de arbeiders in slaap, door hun sprookjes te vertellen, hoe bv. democratie ‘bescherming van de minderheid’ betekent. Het is niet te geloven, maar het is een feit! In de zomer van het jaar 1918 van de christelijke jaartelling — in het 4de jaar van de imperialistische wereldslachting en van de onderdrukking van de internationale minderheden (d.w.z. van hen, die niet als een Renaudel en een Longuet, een Scheidemann en een Kautsky, een Henderson en een Webb, het socialisme laaghartig hebben verraden in alle ‘democratieën van de wereld’) — bezingt de geleerde heer Kautsky met honingzoete stem de ‘bescherming der minderheden’. — Wie er lust toe heeft kan het nalezen op bladzijde 15 van Kautsky’s brochure. En op bladzijde 16 vertelt dat zelfde geleerde individu u over de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw in Engeland!

Welk een geleerdheid! Welk een geraffineerde ogendienerij van de bourgeoisie! Welk een beschaafde manier om voor de kapitalisten op zijn buik te kruipen en hun hielen te likken! Als ik Krupp of Scheidemann, Clémenceau of Renaudel was, zou ik de heer Kautsky miljoenen betalen. Ik zou hem voor zijn judaskussen belonen. Ik zou hem prijzen tegenover de arbeiders. Ik zou de ‘socialistische eenheid’ met zulke ‘achtenswaardige’ lieden als Kautsky prediken. Brochures schrijven tegen de dictatuur van het proletariaat — en vertellen van de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw in Engeland; — beweren dat de democratie ‘bescherming der minderheid’ betekent; — en zwijgen over de pogroms tegen de internationalisten in de ‘democratische’ republiek Amerika; . . . zijn dat geen aan de bourgeoisie bewezen lakeiendiensten?

Onze geleerde heer Kautsky heeft, waarschijnlijk bij toeval, een ‘kleinigheid’ ‘vergeten’, nl., dat in de burgerlijke democratie de overheersende partij de bescherming der minderheid alleen toekent aan de andere burgerlijke partij, terwijl het proletariaat bij iedere ernstige belangrijke fundamentele kwestie, bij wijze van ‘beschermde minderheid’ niets anders ontvangt dan de staat van beleg en pogroms. Hoe meer de democratie is ontwikkeld, des te dichter staan wij in geval van diepgaande en voor de bourgeoisie gevaarlijke conflicten bij pogroms en bij de burgeroorlog. Deze ‘wet’ van de burgerlijke democratie had de geleerde heer Kautsky kunnen waarnemen ter gelegenheid van de Dreyfuszaak in het republikeinse Frankrijk, — bij het lynchen van negers en internationalisten in de democratische Amerikaanse republiek; — het voorbeeld van Ierland en Ulster in het democratische Engeland; de in de democratische Russische republiek georganiseerde ophitsing en pogroms tegen de bolsjewiki in april 1917. Met opzet kies ik niet alleen voorbeelden uit de oorlogstijd, maar ook uit de tijd van voor de oorlog, de tijd van de vrede. De zoetsappige heer Kautsky houdt er van zijn ogen te sluiten voor de feiten van de XXste eeuw en in plaats daarvan aan de arbeiders wonderbaarlijk nieuwe, hoogst belangwekkende, buitengewoon leerzame en ongeloofelijk belangrijke dingen te vertellen over de Whigs en de Tories in de XVIIIde eeuw.

Neemt het burgerlijke parlement. Kan men aannemen dat de geleerde Kautsky nooit heeft horen gewagen van het feit dat de burgerlijke parlementen des te afhankelijker zijn van de beurs en de bankiers, naarmate de democratie sterker is ontwikkeld? Daaruit volgt niet dat men zich niet van het burgerlijke parlement moet bedienen (en de bolsjewiki hebben zich er met beter gevolg van bediend dan wellicht elke andere partij ter wereld, want tussen de jaren 1912 en 1914 hebben wij de gehele arbeiderskurie in de Vierde Doema veroverd); maar wèl volgt er uit dat alleen een liberaal de historische begrensheid en betrekkelijkheid van het burgerlijk parlementarisme kan vergeten, — zoals Kautsky het vergeet. Bij iedere stap stoten de onderdrukte massa’s in de democratisch-burgerlijke staat op hemeltergende tegenstellingen tussen de formele gelijkheid, door de ‘democratie’ van de kapitalisten verkondigd en de duizenden van feitelijke beperkingen en moeilijkheden, die van proletariërs loonslaven maken. Juist deze tegenstelling opent de ogen van de massa’s voor de verrotting, de leugenachtigheid, de schijnheiligheid van het kapitalisme. Juist deze tegenstelling wordt onophoudelijk door de agitators en de propagandisten van het socialisme voor de massa’s ontmaskerd, om hen voor de revolutie voor te bereiden! Maar toen het tijdvak van de revoluties begon, keerde Kautsky dit alles de rug toe en begon hij de heerlijkheden van de afstervende burgerlijke democratie te bezingen! De proletarische democratie, waarvan een van de vormen de Sovjetmacht is, heeft een in de wereld ongekende ontwikkeling en uitbreiding aan de democratie gegeven, juist voor de reusachtige meerderheid van de bevolking, voor de uitgebuiten en de werkers. Een heel boek over de democratie schrijven, zoals Kautsky heeft gedaan, waarbij hij 2 bladzijden aan de dictatuur en tientallen van bladzijden aan de ‘zuivere democratie’ wijdde — en dit niet opmerken, betekent: de zaak geheel en al op liberale wijze vervalsen.

Neem de buitenlandse politiek. In geen enkel, ook niet in het meest democratische burgerlijke land, wordt zij in het openbaar gevoerd. Overal bedrog aan de massa’s — in het democratische Frankrijk, in Zwitserland, in Amerika en in Engeland honderdmaal meer en geraffineerder dan in andere landen. De Sovjetmacht heeft op revolutionaire wijze de sluier, die het geheim van de buitenlandse politiek verborgen hield, aan flarden gescheurd. Kautsky heeft daar niets van gemerkt. Hij zwijgt er over. En toch is dit feit, in het tijdvak van de roversoorlogen en de geheime verdragen over de ‘verdeling van de invloedssferen’ (d.w.z. over de verdeling van de wereld onder de kapitalistische rovers), van alles overtreffende betekenis, want daarvan is de vrede en leven en dood van tientallen miljoenen van mensen afhankelijk.

Neem de structuur van de staat. Kautsky klampt zich aan ‘kleinigheden’ vast, het feit daarbij inbegrepen dat de verkiezingen (onder de Sovjetconstitutie), ‘indirect’ zijn, maar het wezen van de zaak ontgaat hem. Het klassenkarakter van het staatsapparaat, van de staatsmachine, merkt hij niet op. In de burgerlijke democratie weten de kapitalisten met duizenderlei kunstgrepen, te kunstiger en doeltreffender naarmate de ‘zuivere democratie’ meer is ontwikkeld, de massa’s uit te sluiten van het deelnemen aan het bewind, van de vrijheid van vergaderen en drukpers enz. De Sovjetmacht is de eerste in de wereld (streng genomen de tweede, want de Commune van Parijs had hier reeds een begin gemaakt) om de massa’s, juist de uitgebuite massa’s, bij het staatsbestuur te betrekken. De deelname aan het burgerlijk parlement (dat bovendien in de werkelijk belangrijke vraagstukken onder de burgerlijke democratie nooit een beslissing heeft te nemen; die beslissing nemen de beurs en de banken) is de arbeidende massa door duizenderlei hindernissen versperd en de arbeiders weten, voelen, zien zeer goed, dat het burgerlijke parlement een aan hun belangen vreemde instelling is, een werktuig van de onderdrukking van de proletariërs door de bourgeoisie, de instelling van een vijandelijke klasse, van een minderheid van uitbuiters. De Sovjets zijn de directe organisaties van de arbeidende en uitgebuite massa’s zelf, die hun de mogelijkheid vergemakkelijken zelf de staat te organiseren en op elke wijze, zover het maar mogelijk is, te leiden. De voorhoede van de arbeidende en uitgebuite massa’s, het proletariaat van de steden, krijgt daarbij juist het voordeel, dat het, omdat het door de grootbedrijven het best is verenigd, het gemakkelijkst kan kiezen en de verkiezingen controleren. De Sovjetorganisatie vergemakkelijkt automatisch de aaneensluiting van de gehele arbeidende en uitgebuite massa’s rondom hun voorhoede, het proletariaat. Het oude burgerlijke apparaat — de bureaucratie, de voorrechten van de rijkdom, van de burgerlijke opvoeding, van de relaties enz. (deze werkelijke voorrechten zijn van des te meer verschillende aard, hoe meer de burgerlijke democratie ontwikkeld is) — dat alles valt bij de Sovjetorganisatie weg. De vrijheid van drukpers houdt op huichelarij te zijn, want de drukkerijen en het papier zijn de bourgeoisie afgenomen. Hetzelfde geldt voor de beste gebouwen, herenhuizen, villa’s, paleizen. De Sovjetmacht heeft met één slag vele duizenden en nog eens duizenden van de beste gebouwen van de uitbuiters afgenomen en op deze wijze heeft zij het recht van vergaderen voor de massa’s duizendmaal meer ‘democratisch’ gemaakt — dat recht van vergaderen, waarzonder de democratie een bedriegerij is. De getrapte verkiezingen voor de niet lokale, niet plaatselijke Sovjets, vergemakkelijken het tot stand komen van Sovjetcongressen, maken het gehele apparaat goedkoper, beweeglijker, toegankelijker voor de arbeiders en de boeren in een tijdperk van intens leven, waarin men zijn plaatselijke vertegenwoordigers zonder verwijl moet kunnen terug roepen of hen afvaardigen naar het algemene congres van de Sovjets.

De proletarische democratie is miljoenen malen meer democratisch dan de meest democratische burgerlijke republiek.

Wie deze waarheid niet opmerkt, moet óf een bewuste lakei van de bourgeoisie zijn, óf iemand die politiek volkomen dood is, die van achter de stoffige burgerlijke boeken het werkelijke leven niet vermag te zien, doordrenkt als hij is van burgerlijk-democratische vooroordelen en daardoor, objectief, veranderd in een lakei van de bourgeoisie.

Wie deze waarheid niet bemerkt, kan niet bij machte zijn het vraagstuk van het standpunt van de onderdrukte klasse te stellen.

Is er op de gehele wereld ook maar één land onder de meest democratische burgerlijke landen, waarin de doorsnee landarbeider uit de massa, of de half-proletariër van het platteland (d.w.z. de vertegenwoordigers van de onderdrukte massa, van de geweldige meerderheid van de bevolking) ook maar bij benadering in zulk een mate in het genot is van de vrijheid om hun vergaderingen te houden in de beste gebouwen, van de vrijheid om voor het uiten van hun gedachten en de verdediging van hun belangen gebruik te maken van de grootste drukkerijen met de beste voorraden aan papier, van de vrijheid om aan mensen van hun eigen klasse de regering en de ‘inrichting’ van de staat toe te vertrouwen, zoals dit in Sovjet Rusland het geval is? En het is belachelijk te denken dat de heer Kautsky, in welk land dan ook, onder duizend verlichte arbeiders en landarbeiders er ook maar één zou kunnen vinden die zou aarzelen op deze vraag een antwoord te geven. Instinctief sympathiseren de arbeiders van de gehele wereld, die slechts brokstukken van de waarheid uit de burgerlijke pers ervaren, met de Sovjetrepubliek, juist omdat zij in haar de proletarische democratie zien, een democratie voor de armen, in tegenstelling met de burgerlijke democratie, zelfs met de beste, die feitelijk een democratie voor de rijken is.

Wij worden geregeerd (en onze staat wordt ‘ingericht’) door burgerlijke ambtenaren, burgerlijke parlementariërs, burgerlijke rechters. Dat is de eenvoudige, in ‘t oog springende, onbetwistbare waarheid, die tientallen, honderdtallen van miljoenen mensen uit de onderdrukte klassen in alle burgerlijke landen, ook in de meest democratische, uit eigen levenservaring kennen, die zij elke dag aan de lijve voelen en ondergaan. Maar in Rusland heeft men het gehele ambtenarenapparaat stuk geslagen, geen steen is op de andere gelaten. Men heeft de oude rechters weggejaagd, het burgerlijke parlement uiteengejaagd en een veel meer toegankelijke vertegenwoordiging gegeven juist aan de arbeiders en boeren, want hun sovjets hebben de ambtenaren vervangen, of geven aan de ambtenaren bevelen; hun sovjets hebben hen tot kiezers van de rechters gemaakt.

Dit ene feit is voldoende om alle onderdrukte klassen te overtuigen dat de sovjetmacht, d.w.z. de gegeven vorm van de dictatuur van het proletariaat, duizendmaal meer democratisch is dan de meest democratische burgerlijke republiek.

Kautsky kan deze, voor iedere arbeider begrijpelijke, in ‘t oog springende waarheid niet begrijpen, want hij heeft ‘vergeten’, ‘verleerd’, de vraag te stellen: — democratie — voor welke klasse? Hij gaat bij zijn redenering uit van het standpunt van de ‘zuivere’ (betekent dit: klassenloze? Of boven de klassen staande?) democratie. Hij is als een Shylock, die aan niets anders denkt dan aan zijn ‘pond vlees’. Gelijkheid van alle burgers — en anders is er geen democratie.

Wij moeten de geleerde Kautsky, de ‘marxist’, de ‘socialist’ Kautsky de vraag stellen: kan er gelijkheid zijn tussen uitgebuiten en uitbuiters?

Het is monsterachtig, ‘t is ongeloofelijk, dat men bij de bespreking van een boek van de geestelijke leider van de IIde Internationale ten slotte zulk een vraag moet stellen. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen. We hebben op ons genomen over Kautsky te schrijven en moeten dus aan die geleerde man uitleggen waarom er geen gelijkheid kan zijn tussen uitbuiters en uitgebuiten.

III
Kan er gelijkheid zijn tussen de uitgebuiten en de uitbuiters?

Kautsky redeneert als volgt:

1) “De uitbuiters vormden steeds slechts een kleine minderheid van de bevolking” (blz. 14 van het boekje van Kautsky).

Dat is een onbetwistbare waarheid. Hoe moet men nu, uitgaande van deze waarheid, verder redeneren? Men kan als marxist, als socialist, redeneren. In dit geval moet men de verhouding tussen de uitgebuiten en de uitbuiters als grondslag aannemen. Men kan als liberaal, als burgerlijk democraat redeneren; dan moet men de verhouding tussen meerderheid en minderheid als grondslag nemen.

Wanneer men als marxist wil redeneren, dan moet men zeggen: de uitbuiters slagen er steeds in, de staat (en het gaat over de democratie, dat is: over één van de vormen van de staat) te maken tot een werktuig van de heerschappij van hun klasse, de klasse van de uitbuiters over de uitgebuiten. Derhalve zal ook de democratische staat, zolang er uitbuiters zijn, die over de meerderheid van de uitgebuiten heersen, onvermijdelijk de democratie van de uitbuiters zijn. De staat van de uitgebuiten moet tot in de grond van die staat verschillen. Hij moet de democratie van de uitgebuiten en de onderdrukking van de uitbuiters zijn; de onderdrukking van een klasse betekent echter niet de gelijkberechtiging van deze klasse, maar haar uitschakeling uit de ‘democratie’.

Wil men als liberaal redeneren, dan moet men zeggen: de meerderheid beslist, de minderheid onderwerpt zich. De ongehoorzamen worden gestraft. Dit is alles. Het heeft dus geen zin over het klassenkarakter van de staat in het algemeen en over ‘zuiver democratie’ in het bijzonder te redeneren; dit heeft niets met de zaak te maken, want meerderheid is meerderheid en minderheid is minderheid. Een pond vlees is een pond vlees en daarmee uit. En juist zó redeneert Kautsky:

2) “Op welke gronden is het nodig dat de heerschappij van het proletariaat een vorm, die niet verenigbaar is met de democratie, aanneemt en moet aannemen?” (blz. 21).

Dan komt een verklaring dat het proletariaat de meerderheid aan zijn zijde heeft, een verklaring die zeer omslachtig is en in allerlei bijzonderheden afdaalt, versterkt met citaten uit Marx en een verkiezingsstatistiek van de Commune van Parijs. De conclusie is dan:

Een bewind, dat zo stevig in de massa’s is verankerd, heeft niet de minste aanleiding om een aanslag te plegen op de democratie. Het zal het niet altijd buiten het geweld kunnen stellen, wanneer er zich gevallen voordoen dat geweld wordt gepleegd om de democratie te onderdrukken. Geweld kan alleen met geweld worden beantwoord. Maar een bewind dat weet dat de massa’s achter hem staan, zal zich alleen van geweld bedienen om de democratie te beschermen en niet om ze neer te slaan. Het zou werkelijk zelfmoord plegen, als het zijn zekerste fundering zou willen wegruimen, nl. het algemeen kiesrecht, een sterke bron van geweldig zedelijk gezag (blz. 22).

Men ziet: de verhouding tussen de uitgebuiten en de uitbuiters is uit de bewijsvoering van Kautsky verdwenen. Blijven alleen over: een meerderheid in het algemeen, een minderheid in het algemeen, een democratie in het algemeen, — de ons reeds zo wèl bekende ‘zuivere democratie’. Vergeet niet, dat dit gezegd wordt in verband met de Commune van Parijs. Laten we, om de zaak nog duidelijker te maken, aanhalen wat Marx en Engels over de dictatuur in verband met de Commune hebben gezegd:

Marx . . . “Wanneer de arbeiders in de plaats van de dictatuur van de bourgeoisie hun revolutionaire dictatuur stellen. . . ten einde de tegenstand van de bourgeoisie te breken, dan geven zij de staat een revolutionaire en voorbijgaande vorm . . . (Die Neue Zeit, XXXII, I. 1913/1914, blz. 40)”.
Engels . . . “De partij, die in de revolutie heeft overwonnen, moet haar heerschappij handhaven door de angst, die haar wapens de reactionairen inboezemen. En indien de Parijse Commune zich niet van de autoriteit van een gewapend volk tegen de bourgeoisie zou hebben bediend, zou zij zich dan langer dan één dag hebben kunnen staande houden? Zouden wij haar niet omgekeerd kunnen verwijten dat zij zich te weinig van deze autoriteit heeft bediend?” (Ibidem, blz. 39).
Dezelfde . . . Daar nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is, waarvan men zich in de strijd, in de revolutie bedient om zijn tegenstanders met geweld er onder te houden, zo is het pure onzin, van de vrije volksstaat te spreken: zolang het proletariaat de staat nog gebruikt, gebruikt het hem niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden en zodra er van vrijheid sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan”. . . (Brief aan Bebel, 28 maart 1875).

Tussen Kautsky aan de ene en Marx en Engels aan de andere kant is een afstand als tussen hemel en aarde, als tussen een liberaal en een proletarische revolutionair. De ‘zuivere democratie’, of de ‘democratie zonder meer’, waarover Kautsky spreekt, is niets anders dan een nieuwe druk van diezelfde ‘vrije volksstaat’, die door Engels ‘pure onzin’ is genoemd. Kautsky vraagt met de geleerdheid van een uitermate geleerde studeerkamerdomkop of met de onschuld van een tienjarig meisje — waartoe dient de dictatuur, zodra men de meerderheid heeft? Marx en Engels leggen het ons uit:
- om de tegenstand van de bourgeoisie te breken;
- vervolgens om de reactionairen schrik aan te jagen;
- verder om de autoriteit van het gewapende volk tegen de bourgeoisie een grondslag te geven;
- ten slotte om het proletariaat in staat te stellen zijn tegenstanders met geweld eronder te houden.

Kautsky begrijpt niets van die uitleg. Verliefd als hij is op de ‘zuiverheid’ der democratie, waarvan hij het burgerlijke karakter niet ziet, houdt hij met de uiterste ‘consequentie’ vol dat de meerderheid, zodra zij meerderheid is geworden, niet meer de ‘tegenstand’ van de minderheid behoeft te ‘breken’, ‘haar met geweld eronder te houden’, en dat het voldoende is losstaande gevallen van misgrijpen tegen de democratie te onderdrukken. Verliefd op de ‘zuiverheid’ der democratie, begaat Kautsky onwillekeurig dezelfde kleine fouten, die alle burgerlijke democraten altijd begaan: hij aanvaardt nl. de formele gelijkheid (die onder het kapitalisme door en door leugenachtig en huichelachtig is) als feitelijke gelijkheid. — ‘t Is maar een kleinigheid!

De uitbuiter kan niet de gelijke zijn van de uitgebuite.

Hoe onaangenaam deze waarheid voor Kautsky ook mag zijn, toch is ze de wezenlijke inhoud van het socialisme.

Nóg een waarheid: een werkelijke, feitelijke gelijkheid kan niet bestaan, zolang niet iedere mogelijkheid van uitbuiting van de ene klasse door de andere volkomen is opgeheven.

Men kan de uitbuiters met één slag, bij een gelukkige opstand in het centrum, of door een legeropstand verslaan. Maar met uitzondering van enkele uiterst zeldzame en bijzondere gevallen, kan men de uitbuiters niet met één slag uitroeien. Men kan niet met één slag alle grondeigenaars en alle kapitalisten in een of ander ietwat uitgestrekt land onteigenen. Bovendien: onteigenen alléén als juridische of politieke daad, lost de kwestie volstrekt nog niet op. Het is immers nodig de grondeigenaars en kapitalisten feitelijk van hun plaats te verdrijven en hen in werkelijkheid door een andere leiding, nl. samengesteld uit arbeiders, op de landgoederen en fabrieken te vervangen. Er kan geen gelijkheid zijn tussen de uitbuiters, die gedurende lange geslachten èn door hun opvoeding èn door hun rijkdommen èn door verworven gewoonten een afzonderlijke plaats hebben gekregen, — en de uitgebuiten, wier massa, zelfs in de meest vooruitstrevende en democratisch-burgerlijke republieken, onderdrukt, onwetend, onbeschaafd, vreesachtig en zonder samenhang is. De uitbuiters blijven nog lange tijd na de omwenteling onvermijdelijk in het bezit van een reeks van grote, feitelijke voorrechten: — hun blijft het geld (dat niet op één slag kan worden uitgeschakeld), enig, dikwijls een belangrijk bezit aan roerende goederen, relaties, ervaring in organisatie en administratie, de kennis van alle ‘geheimen’ (gebruiken, werkwijzen, middelen, mogelijkheden) van de administratie; — hun blijft een hogere ontwikkeling, het enge verkeer met het hogere technische personeel (bourgeois in levenswijze en ideologie); — hun blijft de onvergelijkelijk grotere ervaring in het krijgswezen (wat van groot belang is) enz. enz.

Als de uitbuiters slechts in één land worden neergeslagen (en dit is natuurlijk het meest voorkomende geval, want de gelijktijdige revolutie in een reeks van landen is een uiterst zeldzame uitzondering), dan blijven zij nog altijd sterker dan de uitgebuiten — dank zij hun machtige internationale relaties. Dat overigens een deel van de uitgebuiten of van de het minst verlichte middelboeren en handwerkslieden enz., achter de uitbuiters aanloopt en in staat is achter hen aan te lopen, is tot heden bewezen door alle revoluties, de Commune van Parijs niet uitgezonderd (want in het leger van Versailles waren ook proletariërs, wat de zeer geleerde Kautsky heeft ‘vergeten’).

Bij zulk een stand van zaken te veronderstellen dat bij een enigszins ernstige en diepgaande revolutie de zaak eenvoudig door de verhouding tussen meerderheid en minderheid wordt beslist, dat geeft blijk van een geweldige stompzinnigheid, een knielen voor ‘t vulgaire liberalisme; — dat betekent de massa’s bedriegen door een historische waarheid voor hen verborgen te houden. Deze historische waarheid is: in elke diepgaande revolutie bieden in de regel de uitbuiters een langdurige, hardnekkige, vertwijfelde tegenstand en behouden zij gedurende een reeks van jaren belangrijke voordelen op de uitgebuiten. Nooit, behalve dan in de zoetsappige verbeelding van de zoetsappige domoor Kautsky leggen zich de uitbuiters bij de beslissing van de meerderheid van de uitgebuiten neer, zonder dat zij hun kansen hebben aangegrepen om in een laatste vertwijfelde slag, in een reeks van gevechten hun overwicht te beproeven.

De overgang van het kapitalisme naar het communisme omvat een historisch tijdvak. Zolang dit niet zijn beslag heeft gekregen, blijft bij de uitbuiters onvermijdelijk de hoop op herstel van de oude toestand bestaan en deze hoop zal zich omzetten in pogingen om tot zulk een restauratie te geraken. Na de eerste ernstige nederlaag werpen zich de overwonnen uitbuiters, die hun val niet hadden verwacht — die er niet aan geloofden, die zich de gelijkheid daarvan nooit hebben kunnen voorstellen — met verdubbelde energie, met razende hartstocht en met een honderdmaal sterker geworden haat in de strijd, ten einde hun verloren ‘paradijs’ te herwinnen, ter wille van hun gezinnen, die zulk ‘n heerlijk leven hebben geleid en nu door het ‘gepeupel’ tot ondergang en armoede (of tot ‘eenvoudige’ arbeid) zijn veroordeeld. En achter de kapitalistische uitbuiters staat de brede massa van de kleine burgerij, die — naar de historische ervaring, gedurende tientallen van jaren in alle landen aantoont — aarzelt en wankelt — heden achter het proletariaat staat en morgen wordt afgeschrikt door de moeilijkheden van de omwenteling en bij de eerste keer dat de arbeiders geheel of gedeeltelijk worden geslagen, het hoofd verliest, zenuwachtig wordt, heen-en-weer rent, lamenteert, en van het ene kamp naar het andere overloopt, juist zoals onze mensjewiki en onze sociaal-revolutionairen dit doen.

Waar de zaken zo staan — in het tijdvak van de vertwijfelde, uiterst verscherpte strijd, nu de geschiedenis de kwestie van het zijn of niet-zijn van voorrechten, die honderden en duizenden jaren hebben bestaan, aan de orde stelt — te kletsen over meerderheid en minderheid, over de zuivere democratie, over de overbodigheid der dictatuur, over de gelijkheid tussen uitbuiters en uitgebuiten! Welk een bodemloze stompzinnigheid, welk een afgrond van bekrompenheid is daartoe nodig!

Maar tientallen jaren van betrekkelijk ‘vreedzaam’ kapitalisme, van 1871 tot 1914, hebben in de socialistische partijen, die zich aan het opportunisme hebben aangepast, een ware Augiasstal van kleinburgerlijkheid, benepen domheid en verraad opeengehoopt. . .

* * *

De lezer zal waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Kautsky, in het boven aangehaalde citaat uit zijn boek, spreekt over een aanslag op het algemeen kiesrecht, (dat hij — ‘t zij in het voorbijgaan opgemerkt — de diepste bron van een machtig zedelijk gezag noemt; — terwijl Engels, naar aanleiding van dezelfde Commune van Parijs en naar aanleiding van dezelfde kwestie van de dictatuur, over het gezag van het gewapende volk tegen de bourgeoisie spreekt. Het is de moeite waard, op het stuk van ‘het gezag’ de denkbeelden van een filister en van een revolutionair met elkaar te vergelijken. . .)

We moeten opmerken, dat de kwestie van het ontnemen van het kiesrecht aan de uitbuiters een zuiver Russische zaak is en niet een kwestie van de dictatuur van het proletariaat in het algemeen. Indien Kautsky niet had willen huichelen en als titel van zijn brochure had gekozen: ‘Tegen de Bolsjewiki’, zou die titel in overeenstemming zijn geweest met de inhoud van de brochure en dan zou Kautsky het recht hebben gehad rechtstreeks over het kiesrecht te spreken. Kautsky heeft echter vóór alles ‘theoreticus’ willen zijn. Hij heeft de titel De dictatuur van het proletariaat in het algemeen gekozen. Hij spreekt eerst in het tweede deel van zijn brochure, te beginnen met het 5e hoofdstuk, over de Sovjets en over Rusland in het bijzonder. In het eerste gedeelte (waaruit ik citeerde) is evenwel sprake van democratie en dictatuur in het algemeen. Door over het kiesrecht uit te weiden, heeft Kautsky zich zelf blootgegeven als iemand die tegen de bolsjewiki polemiseert en die zich absoluut niet om de theorie bekommert. Want de theorie, d.w.z. het onderzoek van de klassenverhoudingen, waarop in het algemeen en niet in een bepaald geval, niet in een bepaald land, democratie en dictatuur berusten, mag zich niet bezig houden met een bijzonder vraagstuk als bv. het kiesrecht, maar met de algemene vraag: kan de democratie in de historische periode, die gekenmerkt wordt door de omverwerping van de uitbuiters en het vervangen van hun staat door de staat van de uitgebuiten, óók voor de rijken en de uitbuiters worden gehandhaafd?

Zo en zo alleen mag een theoreticus de vraag stellen.

Wij kennen het voorbeeld van de Commune, wij kennen alle beschouwingen van de grondvesters van het marxisme daarover. Aan de hand van dit materiaal heb ik bv. het vraagstuk van de democratie en van de dictatuur in mijn brochure Staat en Revolutie behandeld, die nog vóór de November-(Oktober)-revolutie werd geschreven. Over een beperking van het kiesrecht heb ik met geen woord gerept. En nu moet worden gezegd dat de kwestie van het beperken van het kiesrecht een bijzondere en nationale kwestie is en niet een algemene kwestie van de dictatuur. Men moet deze kwestie van de beperking van het kiesrecht behandelen door de bijzondere omstandigheden van de Russische revolutie en van de bijzondere gang van haar ontwikkeling te onderzoeken. In het verdere verloop van onze uiteenzetting zal dit dan ook worden gedaan. Maar het zou een fout zijn, van te voren er voor te willen instaan dat de komende proletarische revoluties in Europa, alle of voor het merendeel, noodzakelijkerwijs beperking van het kiesrecht voor de bourgeoisie met zich mee zouden brengen. Het kàn zo zijn. Na de oorlog en na de ervaring van de Russische revolutie zal het zelfs waarschijnlijk zo zijn, maar die beperkingen zijn niet onmisbaar voor de dictatuur, zij zijn niet noodzakelijkerwijs onafscheidelijk aan het logische en het historische begrip van de klassedictatuur verbonden.

Het noodzakelijke kenteken, het onmisbare element van de dictatuur is de gewelddadige onderdrukking van de uitbuiters als klasse, bijgevolg het inbreuk maken op de ‘zuivere democratie’, d.w.z. op de gelijkheid en de vrijheid ten opzichte van die klasse.

Zo en zo alleen, kan de vraag theoretisch worden gesteld. En door ze anders te stellen, bewees Kautsky dat hij niet als theoreticus, maar als aanklager van de opportunisten en de bourgeoisie tegen de bolsjewiki optreedt.

In welke landen, onder welke bijzondere nationale eigenaardigheden van een of ander kapitalisme, de democratie ten nadele van de uitbuiters zal worden beperkt of overtreden, dat hangt af van de nationale eigenaardigheden van zulk een kapitalisme, van deze of gene revolutie. Theoretisch moet de vraag geheel anders worden gesteld en wel aldus: is de dictatuur van het proletariaat mogelijk zonder schennis van de democratie ten nadele van de klasse van de uitbuiters?

Kautsky heeft juist deze vraag, de enige die theoretisch van belang is, ontweken. Kautsky brengt alle mogelijke citaten van Marx en Engels, behalve de citaten die deze kwestie behandelen, en die wij hierboven hebben aangehaald.

Kautsky praat over alles wat men maar wil, over allerlei, wat voor de liberalen en voor de burgerlijke democraten aannemelijk is, wat niet buiten hun gedachtenkring gaat, — maar hij zwijgt over de hoofdzaak, over het feit, dat het proletariaat niet kan regeren, zonder de tegenstand van de bourgeoisie te hebben gebroken, zonder in gewelddadige strijd zijn tegenstanders te hebben neergeworpen, — en dat er, waar ‘gewelddadige onderdrukking’ heerst, waar geen ‘vrijheid’ bestaat, natuurlijk ook geen democratie bestaat. Dat heeft Kautsky niet begrepen.

* * *

Gaan wij nu tot de ervaringen van de Russische revolutie over en tot het conflict tussen de Sovjets en de Constituante, dat tot de ontbinding van de Constituante en tot het onttrekken van het kiesrecht aan de bourgeoisie heeft geleid.

IV
De Sovjets zouden geen staatsorganisatie mogen worden

De Sovjets zijn de Russische vorm van de proletarische dictatuur. Zou een marxistisch theoreticus, die een werk over de dictatuur van het proletariaat schrijft, dit verschijnsel grondig hebben bestudeerd (in plaats van, zoals Kautsky, de kleinburgerlijke klaagzangen van de mensjewiki tegen de dictatuur eenvoudig te herhalen), dan zou hij beginnen met het geven van een algemene definitie van de dictatuur; daarna zou hij daarvan de bijzondere nationale vorm hebben onderzocht, nl. de Sovjets, die hij dan kritisch zou hebben geanalyseerd als een vorm der dictatuur van het proletariaat. Natuurlijk kan men van Kautsky, na zijn liberale ‘bewerking’ van de leer van Marx over de dictatuur, niets ernstigs verwachten. Maar het is toch in de hoogste graad karakteristiek, na te gaan hoe hij de kwestie, wat de Sovjets zijn, stelt en hoe hij haar behandelt.

“De Sovjets”, schrijft hij, terwijl hij hun opkomst in het jaar 1905 in herinnering brengt, “schiepen de meest omvattende (umfassenden) vorm van alle ‘proletarische organisaties’ die ooit hebben bestaan, want zij omvatten alle loonarbeiders” (blz. 31). In 1905 waren zij slechts plaatselijke corporaties. In 1917 werden zij tot een Russische, landelijke organisatie.

“Reeds nu”, vervolgt Kautsky, “kan de sovjetorganisatie op een grote en roemrijke geschiedenis terugzien. Een nog grotere geschiedenis staat haar te wachten en niet in Rusland alleen. Overal blijkt, dat tegenover de reusachtige krachten, waarover het financierskapitaal in economisch en politiek opzicht beschikt, de vroegere methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat ontoereikend zijn. Men moet ze niet prijs geven; ze blijven onmisbaar in normale tijden; maar van tijd tot tijd staan zij tegenover vraagstukken die zij niet vermogen op te lossen en die men alleen onder de knie kan krijgen door alle politieke en economische krachten van de arbeidersklasse samen te vatten (blz. 32).

Daarop volgt een verhandeling over de massa-staking en dan beweert Kautsky dat de ‘vakverenigingsbureaucratie’, even onmisbaar als de vakbonden zelf . . . ‘ondeugdelijk’ is om leiding te geven aan de reusachtige massale gevechten, die steeds meer ons tijdperk kenmerken . . .

“. . . Aldus”, besluit Kautsky, “is de sovjetorganisatie een van de belangrijkste verschijnselen van onze tijd. Zij belooft, in de grote beslissende veldslagen tussen kapitaal en arbeid, die wij tegemoet gaan, een beslissende rol te zullen spelen.
Maar zijn wij gerechtigd van de sovjets nog meer te eisen? De bolsjewiki, die na de Novemberrevolutie van 1917 samen met de linkse sociaal-revolutionairen de meerderheid in de Russische Sovjets van arbeiders-gedeputeerden hadden, gingen er toe over de Constituante uiteen te jagen en van de Sovjets, die tot nu toe een strijdorganisatie van een klasse waren, een staatsorganisatie te maken. Zij vernietigden de democratie, welke het Russische volk in de Maartrevolutie had veroverd. In overeenstemming daarmee houden de bolsjewiki op zich sociaaldemocraten te noemen. Zij noemen zich nu communisten” (blz. 33; onderstrepingen van Kautsky zelf).

Wie de Russische mensjewistische literatuur kent, ziet onmiddellijk hoe Kautsky slaafs Martov, Axelrod, Stein c.s. kopiëert. ‘Slaafs’ is het juiste woord, want Kautsky verdraait ter wille van de mensjewistische vooroordelen de feiten tot in het belachelijke. Kautsky heeft zich er bv. geen ogenblik om bekommerd aan zijn berichtgevers, zoals de Berlijnse Stein of de Stockholmse Axelrod, te vragen, op welk ogenblik de kwestie van de naamsverandering van de bolsjewiki in communisten en van de betekenis van de sovjets als staatsorganisatie zijn opgeworpen. Had Kautsky deze eenvoudige inlichting gevraagd, dan zou hij niet zulke lachwekkende dingen hebben geschreven, want deze beide kwesties werden door de bolsjewiki in april 1917 opgeworpen bv. in mijn Stellingen van 17 april 1917, d.w.z. geruime tijd voor de Oktoberrevolutie van 1917, om maar te zwijgen over het uiteenjagen van de Constituante op 18 januari 1918 [5]

Maar de uiteenzetting van Kautsky, die ik in haar geheel heb geciteerd, raakt de kern van geheel de kwestie van de Sovjets. De kern is nl. of de Sovjets er naar moeten streven staatsorganisaties te worden (sedert april 1917 hebben de bolsjewiki de leuze aangeheven: Alle macht aan de Sovjets! — en op de partijconferentie van de bolsjewiki, in april 1917, hebben zij verklaard dat zij zich niet tevreden zouden stellen met een burgerlijke parlementaire republiek en dat zij veeleer een arbeiders- en boerenrepubliek eisten van het type van de Commune of van het type van de Sovjets), dan wel, of de Sovjets er niet naar moeten streven om de macht in handen te nemen, geen staatsorganisaties moeten worden, maar een ‘strijdorganisatie’ blijven van één ‘klasse’ (zoals Martov meende te moeten zeggen, die met zijn onschuldige wens het feit trachtte goed te praten, dat de sovjets onder leiding van de mensjewiki niets anders waren dan een instrument tot onderwerping van de arbeiders aan de bourgeoisie).

Kautsky heeft op slaafse wijze de woorden van Martov herhaald; hij heeft brokstukken uit de theoretische strijd tussen de bolsjewiki en de mensjewiki genomen en ze zonder kritiek en zonder zelfstandig oordeel overgebracht op algemeen-theoretisch, algemeen Europees terrein. Er is zulk een ratjetoe ontstaan, dat ieder klassenbewust Russische arbeider, die van Kautsky’s uiteenzettingen kennis zou hebben genomen, in een homerisch gelach zou zijn uitgebarsten.

Met een dergelijk gelach zullen ook alle Europese arbeiders (met uitzondering van een handvol hardnekkige sociaalimperialisten) Kautsky ontvangen, wanneer wij hun zullen uitleggen, waar het hier om gaat.

Kautsky heeft Martov al een heel slechte dienst bewezen, door de fout van Martov te herhalen en met buitengewone aanschouwelijkheid tot in het ongerijmde te overdrijven. Men oordeele, waarop Kautky’s redenering neerkomt: -

De sovjets omvatten alle loonarbeiders. Tegenover het financierskapitaal zijn de vroegere methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat ontoereikend. De sovjets zijn geroepen om een grote rol te spelen en niet alleen in Rusland. In de beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid in Europa zullen zij een uiterst belangrijke en beslissende rol spelen. Aldus spreekt Kautsky.

Prachtig. Brengen de beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid niet de beslissing in de kwestie, aan welke dezer klassen de staatsmacht zal behoren?

Volstrekt niet! De hemel beware ons daarvoor!

In de ‘beslissende’ slagen mogen de organisaties, die alle loonarbeiders omvatten, geen staatsorganisatie worden.

Maar wat is de staat?

Een staat is niets anders dan een machine tot onderdrukking van de ene klasse door de andere.

Dus moet de onderdrukte klasse, de voorhoede van heel de uitgebuite arbeidende massa’s in de huidige maatschappij, streven naar “beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid”, maar zij mag niet raken aan het werktuig, waarvan het kapitaal zich bedient om de arbeid te onderdrukken. . . Ze mag deze machine niet verbrijzelen! Ze mag zich van haar alomvattende organisatie niet bedienen ter onderdrukking van de uitbuiters.

Voortreffelijk, mijnheer Kautsky! Voortreffelijk! ‘Wij’ erkennen de klassenstrijd, zoals alle liberalen hem erkennen, d.w.z. zonder het tenvalbrengen van de bourgeoisie. . .

Hier wordt duidelijk dat Kautsky volledig met het marxisme en met het socialisme heeft gebroken. Dit is, in feite, het overlopen naar de bourgeoisie, die bereid is alles toe te laten, behalve de omzetting van de organisaties van de door haar onderdrukte klasse in staatsorganisaties. Hier is Kautsky helemaal niet meer in staat zijn standpunt te redden, dat alles wil verzoenen, dat ook de scherpste tegenstellingen met frases wil overbruggen.

Een van beiden: óf Kautsky doet afstand van de overgang van de politieke macht in handen van de arbeidersklasse, óf wel: hij aanvaardt dat de arbeidersklasse de oude burgerlijke staatsmachine in handen neemt; maar in geen geval laat hij toe dat de arbeidersklasse die machine verbrijzelt, in stukken slaat door een nieuwe, proletarische vervangt. Hoe men ook de uiteenzetting van Kautsky mag ‘toelichten’ en ‘verklaren’, in beide gevallen is zijn breuk met het marxisme, is zijn overlopen naar de zijde van de bourgeoisie voor iedereen duidelijk.

Reeds in Het Communistisch Manifest schreef Marx, toen hij over de staat sprak, die de overwinnende arbeidersklasse nodig heeft: . . . “de staat, d.w.z. het als heersende klasse georganiseerde proletariaat”. En daar verschijnt een mens, dat de pretentie heeft marxist te blijven, en beweert dat het in zijn geheel georganiseerde en de ‘beslissende strijd’ met het kapitalisme voerende proletariaat zijn klasseorganisatie niet tot een staatsorganisatie mag maken. In het onderhavige geval levert Kautsky het bewijs van het ‘bijgeloof in de staat’, waarover Engels in 1891 schreef, “dat het in Duitsland in het algemeen bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders was doorgedrongen”. Vecht, arbeiders! Onze filister zegt, dat het ‘mag’ (ook de bourgeoisie vindt het goed, omdat de arbeiders ook zonder zulk verlof de strijd voeren, zodat er niets anders overblijft dan er over na te denken hoe het scherp van hun zwaard kan worden afgestompt); vecht, maar heb het hart niet te overwinnen! Verwoest niet de staatsmachine van de bourgeoisie en stelt niet in de plaats van de burgerlijke ‘staatsorganisatie’ een proletarische ‘staatsorganisatie’.

Wie ernstig de marxistische opvatting deelt, dat de staat niets anders is dan een machine tot onderwerping van de ene klasse door de andere en wie zich ook maar enigszins in deze waarheid heeft ingedacht, zal nooit tot deze dwaze conclusie kunnen komen, dat de proletarische organisaties, die in staat zijn om het financierskapitaal te overwinnen, zich niet in een staatsorganisatie mogen omzetten. Juist op dit punt ontpopt zich de kleinburger, voor wie de staat ‘toch altijd maar’ iets is, dat buiten of boven de klasse staat. Waarom zou het inderdaad aan het proletariaat, aan ‘een klasse’ veroorloofd zijn, een beslissende strijd te voeren tegen het kapitaal, dat niet alleen over het proletariaat, maar over het hele volk, de gehele kleinburgerij en alle boeren heerst, maar zou het niet geoorloofd zijn aan het proletariaat, aan ‘één klasse’, zijn organisatie in een staatsorganisatie om te zetten?

Omdat de kleinburger de klassenstrijd vreest en hem niet voert tot het einde toe, d.w.z. de hoofdzaak ongedaan laat.

Kautsky heeft zich helemaal vastgepraat. Hij heeft zijn ware gezicht laten zien. Men lette er op, dat hij zelf erkent dat Europa beslissende slagen tussen kapitaal en arbeid tegemoet gaat en dat de oude methoden van de economische en politieke strijd van het proletariaat niet meer toereikend zijn. Maar deze methoden bestaan juist in het zich bedienen van de burgerlijke democratie. Bij gevolg. . . Kautsky is bang tot het einde te denken, wat daaruit volgt.

. . . Bij gevolg kan alleen een reactionair, een vijand van de arbeidersklasse, een huurling van de bourgeoisie, thans de heerlijkheden van de burgerlijke democratie schilderen en zich naar het verleden wendend, over zuivere democratie kletsen. De burgerlijke democratie was vooruitstrevend in vergelijking met de middeleeuwen en men moest er zich van bedienen. Maar thans is zij ontoereikend geworden voor de arbeidersklasse. Thans moet men niet achteruit kijken, maar vooruit en streven naar de vervanging van de burgerlijke door de proletarische democratie. En waren ter voorbereiding van de proletarische revolutie de scholing en vorming van het proletarische leger, binnen het kader van de burgerlijk-democratische staat mogelijk en noodzakelijk, het begrenzen van het proletariaat binnen dat kader zou verraad zijn aan de proletarische zaak, zou een handelen als renegaat betekenen, zodra het tot de ‘beslissende strijd’ is gekomen.

Kautsky zit op een bijzonder belachelijke wijze in de klem, hij herhaalt een argument van Martov, zonder te bemerken dat dit argument van Martov steunt op een ander argument, dat bij Kautsky niet is te vinden! Martov (in wiens voetstappen Kautsky treedt) beweert dat Rusland nog niet rijp is voor het socialisme; waaruit natuurlijk volgt: het is nog te vroeg, de sovjets van strijdorganisaties om te zetten in staatsorganisaties (lees: het is juist de tijd om de sovjet met behulp van de mensjewistische leiders te vervormen in organen ter onderwerping van de arbeiders aan de imperialistische bourgeoisie). Maar nu kan Kautsky niet ronduit zeggen dat Europa niet rijp is voor het socialisme. Kautsky heeft immers in 1909 (toen hij nog geen renegaat was) geschreven dat men thans niet bang behoeft te zijn, dat een revolutie te vroeg zou komen en dat degene, die uit angst voor een nederlaag, afstand zou doen van de revolutie, een verrader was. Kautsky durft zijn woorden niet ronduit herroepen. En dan komt er zulk een onzin voor de dag, die de gehele domheid van de kleinburger aan het licht brengt: aan de ene kant is Europa rijp voor het socialisme en marcheert het naar beslissende slagen tussen arbeid en kapitaal; aan de andere kant is het verboden de strijdorganisatie, d.w.z. de in de strijd zich vormende, groeiende en sterk wordende organisatie van het proletariaat, van de voorhoede, van de organisator, van de leider der onderdrukten, om te zetten in een staatsorganisatie!

* * *

Uit een standpunt van praktische politiek is de idee, dat de sovjets als strijdorganisaties nodig zijn, maar niet in staatsorganisaties mogen worden omgezet, nog heel wat dwazer dan vanuit een theoretisch standpunt. Zelfs in vreedzame tijden, als er nog geen revolutionaire situatie voorhanden is, verwekt de massastrijd van de arbeiders tegen de kapitalisten — in de massastakingen bv., een vreselijke verbittering aan beide kanten, de strijd wordt met de grootste hartstocht gevoerd; de bourgeoisie herhaalt met grote koppigheid dat ze ‘baas in eigen huis’ zal en wil blijven enz. In nog sterkere mate wordt tijdens een revolutie, als het politieke leven tot kookhitte is gestegen, zulk een organisatie als die van de sovjets, die alle arbeiders van alle takken van industrie, vervolgens alle soldaten en heel de werkende en arme plattelandsbevolking omvat, er onvermijdelijk toe gebracht, door de kracht van de omstandigheden, door het verloop van de strijd en door de ‘logica’ van aanval en afweer, om de kwestie in al haar scherpte te stellen. De poging om een neutrale positie in te nemen, het proletariaat en de bourgeoisie te ‘verzoenen’, is onzin en leidt tot een ellendige mislukking. Dat was het lot van de preken van Martov en de andere mensjewiki in Rusland, en zo zal het ook onvermijdelijk in Duitsland en andere landen gaan, als de sovjets zich enigermate op grote schaal ontwikkelen en het hun gelukt, zich aan een te sluiten en te versterken. Aan de sovjets te zeggen: vecht, maar pas op, dat ge niet de gehele staatsmacht in handen neemt, — pas op dat ge geen staatsorganisatie wordt, dat komt neer op het prediken van de samenwerking van de klassen en de ‘sociale vrede’ tussen de proletariërs en bourgeoisie. Het is belachelijk, te geloven, dat zulk een positie in de verbitterde strijd tot iets anders dan tot een smadelijk bankroet kunnen voeren. Kautsky is ten eeuwige dage veroordeeld tusen twee stoelen te gaan zitten. Hij doet in de theorie alsof hij niets, helemaal niets, met de opportunisten te doen heeft, maar in de praktijk is hij het in alle zaken van wezenlijke betekenis (dus in alles wat met de revolutie te maken heeft) met hen eens.

V
De Constituante en de Sovjetrepubliek

De kwestie van de Constituante en het uit elkaar jagen daarvan door de bolsjewiki, vormt de kern van Kautsky’s gehele brochure. Daar komt hij telkens op terug. Elk ogenblik herinnert de theoreticus van de IIde Internationale er in zijn boek aan, dat de bolsjewiki de ‘democratie hebben vernietigd’ (zie boven in het citaat van Kautsky). Het vraagstuk is inderdaad belangwekkend en belangrijk, want de verhouding tussen de burgerlijke en de proletarische democratie werd hier praktisch voor de revolutie gesteld. Laten we eens zien, hoe onze ‘marxistische theoreticus’ dit vraagstuk onderzoekt.

Hij citeert mijn Stellingen over de Constituante, die ik in de Pravda van 26 december 1917 heb gepubliceerd. Men zou, naar ‘t schijnt, onmogelijk een beter bewijs kunnen vinden van de ernst waarmee hij zich, met de stukken in de hand, aan het werk zet. Maar zien we nu even toe, hoe Kautsky citeert. Hij zegt niet, dat het aantal stellingen 19 bedraagt; hij zegt niet dat ze handelen over de wederzijdsche betrekkingen tussen de gewone burgerlijke republiek (met een Constituante) en de Sovjetrepubliek, alsmede over de geschiedenis van de tegenstellingen tussen de Constituante en de dictatuur van het proletariaat in onze revolutie. Dat alles laat Kautsky terzijde en hij bepaalt zich tot de eenvoudige vermelding dat “twee daarvan” (van deze stellingen) “bijzonder belangrijk zijn”, de ene nl. die zegt dat de sociaal-revolutionairen zich na de verkiezingen voor de Constituante maar nog vóór zij bijeen werd geroepen in twee fracties hebben verdeeld (Kautsky verzwijgt dat dit de vijfde stelling is) en de andere, die verklaart dat de Sovjetrepubliek in het algemeen reeds een hogere vorm van democratie is dan de Constituante (Kautsky verzwijgt, dat dit de derde stelling is). En uit deze derde stelling citeert Kautsky slechts een gedeelte volledig, nl. de volgende plaats:

“De Sovjetrepubliek is niet alleen een hogere vorm van de democratische instellingen (in vergelijking met de gewone burgerlijke republiek, waarvan de Constituante de bekroning is), maar ze is ook de enige vorm, die geschikt is, om met de minst mogelijke schokken [6] de overgang naar het socialisme te verzekeren.”

Kautsky heeft het woord ‘gewone’ weggelaten en evenzo de inleidende woorden van de stelling: “Voor de overgang van de burgerlijke orde naar de socialistische, voor de dictatuur van het proletariaat”.

Na deze woorden aangehaald te hebben, roept Kautsky met een bijtende ironie uit:

“Het is alleen maar jammer dat men tot deze gevolgtrekking eerst gekomen is toen men in de constituante in de minderheid was gebleken. Vroeger had niemand ze stormachtiger geëist dan Lenin”.

Zo staat het letterlijk op blz. 31 van het boek van Kautsky!

‘t Is werkelijk een juweeltje! Alleen een lasteraar in dienst van de bourgeoisie had de zaak zo leugenachtig kunnen voorstellen, dat de lezer de indruk kreeg, alsof al de discussies van de bolsjewiki over een hogere staatsvorm niets anders zijn dan een uitvindsel, in de wereld gebracht, nadat de bolsjewiki in de Constituante in de minderheid waren gebleken! Zulk een verachtelijke leugen kan alleen afkomstig zijn van een schurk, die zich aan de bourgeoisie heeft verkocht, of, wat volkomen hetzelfde is: afkomstig van een man die zich aan Axelrod heeft toevertrouwd en de herkomst van zijn inlichtingen verzwijgt.

Iedereen weet immers dat ik reeds op de eerste dag van mijn aankomst in Rusland, de 4de april 1917, in het openbaar de Stellingen heb voorgelezen, waarin ik verklaarde hoe zeer een staat naar het type van de Commune boven de parlementaire burgerlijke republiek verheven is. Ik heb die verklaring telkens weer in de pers herhaald, bv. in de brochure over de politieke partijen, die in het Engels is vertaald en in Amerika in januari 1918 in de New Yorkse courant Evening Post verschenen. En nog meer: De partijconferentie van de bolsjewiki op het einde van april 1917, nam een resolutie aan waarin werd gezegd dat de republiek van arbeiders en boeren hoger staat dan de burgerlijke parlementaire republiek, dat onze partij met deze laatste geen genoegen zou nemen en dat haar program dienovereenkomstig gewijzigd moest worden.

Wat moet men na dit alles van de uitval van Kautsky zeggen, die aan de Duitse lezers durft verzekeren dat ik stormachtig het bijeen roepen van de Constituante zou hebben geëist en dat ik eerst begonnen ben met ze te verguizen en zwart te maken, toen de bolsjewiki daarin in de minderheid waren gebleven? Waardoor kan zulk een bedrog worden verontschuldigd? [7]

Was Kautsky soms niet op de hoogte van de feiten? Waarom moest hij er dan over gaan schrijven? Of waarom heeft hij dan niet openlijk verklaard: Ik, Kautsky, schreef op gezag van de inlichtingen die ik van de mensjewiki Stein, Axelrod, en Co. heb ontvangen. Maar Kautsky wil immers achter zijn vertoon van objectiviteit verbergen dat hij optreedt als medeplichtige van de, door hun nederlaag gekrenkte, mensjewiki.

Maar dit is nog maar het begin. Het mooiste komt nog.

Laten we aannemen, dat Kautsky niet van plan of niet in staat(?) is geweest, door middel van zijn informateurs in het bezit te komen van de vertaling van de resoluties en verklaringen, waarin de bolsjewiki kennis gaven dat zij geen genoegen namen met de burgerlijke democratische parlementaire republiek. Laten we dus zelfs maar het onwaarschijnlijke aannemen. Maar Kautsky heeft op blz. 30 van zijn boek direct verwezen naar mijn Stellingen van de 26ste december 1917. Zijn deze Stellingen aan Kautsky volledig bekend, of kent hij daarvan alleen wat Stein, Axelrod c.s. daaruit voor hem hebben vertaald? Kautsky citeert de derde stelling, die handelt over de fundamentele kwestie, of de bolsjewiki reeds vóór de verkiezingen voor de Constituante zich ervan bewust waren en voor het volk getuigden, dat de Sovjetrepubliek hoger staat dan de burgerlijke republiek? Maar over de tweede stelling zegt Kautsky geen woord.

Nu luidt deze tweede stelling als volgt:

“Terwijl de revolutionaire sociaaldemocratie het bijeenroepen van de Constituante eiste, heeft zij sinds het begin van de revolutie van 1917 herhaaldelijk met nadruk verklaard, dat de republiek een hogere vorm van democratie is dan de gewone burgerlijke republiek met een Constituante.” [8]

Om de bolsjewiki als beginselloze lieden, ‘als revolutionaire opportunisten’ te kunnen voorstellen (deze uitdrukking is ergens, ik weet niet meer in welk verband, in Kautsky’s boek te vinden), heeft de heer Kautsky voor de Duitse lezers verzwegen, dat er in de stellingen rechtstreeks naar ‘herhaalde’ verklaringen wordt verwezen.

Dat zijn nu de kleine, jammerlijke en verachtelijke middeltjes, waartoe de heer Kautsky zijn toevlucht neemt. Op die manier is hij in staat, de theoretische vraag te omzeilen.

Staat de parlementaire burgerlijk-democratische republiek lager dan een republiek van het type van de Commune, of van het type van de Sovjets? Ja of neen? Dat is de kern van de kwestie, maar Kautsky draait er om heen. Hij heeft alles ‘vergeten’, wat Marx in zijn ontleding van de Commune van Parijs heeft meegedeeld. ‘Vergeten’ heeft hij ook de brief van Engels aan Bebel, van 28 maart 1875, waarin bijzonder aanschouwelijk en overtuigend deze zelfde gedachte van Marx: “De Commune was reeds niet meer een staat in de eigenlijke betekenis van het woord”, is uitgedrukt.

Daar hebt u nu de meest op de voorgrond tredende theoreticus van de IIde Internationale. Die een speciale brochure over ‘de dictatuur van het proletariaat’ schrijft, die daarin speciaal over Rusland spreekt, waar het vraagstuk van een hogere staatsvorm dan de burgerlijke democratische republiek ronduit en herhaaldelijk is geformuleerd, en die dit verzwijgt. Waarin verschilt die wijze van handelen in feite van het overlopen naar het kamp van de bourgeoisie?

(Laten we nu, tussen haakjes,opmerken, dat hier zowel als elders Kautsky zich door de Russische mensjewiki op sleeptouw laat nemen. Onder hen zijn lieden, die ‘alle citaten’ van Marx en Engels op hun duimpje kennen, maar niet één mensjewiek heeft van april tot oktober 1917 en van oktober 1917 tot oktober 1918 ook maar één keer getracht het vraagstuk van de staat van het type van de Commune te onderzoeken. Ook Plechanov heeft dit vraagstuk verwaarloosd. Zij moesten waarlijk wel zwijgen).

Het is duidelijk dat een discussie met mensen, die zichzelf socialisten en marxisten noemen, maar die ten aanzien van het belangrijkste vraagstuk van de staat van het Commune type naar de bourgeoisie overlopen niets anders is dan paarlen voor de zwijnen werpen. Het zal voldoende zijn, als bijlage tot deze brochure, mijn Stellingen over de Constituante in extenso af te drukken. De lezer zal er uit zien dat de kwestie op de 20ste december 1917 zowel op theoretische als op historische en praktisch-politieke wijze werd gesteld.

Kautsky, die als theoreticus het marxisme volkomen verloochent, had tenminste als historicus het vraagstuk van de strijd tussen de Sovjets en de Constituante kunnen bestuderen. Kautsky heeft in tal van zijn werken, die een blijvend bezit van het proletariaat zijn, niettegenstaande de latere afvalligheid van de schrijver, getoond een marxistisch historicus te kunnen zijn. Maar in het gegeven geval keert Kautsky ook als historicus de waarheid de rug toe; hij verzwijgt algemeen bekende feiten, alsof zij niet bestonden; hij gedraagt zich als een agent van de bourgeoisie. Hij wil de bolsjewiki als beginselloze mensen voorstellen en hij verhaalt hoe zij getracht hebben hun conflict met de Constituante te verzachten, vóórdat zij haar uit elkaar joegen. Daarin steekt beslist geen kwaad en wij behoeven niets terug te nemen; ik laat mijn stellingen van begin tot eind afdrukken en daarin is zo helder als de dag gezegd: Gij wankelende kleinburger, die in de Constituante een zetel hebt veroverd, u moet u neerleggen bij de dictatuur van het proletariaat, of wij zullen u ‘met revolutionaire middelen’ overwinnen (Stellingen 18 en 19).

Zo heeft het werkelijk revolutionaire proletariaat altijd met de wankelende kleinburgers gehandeld en zal het blijven handelen.

Ten aanzien van de Constituante stelt Kautsky zich op een formeel standpunt. In mijn Stellingen wordt duidelijk en bij herhaling gezegd dat de belangen van de revolutie hoger staan dan de formele rechten van de Constituante (zie Stellingen 16 en 17). Het formeel-democratisch standpunt is juist het standpunt van de burgerlijke democraat die niet toegeeft dat de belangen van het proletariaat en van de proletarische klassenstrijd hoger staan. Als historicus had Kautsky wel moeten erkennen, dat de burgerlijke parlementen organen zijn van de een of andere klasse. Maar nu moet Kautsky het marxisme vergeten (terwille van een smerige verloochening van de revolutie). Kautsky stelt dus de vraag niet, welke klasse de Constituante in Rusland als orgaan diende. Kautsky ontleedt de werkelijke omstandigheden niet. Het lust hem niet de feiten te zien; en tegenover zijn Duitse lezers rept hij er met geen enkel woord over dat in de Stellingen niet alleen een theoretische toelichting is geleverd van het vraagstuk van de begrensdheid van de burgerlijke democratie (Stelling 1-3), en niet alleen van de concrete voorwaarden, die maakten dat de kiezerslijsten, half oktober 1917 vastgesteld, niet meer met de toestand van december 1917 overeen kwamen (Stellingen Nr. 4-6), — maar hij verzwijgt óók dat de geschiedenis van de klassenstrijd en van de burgeroorlog in oktober tot december 1917 wordt toegelicht (Stellingen Nr. 7-15). Uit dit concrete verloop van de geschiedenis trokken wij de conclusie (Stelling Nr. 14) dat de leuze: “Alle macht aan de Constituante”, feitelijk de leuze was geworden, zowel van de kadetten, als van de Kaledin-mensen en hun handlangers.

De historicus Kautsky ziet dit niet. De historicus Kautsky heeft nog nooit horen zeggen dat het algemeen kiesrecht ook wel eens kleinburgerlijke, dan weer reactionaire en contrarevolutionaire parlementen oplevert. De marxistische historicus Kautsky heeft er nog nooit van gehoord dat de vorm van de verkiezingen, de vorm van de democratie heel iets anders is dan de klasseninhoud van de bedoelde instelling. Dit vraagstuk van de klasseninhoud van de Constituante is duidelijk en ronduit in mijn Stellingen gesteld en opgelost. Mogelijk is mijn oplossing niet juist. Wij zouden niets liever wensen dan een marxistische kritiek van andere zijde op onze ontleding. In plaats van zulke dwaze praatjes te debiteren (Kautsky is er niet zuinig mee), dat de een of andere kritiek op het bolsjewisme zou willen verhinderen, had Kautsky tot een dergelijke kritiek dienen over te gaan. Maar het gaat er juist om dat hij geen enkele kritiek levert. Hij stelt zelfs niet de vraag van de ontleding van de klasseninhoud van de Sovjets enerzijds, en van de Constituante anderzijds, en daarom is elke polemiek, elke discussie met Kautsky onmogelijk, en blijft er niets anders over dan de lezer aan te tonen waarom Kautsky niet anders dan als renegaat behandeld kan worden. . .

Het geschil van de Sovjets met de Constituante heeft haar geschiedenis, die zelfs een historicus, die niet op het standpunt van de klassenstrijd staat, niet zou mogen verwaarlozen. Kautsky heeft zich niet verwaardigd deze feitelijke geschiedenis ook maar aan te roeren. Kautsky verbergt voor de Duitse lezers dit algemeen bekende feit, dat nu alleen nog maar de van haat vervulde mensjewiki verbergen, dat de Sovjets ook tijdens de heerschappij van de mensjewiki, dus van begin maart tot begin november 1917, in conflict waren met de algemene (d.w.z. burgerlijke) ‘staats'instellingen. Kautsky staat in het wezen der zaak op het standpunt van de verzoening, van de samenwerking van het proletariaat met de bourgeoisie. Het staat vast (hoe zeer Kautsky zich daartegen ook mag verzetten) dat dit zijn standpunt is; dit wordt door zijn brochure van het begin tot het einde bevestigd. Wie zegt dat men de Constituante niet had moeten wegjagen. . . die beweert: men had de strijd tegen de bourgeoisie niet tot het einde moeten doorzetten, men had haar niet ten val moeten brengen; men had het tot een compromis tussen het proletariaat en de bourgeoisie moeten laten komen.

Waarom verzwijgt Kautsky dan, dat de mensjewiki met dit weinig eervol gedoe tot oktober 1917 bezig zijn geweest en er niets mee hebben bereikt? Als het mogelijk was de bourgeoisie met het proletariaat te verzoenen, waarom is dit dan aan de mensjewiki niet gelukt? Waarom hield de bourgeoisie zich afzijdig van de Sovjets? Waarom werden de Sovjets (door de mensjewiki) de ‘revolutionaire democratie’ genoemd en de bourgeoisie de ‘bevoorrechte elementen’?

Kautsky zorgt er wel voor dat zijn Duitse lezers niet vernemen hoe juist de mensjewiki, in het ‘tijdvak’ (februari-oktober 1917) van hun heerschappij van de Sovjets als van de revolutionaire democratie spraken en zo hun voortreffelijkheid boven alle andere instellingen erkenden. Dank zij het verzwijgen van dit feit, kon de historicus Kautsky de indruk vestigen alsof het conflict tussen de Sovjets en de bourgeoisie geen geschiedenis heeft, — als ware het opeens uitgebroken, onvoorzien, zonder oorzaak, als gevolg van het boosaardige gedrag van de bolsjewiki. Maar in werkelijkheid heeft juist de ondervinding van meer dan een half jaar (voor een revolutie is dat een reusachtig tijdsverloop) van de mensjewistische coalitiepolitiek, van de ijdele pogingen tot verzoening van het proletariaat met de bourgeoisie, het volk van de onvruchtbaarheid van deze pogingen overtuigd en het proletariaat aan de mensjewiki de rug doen toekeren.

De sovjets zijn een uitstekende strijdorganisatie van het proletariaat, met een grote toekomst, geeft Kautsky toe. Indien dit zo is, zo valt heel zijn stelling als een kaartenhuis in elkaar, of als de kleinburgerlijke droom over de mogelijkheid dat een harde strijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie zou kunnen worden vermeden. Want geheel de revolutie is een voortdurende en bovendien verbitterde strijd, en het proletariaat is de vooraanstaande klasse, het brandpunt en het centrum van elk streven van alle onderdrukten naar de bevrijding.

Als strijdorganen van de onderdrukte massa’s hebben de Sovjets natuurlijker de stemmingen en de ommekeer in de opvattingen van deze massa’s met onvergelijkelijk grotere snelheid, volledigheid en getrouwheid weerspiegeld en tot uitdrukking gebracht dan welke andere instelling ook. (Dit is trouwens één van de oorzaken waarom de Sovjetdemocratie een hogere vorm van democratie is.)

De Sovjets slaagden erin, tussen 13 maart en 7 november 1917, twee Al-Russische congressen bijeen te roepen, waarop de overgrote meerderheid van de bevolking, alle arbeiders en soldaten, zeven of acht tiende van de boeren, waren vertegenwoordigd, — nog gezwegen van een menigte van plaatselijke, districts-, stads-, gouvernements- en gewestelijke congressen. Gedurende die tijd vermocht de bourgeoisie niet één enkel, de meerderheid vertegenwoordigend lichaam bijeen te roepen (behalve de duidelijk vervalste en bespottelijke ‘democratische conferentie’, een tot woede prikkelende uitdaging aan het proletariaat). De Constituante weerspiegelde dezelfde gemoedsstemming van de massa, dezelfde politieke groepering, als het eerste Al-Russische Sovjetcongres in juni. Welnu, tussen die datum en het bijeenroepen van de Constituante (januari 1918) had het tweede (oktober 1917) en ook het derde (januari 1918) Sovjetcongres plaats en beide toonden met verrassende klaarheid, dat de massa’s waren geradicaliseerd, gerevolutioneerd, dat zij zich van de mensjewiki en van de sociaal-revolutionairen hadden afgekeerd om de bolsjewiki te volgen, dus: zich aan de leiding van de kleinburgers hadden onttrokken, afstand hadden gedaan van de illusie van een compromis met de bourgeoisie en naar de kant van de proletarische revolutionaire strijd, ter omverwerping van de bourgeoisie, waren overgegaan.

Alleen de uiterlijke geschiedenis van de Sovjets toont dus reeds aan dat de Constituante een reactionair karakter had en onvermijdelijk uit elkaar moest worden gejaagd. Toch wil Kautsky geen duimbreed wijken van zijn ‘leuze’: moge de revolutie ten onder gaan, moge de bourgeois over het proletariaat zegevieren, mits de ‘zuivere democratie’ maar gedije!

Fiat Justitia pereat mundus! [9]

Hier volgt een korte tabel van de Al-Russische Sovjetcongressen, die gedurende de Russische Revolutie zijn gehouden:

Tabel Al-Russische Sovjetcongressen

Het is voldoende een blik op deze cijfers (15) te werpen, om te begrijpen waarom het verdedigen van de Constituante of het gepraat van hen, die (zoals Kautsky) voorgeven dat de bolsjewiki niet de meerderheid van de bevolking achter zich hebben, bij ons slechts met gelach kan worden ontvangen.

VI
De Sovjet Grondwet

Ik heb er op gewezen dat het niet-verlenen van het kiesrecht aan de bourgeoisie niet een noodzakelijk en onmisbaar kenmerk is van de dictatuur van het proletariaat. Ook in Rusland hebben de bolsjewiki, die, lang vóór de novemberrevolutie, deze dictatuur tot een van hun leuzen hadden gemaakt, niet van te voren er over beraadslaagd de uitbuiters van het kiesrecht te beroven. Dit bestanddeel van onze dictatuur is niet de vrucht van een door de een of andere partij uitgewerkt plan; het is vanzelf uit het verloop van de strijd gegroeid. De historicus Kautsky heeft dit natuurlijk niet opgemerkt. Hij heeft niet begrepen dat reeds in de tijd, toen de mensjewiki (de politici van het compromis met de bourgeoisie) de Sovjets beheersten, de bourgeoisie zich van de Sovjets terugtrok, ze in de ban deed, zich er vijandig tegenover stelde, er tegen intrigeerde. De Sovjets zijn zonder enige constitutie ontstaan en langer dan een jaar (van de lente van 1917 tot de zomer 1918) bleven zij zonder enige constitutie bestaan. De woede van de bourgeoisie tegen de zelfstandige en almachtige (want allesomvattende) organisatie van de onderdrukten, de even laaghartige als schaamteloze, op eigen belang gerichte strijd van de bourgeoisie tegen de Sovjets en ten slotte de openlijke medeplichtigheid van de bourgeoisie (van de kadetten tot de rechtsche sociaal-revolutionairen, van Miljoekov tot Kerenski) aan het Kornilov-avontuur, — dit alles samen heeft de formele uitsluiting van de bourgeoisie uit de Sovjets voorbereid.

Kautsky heeft over het Kornilov-complot horen spreken, maar van het voetstuk van zijn waardigheid spuwt hij op de historische feiten, op het verloop en de vormen van de strijd, die de vormen van de dictatuur bepalen. Waartoe dienen ook de feiten, wanneer er van ‘zuivere democratie’ sprake is? Daarom wordt de ‘kritiek’, door Kautsky tegen dit ontnemen van het kiesrecht aan de bourgeoisie gericht, gekenmerkt, door een zo. . . kostelijke naïveteit, die, wanneer het een kind betrof, ontroerend zou werken, maar die afkeer wekt, nu het een man betreft die nog niet officieel kinds is verklaard.

“Wanneer de kapitalisten zich door een uitspraak van het algemeen kiesrecht in een onbeduidende minderheid zien geplaatst, zullen zij zich eerder met hun lot verzoenen.” (blz. 33).

Lief, niet waar? De wijze Kautsky heeft dikwijls in de geschiedenis gezien, of kent als beschouwer van het werkelijke leven zeer grondig grote grondeigenaars en kapitalisten, die rekening houden met de wil van de meerderheid van de onderdrukten. De wijze Kautsky houdt zich aan het standpunt van de ‘oppositie’, d.w.z. aan de zuiver-parlementaire strijd. Hij schrijft dan ook letterlijk ‘oppositie’ (op blz. 34 en vele andere plaatsen).

O, geleerde historicus en politicus! Het zou u geen kwaad doen te weten dat ‘oppositie’ een begrip is van de vreedzame en uitsluitend parlementaire strijd, d.w.z. een begrip dat overeenkomt met een niet-revolutionaire situatie, dus een situatie waarin geen revolutie plaats vindt. In de revolutie hebben wij met een onverbiddelijke vijand in de burgeroorlog te doen, en geen reactionaire jeremiades van een kleinburger, die, evenals Kautsky, zulk een oorlog vreest, kunnen ook maar het minste aan dit feit veranderen. Zulk een behandeling van de vraagstukken van de meedogenloze burgeroorlog, waarin de bourgeoisie tot elke misdaad in staat is (het voorbeeld van de Versaillanen en hun pakt met Bismarck zegt genoeg voor ieder, die op andere wijze tegenover de geschiedenis staat dan Gogols Petroesjka) — en buitenlandse staten ter hulp roept en met hen tegen de revolutie intrigeert — is belachelijk. Het revolutionaire proletariaat moet, volgens de confusionist Kautsky, een slaapmuts over de oren trekken en een legale ‘oppositie’ zien in de bourgeoisie, terwijl deze de contrarevolutionaire opstanden van Doetov, Krasnov en de Tsjechen organiseert en miljoenen aan de saboteurs betaalt. Welk een scherpzinnigheid!

Kautsky stelt uitsluitend belang in de formele, juridische zijde van de zaak. Zijn beschouwingen over de Sovjetconstitutie doen dan ook onwillekeurig denken aan Bebels woorden: “Juristen zijn door-en-door reactionaire mensen”.

“Inderdaad”, schrijft Kautsky, “kan men echter de kapitalisten alléén niet van al hun rechten beroven. Wat is een kapitalist in de juridische betekenis van het woord? Een bezitter? Zelfs in een economisch zo ontwikkeld land als Duitsland, met een zo talrijk proletariaat, zou de oprichting van een Sovjetrepubliek grote massa’s van burgers van hun politieke rechten beroven. In 1907 bedroeg in het Duitse Rijk het aantal personen die een beroep uitoefenen (werkenden en hun gezinnen) in de drie grote groepen: landbouw, industrie en handel, ‘t aantal kantoorbedienden en loonarbeiders 35 miljoen en waren er ongeveer 17 miljoen zelfstandig werkenden. Bij gevolg kan een partij beschikken over de volstrekte meerderheid van de loonarbeiders, maar toch slechts een minderheid van de bevolking uitmaken” (blz. 33).

Dat is een staaltje van Kautsky’s wijze van redeneren. Is dat niet het contrarevolutionaire gejammer van een bourgeois?

Waarom hebt u alle ‘zelfstandigen’ meegeteld onder hen, die van hun politieke rechten worden beroofd, mijnheer Kautsky, terwijl u heel goed weet dat de geweldige meerderheid van de Russische boeren geen loonarbeiders in dienst heeft en dus ook niet van hun rechten wordt beroofd? Noemt men dit niet vervalsen van de waarheid? Waarom, geleerde economist, hebt u niet de, u welbekende, in dezelfde Duitse statistiek van 1907 vervatte gegevens over de loonarbeid in het landbouwbedrijf, volgens de groepen van de landbouwbedrijven, aangehaald? Waarom hebt u niet voor de Duitse arbeiders, de lezers van uw brochure, deze gegevens aangehaald, waaruit zij konden zien hoe weinig uitbuiters er volgens de Duitse statistiek onder het gehele aantal ‘landbouwers’ zijn? Omdat uw afvalligheid u gemaakt heeft tot een gewone aanbrenger in dienst van de bourgeoisie.

De kapitalist, ziet u, is een vaag juridisch begrip en Kautsky trekt enige bladzijden lang tegen de ‘willekeur’ van de Sovjetconstitutie van leer. Deze ‘ernstige geleerde’ vindt het natuurlijk dat de Engelse bourgeoisie vele eeuwen nodig had voor het opstellen en uitwerken van een nieuwe (voor de middeleeuwen nieuwe) burgerlijke constitutie, maar aan ons, arbeiders en boeren in Rusland, gunt deze vertegenwoordiger van de lakeienwetenschap geen ogenblik tijd. Van ons eist hij binnen enkele maanden een tot in de puntjes uitgewerkte constitutie . . . .

‘Willekeur’! Welk een bodemloze diepte van afschuwelijke kruiperij voor de bourgeoisie en van de meest stompzinnige verwatenheid komt er bij dit verwijt voor de dag! Wanneer de door-en-door burgerlijke en voor het merendeel reactionaire juristen van de kapitalistische landen eeuwen of tientalle jaren nodig hadden om tot in de kleinste bijzonderheden afdalende regels uit te werken, tien, honderdtallen wetboeken en wetsverklaringen hebben geschreven, met geen ander doel dan de arbeiders te onderdrukken, de armen aan handen en voeten te binden, de eenvoudige werker uit het volk duizenderlei chicanes en hinderpalen in de weg te leggen, — o, dan zien de burgerlijke liberalen en de heer Kautsky daarin geen schijn van ‘willekeur’! Daar is ‘orde’ en ‘wettelijkheid’! Daar is alles overdacht en geformuleerd om de armen des te beter te kunnen verdrukken. Daar zijn duizenden van burgerlijke advocaten en ambtenaren (over wie Kautsky maar liever zwijgt, waarschijnlijk omdat Marx aan het verbrijzelen van de ambtenarenmachine een zeer grote betekenis heeft toegekend), advocaten en procureurs, die de wetten zo weten uit te leggen dat ‘t de arbeiders en de middenboer nooit gelukt door de prikkeldraadversperring van deze wetten heen te breken. Is dat soms geen ‘willekeur’ van de bourgeoisie, de dictatuur van de hebzuchtige en lage uitbuiters, die het volk het bloed aftappen? Wel neen! — Dat is ‘zuivere democratie’, die iedere dag nog zuiverder wordt.

Maar als de arbeidende en uitgebuite massa voor het eerst in de geschiedenis, door de imperialistische oorlog van hun broeders van de overzijde van de grens gescheiden, hun eigen Sovjets inrichten, — en tot de politieke opbouw de klassen oproepen, die de bourgeoisie voorheen onderdrukt, deemoedig en dom gehouden heeft en nu beginnen zelf een nieuwe staat, de proletarische staat, op te bouwen, — als zij in verbitterde strijd, in de hel van de burgeroorlog, de grondslagen beginnen te leggen van een staat zonder uitbuiters, — dan begint heel de bende van bloedzuigers, samen met hun trawant Kautsky, een geschreeuw over ‘willekeur’ aan te heffen! Zeker, waar zou dit ‘gepeupel’ van onwetende arbeiders en boeren hebben kunnen leren, hun eigen wetten uit te leggen? Waar moeten die eenvoudige werkers het gevoel voor gerechtigheid vandaan halen, wanneer zij geen beroep doen op de raad van de geletterde advocaten, de burgerlijke schrijvers, de kautskyisten, de wijze oude bureaucraten?

Uit mijn rede van 12 mei 1918 citeert de heer Kautsky de woorden: “. . . De massa’s bepalen zelf de wijze en de termijnen der verkiezingen! . . .” en als ‘zuiver democraat’ trekt Kautsky daaruit de volgende conclusie:

“. . . Het schijnt dus dat iedere vergadering van kiezers naar eigen opvatting vaststelt, op welke wijze de verkiezingen plaats vinden. De willekeur en de mogelijkheid zich van hinderlijke oppositionele elementen in de rijen van het proletariaat zelf te ontdoen, zouden aldus tot de hoogste graad zijn opgevoerd” (blz. 37).

. . .Welnu, waarin onderscheidt zich die redenering van het geschrift van een, aan de kapitalisten verkochten inktkoelie, die tijdens een werkstaking jammert over het geweld, waarmee de massa de ‘vlijtige’ en ‘werkwillige’ arbeiders vervolgt? Waarom zou de bureaucratisch-burgerlijke regeling van de wijze van kiezen in de ‘zuivere’ burgerlijke democratie geen willekeur zijn? Waarom moet het rechtvaardigheidsgevoel van de massa, in opstand gekomen voor de strijd tegen de eeuwenoude uitbuiting, geschoold en gestaald door deze vertwijfelde strijd, minder zijn dan dat van een handvol van in burgerlijke vooroordelen opgevoede ambtenaren, intellectuelen en advocaten?

Kautsky is een overtuigd socialist. Verstout u niet, de oprechtheid van deze eerbiedwaardigste aller familievaders, van deze waardigste aller burgers in twijfel te trekken. . . ! Hij is een beslist een warm voorstander van de zege van de arbeiders, van de proletarische revolutie. Alleen zou hij gaarne willen dat de goedgezinde intellectuelen, de filisters en droogstoppels met een slaapmuts, van meet af aan, vóór de beweging van de massa’s, vóór hun verbitterde strijd tegen de uitbuiters en met volstrekte vermijding van een burgeroorlog, een gematigd en nauwkeurig reglement voor de ontwikkeling van de revolutie opstellen. . . Met diep gevoelde zedelijke verontwaardiging vertelt onze zeer geleerde ‘Joedoesjka Golowljew’ aan de Duitse arbeiders, dat op de 14de juni 1918 het Al-Russische Centrale Uitvoerende Comité der Sovjets besloot, de vertegenwoordigers van de rechtsche sociaal-revolutionairen en van de mensjewiki van de Sovjets uit te sluiten:

“Deze maatregel”, schrijft Joedoesjka Kautsky, gloeiënd van edele verontwaardiging, “richt zich niet tegen bepaalde personen, die bepaalde strafbare feiten hebben begaan. . . De Constitutie van de Sovjetrepubliek spreekt met geen woord over de onschendbaarheid van de afgevaardigde leden van de Sovjets. Niet bepaalde personen, maar bepaalde partijen worden hier van de Sovjets uitgesloten” (blz. 37).

Ja, dat is inderdaad verschrikkelijk. Dat is de onverdraaglijkste aanslag op de ‘zuivere democratie’, volgens welker regels onze revolutionaire Joedoesjka Kautsky de revolutie zou willen maken. Wij, Russische bolsjewiki, hadden moeten beginnen met aan Sawinkov en Co., de Liberdans, de Potresow’s en Co. (de ‘activisten’) de onschendbaarheid te waarborgen, daarna een strafwetboek moeten schrijven, met strafbepalingen tegen hen, die deelnamen aan de contrarevolutionaire veldtocht van de Tsjecho-Slowaken, of in de Oekraïne, of in Georgië aan een bondgenootschap met de Duitse imperialisten tegen de arbeiders van ons eigen land en eerst daarna zouden wij op de grondslag van dat strafwetboek, overeenkomstig de ‘zuivere democratie’, gerechtigd zijn geweest, om ‘bepaalde personen’ uit de Sovjets uit te sluiten. Het spreekt bovendien vanzelf dat de Tsjecho-Slowaken, die door bemiddeling van lieden als Sawinkov, de Potresow’s en de Liberdans, of dank zij hun agitatie, subsidies ontvingen van de Engelse-Franse kapitalisten en dat ook lieden als Krasnov, die Duitse munitie ontvingen door de hulp van de mensjewiki uit de Oekraïne en uit Tiflis, rustig hadden zitten wachten totdat wij een behoorlijk Wetboek van Strafrecht hadden uitgewerkt en als zuivere democraten ons tot het spelen van de rol van oppositie hadden bepaald. . . .

Een niet minder zedelijke verontwaardiging wordt bij Kautsky gewekt, doordat de Sovjetconstitutie het kiesrecht onthoudt aan allen die ‘loonarbeiders’, met het doel om winst te maken, in dienst hebben.

“De thuiswerker of kleine baas”, schrijft Kautsky, “met één gezel, kan volkomen proletarisch leven en voelen, maar hij heeft geen kiesrecht” (blz. 36).

Wat een afwijking van de ‘zuivere democratie’! Wat een ongerechtigheid! Weliswaar nemen alle marxisten tot op heden aan, en duizenden feiten hebben het bevestigd, dat de kleine baasjes de meest gewetenloze en onverzadelijke uitbuiters van de loonarbeiders zijn, maar Joedoesjka Kautsky spreekt natuurlijk niet van de klasse der kleine ondernemers (wie heeft toch deze rampzalige theorie van de klassenstrijd uitgedacht?), maar van afzonderlijke personen, van zulke uitbuiters ‘die volkomen proletarisch leven en voelen’. De beroemde ‘Spaar-Agnes’, die men sinds lang overleden waande, is door de pen van Kautsky herrezen. Deze beroemde ‘Spaar-Agnes’ is enige tientallen jaren geleden door de ‘zuivere’ democraat, de bourgeois Eugen Richter uitgevonden en in de Duitse literatuur populair gemaakt. Hij voorspelde toen ongehoorde ellende, die het gevolg zou zijn van de dictatuur van het proletariaat, van het in beslag nemen van het kapitaal van de uitbuiters. Hij vroeg met een onschuldig gezicht, wat toch een kapitalist was in de juridische betekenis van het woord? Hij nam als voorbeeld een arme, spaarzame naaister Agnes (‘Spaar-Agnes’), die de boze ‘dictators van het proletariaat’ van haar laatste stuivers wilden beroven. Er was een tijd dat de hele Duitse sociaaldemocratie zich over deze ‘Spaar-Agnes’ van de zuivere democraat Eugen Richter vrolijk maakte. Maar dat is lang gelden, zéér lang geleden, toen Bebel nog leefde, die openlijk en ronduit de waarheid uitsprak, dat er in onze partij veel nationaal-liberalen waren. Dat is héél lang geleden, toen Kautsky nog geen renegaat was geworden.

En nu is die ‘Spaar-Agnes’ herrezen in de persoon van de volkomen proletarisch levende en voelende ‘kleine ondernemer met één gezel’. De boze bolsjewiki behandelen hem onrechtvaardig, ontnemen hem zijn kiesrecht. ‘t Is waar, dat ‘ieder verkiezingscollege’ in de Sovjetrepubliek, zoals dezelfde Kautsky zegt, iedere, aan een bepaalde fabriek verbonden arme ambachtsman kan toelaten, wanneer hij bij uitzondering geen uitbuiter is en inderdaad ‘volkomen proletarisch leeft en voelt’. Maar kan men zich dan verlaten op de levenskennis en op het rechtvaardigheidsgevoel van een slecht georganiseerde en zonder reglement (vreselijk!) handelende fabrieksvergadering van eenvoudige arbeiders? Is het niet beter, het kiesrecht te geven aan alle uitbuiters, aan alle werkgevers, dan de kans te lopen, dat de arbeiders een ‘Spaar-Agnes’ en een proletarisch levend en denkend baasje zouden krenken?

Laten de verachtelijke schavuiten der renegaten onder toejuichi