Geschreven: 1852
Bron: Uitgeverij voor literatuur in vreemde talen Moskou (geen jaar vermeld)
Vertaling: onbekend
Deze versie: punctuatie en aanpassen van enkele woorden
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, februari 2006
Geschreven door K. Marx, in de tijd van december 1851 tot maart 1852. Gepubliceerd in het tijdschrift Die Revolution, New York 1852. Een tweede oplage, door Marx geredigeerd en verbeterd, verscheen als brochure in 1869 te Hamburg. Een derde oplage verscheen in 1885 te Hamburg, met een voorwoord van Engels. Gedrukt volgens de tekst van de tweede druk, vergeleken met de tekst van de derde druk van 1885. Vertaling uit het Duits.
Voorwoord van Karl Marx bij de tweede druk
Mijn te vroeg ontslapen vriend Joseph Weydemeyer [1] was van plan vanaf 1 januari 1852 in New York een politiek weekblad uit te geven. Hij verzocht mij daarvoor de geschiedenis van de coup d’état [2] te schrijven. Derhalve stuurde ik hem tot midden februari wekelijks een artikel met het opschrift: De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte. Intussen was het oorspronkelijke plan van Weydemeyer mislukt. Hij gaf daarentegen in het voorjaar van 1852 een maandschrift: Die Revolution uit, welks eerste aflevering uit mijn Achttiende Brumaire bestaat. Een paar honderd exemplaren daarvan vonden toenmaals hun weg naar Duitsland, zonder echter in de eigenlijke boekhandel te komen. Een uiterst radicaal doende Duitse boekhandelaar, wie ik de verkoop aanbood, gaf mij in antwoord daarop zijn zedelijke verontwaardiging te kennen over zulk een “tegen de geest van de tijd indruisend aanbod”.
Men ziet uit deze gegevens dat het onderhavige geschrift rechtstreeks onder de druk van de gebeurtenissen is ontstaan en dat de historische stof daarvan niet verder reikt dan de maand februari (1852). Deze herdruk ervan is ten dele te danken aan de vraag van de boekhandel ten dele aan de aandrang van mijn vrienden in Duitsland.
Van de geschriften, die hetzelfde onderwerp ongeveer gelijktijdig met het mijne behandelden, verdienen er slechts twee de aandacht: Victor Hugo’s: ‘Napoléon le Petit’ [3] en Proudhons ‘Coup d’état’.
Victor Hugo beperkt zich tot bittere en geestige uitvallen tegen de verantwoordelijken uitgever van de staatsgreep. De gebeurtenis zelf komt bij hem als een donderslag uit een heldere hemel. Hij ziet daarin slechts de gewelddaad van een afzonderlijk individu. Hij merkt niet dat hij dit individu groot in plaats van klein maakt, door hem een zodanige persoonlijke macht van het initiatief toe te schrijven, die in de wereldgeschiedenis haar gelijke niet zou hebben. Proudhon tracht zijnerzijds de staatsgreep als het resultaat van een daaraan voorafgegane historische ontwikkeling uit te beelden. Ondertussen wordt evenwel bij hem de historische constructie van de staatsgreep tot een historische apologie van de held van de staatsgreep. Hij vervalt op deze wijze in de fout van onze zogenaamde objectieve geschiedschrijvers. Ik toon daarentegen aan hoe de klassenstrijd in Frankrijk omstandigheden en voorwaarden schiep, die het aan een middelmatig en grotesk personage mogelijk maakten om de heldenrol te spelen.
Een omwerking van het onderhavige geschrift zou het van zijn bijzondere kleur hebben beroofd. Ik heb mij dus uitsluitend beperkt tot het verbeteren van drukfouten en tot het wegschrappen van nu niet meer begrijpelijke toespelingen.
De slotzin van mijn geschrift: “Maar wanneer de keizersmantel eindelijk op de schouders van Louis Bonaparte valt, dan zal het bronzen standbeeld van Napoleon van de top van de zuil van Vendôme omlaag storten”, is reeds tot werkelijkheid geworden.
Kolonel Charras opende de aanval op de Napoleoncultus in zijn werk over de veldtocht van 1815. Sindsdien, en vooral in de laatste jaren, heeft de Franse literatuur met de wapenen van het geschiedenisonderzoek, de kritiek, de satire en de humor een eind gemaakt aan de Napoleonlegende. Buiten Frankrijk werd deze gewelddadige breuk met het traditionele volksgeloof, deze ontzaglijke geestelijke revolutie, weinig opgemerkt en nog minder begrepen.
Tenslotte hoop ik dat mijn geschrift zal bijdragen tot het doen verdwijnen van de thans, vooral in Duitsland, in zwang zijnde schoolfrase over het zogenaamde caesarisme. Bij deze oppervlakkige ‘historische analogie vergeet men de hoofdzaak, dat namelijk in het oude Rome de klassenstrijd zich slechts binnen een bevoorrechte minderheid afspeelde, tussen de vrije rijken en de vrije armen, terwijl de grote productieve massa van de bevolking, de slaven, alleen maar het passieve voetstuk voor die strijders vormde. Men vergeet Sismondi’s belangrijke uitspraak: het Romeinse proletariaat leefde op kosten van de maatschappij, terwijl de moderne maatschappij op kosten van het proletariaat leeft. Bij zulk een volkomen verschil tussen de materiële, economische voorwaarden van de antieke en van de moderne klassenstrijd kunnen ook de politieke voortbrengselen daarvan niets meer met elkaar gemeen hebben, dan de ‘aartsbisschop van Canterbury met de hogepriester Samuel.
Karl Marx, Londen, 23 juni 1869
Voorwoord van F. Engels bij de derde druk
Door F. Engels geschreven voor de derde druk van het geschrift van Marx’ De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Hamburg 1885. Volgens de tekst van de derde druk. Vertaling uit het Duits.
Dat er een nieuwe druk van de Achttiende Brumaire nodig geworden is, drieëndertig jaar na de eerste publicatie, bewijst dat dit werkje ook heden nog niets van zijn waarde heeft verloren.
En inderdaad, het was een geniaal werk. Onmiddellijk na de gebeurtenis, die de gehele politieke wereld als een donderslag uit een heldere hemel verraste, die door sommigen met een luid geschreeuw van zedelijke verontwaardiging werd verdoemd, door anderen als reddende uitkomst uit de revolutie en als straf voor haar dwalingen werd geaccepteerd, maar die allen alleen maar verbaasd deed staan en door niemand werd begrepen - onmiddellijk na deze gebeurtenis trad Marx op met een korte, epigrammatische uiteenzetting, die de gehele loop van de Franse geschiedenis sinds de Februari-dagen in zijn innerlijk verband uitbeeldde, het mirakel van de tweede december op het natuurlijke, noodzakelijke resultaat van dit verband terugbracht zonder daarbij zelfs de held van de staatsgreep anders dan met welverdiende verachting te hoeven behandelen. En het beeld was met zulk een meesterhand getekend, dat iedere nieuwe, intussen gevolgde onthulling alleen maar nieuwe bewijzen heeft gebracht, hoe getrouw het de werkelijkheid weerspiegelt. Dit voortreffelijke begrip van de levende geschiedenis van de dag, dit helder doorzien van de gebeurtenissen op het ogenblik, waarop zij plaats hebben, vindt inderdaad zijn weerga niet.
Hiervoor was dan ook Marx’ grondige kennis van de Franse geschiedenis nodig. Frankrijk is het land, waar de historische klassengevechten meer dan elders telkens tot aan de beslissing werden uitgevochten, waar dus ook de wisselende politieke vormen, waarbinnen zij zich bewegen en waarin hun resultaten zijn samengevat, in de scherpste trekken tot uitdrukking zijn gekomen. Frankrijk, het middelpunt van het feodalisme in de middeleeuwen, het modelland van de unitaire standenmonarchie sinds de Renaissance, dit Frankrijk heeft tijdens de Grote Revolutie het feodalisme vernietigd en de zuivere heerschappij van de bourgeoisie gegrondvest in zulk een klassieke vorm als geen ander Europees land dit heeft gedaan. En ook de strijd van het omhoog strevende proletariaat tegen de heersende bourgeoisie treedt hier in een elders onbekende, acute vorm op. Dat was de reden, waarom Marx niet alleen de in het verleden liggende Franse geschiedenis met een bijzondere voorliefde bestudeerde, maar ook de geschiedenis van de dag in alle onderdelen volgde, het materiaal voor toekomstig gebruik bijeenbracht en derhalve nooit door de gebeurtenissen werd verrast.
Hierbij kwam evenwel nog een andere omstandigheid. Het was juist Marx, die de grote bewegingswet van de geschiedenis het eerst had ontdekt, de wet volgens welke iedere historische strijd, of die op politiek, religieus, filosofisch of ander ideologisch gebied plaats heeft, inderdaad slechts de min of meer duidelijke uitdrukking is van de strijd van maatschappelijke klassen en dat het bestaan en daarmee ook de botsingen van deze klassen weer bepaald worden door de graad van ontwikkeling van hun economische toestand, van de wijze van hun productie en van de daardoor bepaalde ruil. Deze wet, die voor de geschiedenis dezelfde betekenis heeft als de wet van de omzetting van de energie voor de natuurkunde - deze wet gaf hem ook hier de sleutel voor het begrijpen van de geschiedenis van de tweede Franse republiek. Aan deze geschiedenis heeft hij hier zijn wet getoetst en zelfs na drieëndertig jaar moeten wij nog zeggen, dat deze toets schitterend is doorstaan.
Friedrich Engels
Hegel merkt ergens op dat alle grote wereldhistorische feiten en personen als het ware tweemaal optreden. Hij vergat er aan toe te voegen: de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht. Caussidière in de plaats van Danton, Louis Blanc in de plaats van Robespierre, de Montagne van 1848-51 in de plaats van de Montagne van 1793-95, de neef in de plaats van de oom. En dezelfde karikatuur in de omstandigheden, waaronder de tweede editie van de achttiende Brumaire verschijnt!
De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden. De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last op de hersenen van de levenden. En juist wanneer zij er mee bezig schijnen, zichzelf en de dingen om te wentelen, iets te scheppen, wat nog niet heeft bestaan, juist in zulke tijdperken van revolutionaire crisis, roepen zij angstig de geesten van het verleden tot hun dienst op, ontlenen aan hen namen, strijdparolen, kostuums, om in deze oude eerwaardige vermomming en in deze geleende taal het nieuwe bedrijf van de wereldgeschiedenis op te voeren. Zo vermomde Luther zich als de apostel Paulus, de revolutie van 1789-1814 drapeerde zich afwisselend als Romeinse republiek en als Romeins keizerrijk en de revolutie van 1848 wist niets beters te doen, dan nu eens 1789, dan weer de revolutionaire overlevering van 1793-95 te parodiëren. Zo vertaalt de beginneling, die een nieuwe taal heeft geleerd, die steeds weer terug in zijn moedertaal, maar de geest van de nieuwe taal heeft hij zich pas eigen genaakt, hij kan er pas vrij in produceren, zodra hij zich in die taal beweegt zonder herinnering aan zijn eigen taal en zijn moedertaal in haar vergeet.
Bij het beschouwen van die wereldhistorische dodenbezweringen vertoont zich onmiddellijk een in het oog vallend onderscheid. Camille Desmoulins, Danton, Robespierre, St. Just, Napoleon, de helden als ook de partijen en de massa van de oude Franse revolutie, volbrachten in het Romeinse kostuum en met Romeinse frases de taak van hun tijd, het vrijmaken en stichten van de moderne burgerlijke maatschappij. Deze sloegen de feodale grondeigendom in stukken en maaiden de feodale hoofden af, die daarop waren gegroeid. De andere schiep binnen Frankrijk de voorwaarden, waaronder pas de vrije concurrentie kon worden ontwikkeld, de geparcelleerde grondeigendom uitgebuit, de ontketende industriële productiekracht van de natie kon worden aangewend en buiten de Franse grenzen vaagde hij overal de feodale instellingen weg, voor zover dit nodig was, om aan de burgerlijke maatschappij in Frankrijk een dienovereenkomstige, met de tijd in overeenstemming zijnde omgeving op het Europese vasteland te verschaffen. Toen de nieuwe maatschappelijke formatie eenmaal gevormd was, verdwenen de voorwereldlijke kolossen en met hen het weer opgestane Romeinendom - de Brutussen, Grachussen, Publicola’s, de tribunen, de senatoren en Caesar zelf. De burgerlijke maatschappij in haar nuchtere werkelijkheid had haar ware vertolkers en woordvoerders verwekt in de Say’s, Cousins, Royer-Collards, Benjamin Constants en Guizots, haar werkelijke legeraanvoerders zaten achter de kantoortafel en de spekkop Lodewijk XVIII was haar politieke chef. Geheel in beslag genomen door het voortbrengen van rijkdom en door de vreedzame concurrentiestrijd begreep zij niet meer dat de spookverschijningen van de Romeinse tijd haar wieg hadden bewaakt. Maar hoe onheldhaftig de burgerlijke maatschappij ook is - er waren toch heldenmoed, opoffering, terreur, burgeroorlogen en veldslagen tussen de volken nodig geweest om haar ter wereld te brengen. En haar gladiatoren vonden in de klassiek strenge tradities van de Romeinse republiek de idealen en de kunstvormen, het zelfbedrog dat zij nodig hadden om de burgerlijk beperkte inhoud van hun strijd voor zichzelf te verbergen en hun hartstocht op de hoogte van de grote historische tragedie te houden. Zo hadden Cromwell en het Engelse volk op een andere trap van ontwikkeling, een eeuw vroeger, aan het oude testament de taal, hartstochten en illusies voor hun burgerlijke revolutie ontleend. Toen het werkelijke doel was bereikt, toen de burgerlijke vervorming van de Engelse maatschappij was volbracht, verdrong Locke Habakuk.
Het opwekken der doden tijdens die revoluties diende er dus toe om de nieuwe gevechten te verheerlijken, niet om de oude te parodiëren; om de gegeven taak in de verbeelding te overdrijven, niet om voor de vervulling er van in de werkelijkheid te vluchten; om de geest van de revolutie terug te vinden, niet om haar spookbeeld weer te laten rondwaren.
In 1848-51 waarde slechts het spookbeeld van de oude revolutie rond, vanaf Marrast, de republikein en gants jaunes, [4] die zich als de oude Bailly vermomde, tot en met de avonturier, die zijn triviaal weerzinwekkende trekken verbergt onder het ijzeren dodenmasker van Napoleon. Een geheel volk, dat zich door een revolutie een versnelde kracht van beweging meent te hebben gegeven, vindt zich plotseling teruggeplaatst in een afgestorven tijdperk en opdat er geen twijfel over deze terugval mogelijk kan zijn, staan de oude feiten weer op, de oude jaartelling, de oude namen, de oude edicten, die sinds lange tijd een voorwerp van antiquarische geleerdheid waren geworden en de oude beulsknechten, die al lang vergaan schenen. De natie voelt zich als die krankzinnige Engelsman in Bedlam, [5] die in de tijd van de oude Farao’s meent te leven en die dagelijks jammert over de zware diensten, die hij als gouddelver in de Ethiopische mijnen moet verrichten, ingemetseld in die onderaardse gevangenis, een zwak brandende lamp op het eigen hoofd, achter hem de slavenopzichter met een lange zweep en aan de uitgangen een gewirwar van barbaarse krijgsknechten, die noch de dwangarbeiders in de mijnen, noch elkander onderling verstaan, daar zij geen gemeenschappelijke taal spreken. “En dat alles wordt van mij geëist” - zucht de krankzinnige Engelsman - “van mij, de vrijgeboren Brit, om goud voor de oude Farao’s te maken.” “Om de schulden van de familie Bonaparte te betalen” - zucht de Franse natie. Zolang de Engelsman bij zijn verstand was, kon hij de idee-fixe van het goudmaken niet kwijtraken. De Fransen konden, zolang zij revolutie maakten, de herinnering aan Napoleon niet kwijtraken, zoals de verkiezing van 10 december heeft bewezen. Uit de gevaren van de revolutie verlangden zij terug naar de vleespotten van Egypte en de 2e december 1851 was het antwoord. Zij hebben niet alleen de karikatuur van de oude Napoleon, zij hebben de oude Napoleon zelf, als een karikatuur zoals hij zich moet voordoen in het midden van de negentiende eeuw.
De sociale revolutie van de negentiende eeuw kan haar poëzie niet uit het verleden scheppen, doch alleen uit de toekomst. Zij kan niet met zichzelf beginnen, voordat zij zich heeft ontdaan van al het bijgeloof aan het verleden. De vroegere revoluties hadden de wereldhistorische herinneringen nodig, om zich aan hun eigen inhoud te bedwelmen. De revolutie van de negentiende eeuw moet de doden hun doden laten begraven, om tot haar eigen inhoud te geraken. Daar ging de frase verder dan de inhoud, hier gaat de inhoud verder dan de frase.
De Februari-revolutie was een overrompeling, een verrassing van de oude maatschappij en het volk proclameerde deze onvoorziene overrompeling als een wereldhistorische daad, waarmee het nieuwe tijdperk zou zijn geopend. Op 2 december wordt de Februari-revolutie weggemoffeld door de kunstgreep van een valse speler en wat omvergeworpen schijnt, is niet meer de monarchie, het zijn de liberale concessies, die haar door eeuwenlange strijd waren afgedwongen. In plaats dat de maatschappij zelf zich een nieuwe inhoud heeft veroverd, schijnt alleen de staat tot zijn oudste vorm te zijn teruggekeerd, tot de onbeschaamd eenvoudige heerschappij van de sabel en de monnikspij. Zo antwoordt op de coup de main [6] van februari 1848 de coup de tête [7] van december 1851. Zo gewonnen zo geronnen. Onderwijl is de tussentijd niet onbenut voorbijgegaan. De Franse maatschappij heeft in de jaren 1848-51 de studies en ervaringen ingehaald en wel op een verkortende, want revolutionaire methode, die bij een regelmatige, om het zo te zeggen, schoolse ontwikkeling van de Februari-revolutie daaraan vooraf hadden moeten gaan, indien deze meer dan een beroering aan de oppervlakte zou zijn geweest. De maatschappij schijnt nu achter haar uitgangspunt te zijn teruggetreden; in werkelijkheid moet zij zich eerst het revolutionaire uitgangspunt scheppen, de situatie, de omstandigheden, de voorwaarden, waaronder de moderne revolutie alleen een ernstig karakter verkrijgt.
Burgerlijke revoluties, zoals die van de achttiende eeuw, stormen snel van succes tot succes, hun dramatische effecten wedijveren met elkaar, mensen en dingen schijnen in schitterende briljanten gevat, extase is de dagelijkse stemming; maar zij hebben een kort bestaan, spoedig hebben zij hun hoogtepunt bereikt en de maatschappij wordt door een langdurige katterigheid aangegrepen, voordat zij leert om zich de resultaten van haar storm en drangperiode nuchter eigen te maken. Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt en de omstandigheden zelf roepen:
Hic Rhodus, his salta! [8]
Hier is de roos, dans hier!
Iedere enigszins behoorlijke waarnemer moest trouwens wel vermoeden, zelfs indien hij de loop van de Franse ontwikkeling niet stap voor stap had gevolgd, dat de revolutie een ongekende blamage stond te wachten. Het was voldoende om het verwaande overwinnings gekef te horen, waarmee de heren democraten elkander met de zegenrijke uitwerkingen van de tweede zondag van mei 1852 [9] gelukwensten. De tweede zondag van mei 1852 was in hun hoofden een idee-fixe geworden, een dogma, zoals in de hoofden van de chiliasten de dag, waarop Christus weer zou verschijnen en het duizendjarige rijk zou beginnen. De zwakheid had zich als steeds in het wondergeloof gered, zij meende dat de vijand overwonnen was wanneer zij hem in de fantasie wegtoverde en verloor ieder begrip van de tegenwoordige tijd in een dadenloze ophemeling van de toekomst, die haar te wachten stond en van de daden; die zij in petto had, maar alleen nog niet aan de man wilde brengen. Die helden, die hun bewezen ongeschiktheid trachtten te weerleggen door elkaar wederkerig hun medelijden te schenken en zich tot een troep aaneen te sluiten, hadden hun boeltje gepakt, hun lauwerkransen op voorschot opgenomen en waren juist bezig om op de wisselmarkt de republieken in partibus te laten disconteren, voor welke zij reeds in alle stilte van hun bescheiden gemoed het regeringspersoneel uit voorzorg hadden georganiseerd. De 2e december trof hen als een donderslag uit een heldere hemel en de volken, die in tijdperken van kleinmoedige ontstemming hun innerlijke angst gaarne door de luidste schreeuwers laten overstemmen, zullen er zich misschien van hebben overtuigd, dat de tijden voorbij zijn, waarin het gesnater van de ganzen het capitool kon redden.
De Constitutie, de Nationale Vergadering, de dynastieke partijen de blauwe en de rode republikeinen, de helden van Afrika, de donder van de tribune, het weerlichten van de dagbladpers, de gehele literatuur, de politieke namen en de geestelijke vermaardheden, de burgerlijke wet en het strafrecht, het liberté, egalité, fraternité en de tweede zondag van mei 1852 - alles is verdwenen als een fantasmagorie [10] voor de toverformule van een man, dien zelfs zijn vijanden niet voor een duivelskunstenaar uitgeven. Het algemeen kiesrecht schijnt slechts een ogenblik langer in leven te zijn gebleven om eigenhandig voor de ogen van de gehele wereld zijn testament te maken en in naam van het volk zelf te verklaren: alles wat bestaat is waard, dat het te gronde gaat.
Het is niet voldoende om te zeggen, zoals de Fransen het doen, dat hun natie verrast werd. Een natie en een vrouw wordt het onbewaakte uur niet vergeven, waarin de eerste de beste avonturier haar geweld kon aandoen. Het raadsel wordt door dergelijke zinswendingen niet opgelost, maar alleen anders geformuleerd. Er moet nog worden verklaard, hoe een natie van 36 miljoen door drie avonturiers verrast en zonder tegenstand in gevangenschap kan worden weggeleid.
Laat ons in algemene trekken de fasen recapituleren, die de Franse revolutie van 24 februari 1848 tot december 1851 heeft doorlopen.
Drie hoofdperioden zijn onmiskenbaar: de Februari-periode; 4 mei 1848 tot 28 mei 1849: de periode van de constituering van de Republiek of van de Constituerende Nationale Vergadering; 28 mei 1849 tot 2 december 1851: de periode van de Constitutionele Republiek of van de Legislatieve Nationale Vergadering.
De eerste periode van 24 februari of van de val van Louis Philippe tot 4 mei 1848, het bijeenkomen van de Constituerende Vergadering, de eigenlijke Februari-periode, kan de proloog van de revolutie worden genoemd. Haar karakter kwam officieel hierin tot uitdrukking, dat de door haar geïmproviseerde regering zichzelf als voorlopige verklaarde en evenals de regering, gaf alles wat in deze periode werd opgeworpen, geprobeerd, uitgesproken zich alleen maar voor voorlopig uit. Niemand en niets waagde het recht van bestaan en de werkelijke daad voor zich op te eisen. Alle elementen die de revolutie hadden voorbereid of bepaald, de dynastieke oppositie, de republikeinse bourgeoisie, de democratisch-republikeinse kleinburgerij, de sociaal-democratische arbeiders, vonden voorlopig hun plaats in de Februari-regering.
Het kon niet anders zijn. De Februari-dagen hadden oorspronkelijk een hervorming van het kiesrecht tot doel, waardoor de kring van de politiek bevoorrechten binnen de bezittende klasse zelf uitgebreid en de uitsluitende heerschappij van de financiersaristocratie omvergeworpen zou moeten worden. Toen het echter tot het werkelijke conflict kwam, toen het volk de barricaden beklom, de Nationale Garde zich passief gedroeg, het leger geen ernstige tegenstand bood en het koningdom wegliep, scheen de republiek vanzelfsprekend te zijn. Iedere partij legde haar op haar eigen wijze uit. Afgedwongen door het proletariaat met de wapens in de hand, drukte dit haar zijn stempel op en proclameerde haar tot sociale republiek. Aldus werd de algemene inhoud van de moderne revolutie aangeduid, die op de merkwaardigste wijze in tegenspraak was met alles, wat met het voorhanden materiaal, met de bereikte trap van ontwikkeling van de massa, onder de gegeven omstandigheden en voorwaarden in de eerste plaats rechtstreeks kon worden verwezenlijkt. Anderzijds werd de aanspraak van alle overige elementen, die aan de Februari-revolutie hadden meegewerkt, erkend in het leeuwenaandeel, dat zij in de regering kregen. In geen periode vinden wij derhalve een bonter mengsel van hoogdravende frases en feitelijke onzekerheid en onbeholpenheid, van een enthousiaster streven naar vernieuwingen en van een grondiger heerschappij van de oude routine, van een meer schijnbare harmonie van de gehele maatschappij en van een diepere vervreemding van haar elementen. Terwijl het Parijse proletariaat nog zwelgde in de aanblik van het grote perspectief dat zich voor hem geopend had en zich aan ernstig gemeende discussies over de sociale problemen overgaf, hadden de oude machten van de maatschappij zich gegroepeerd, verzameld, waren zij tot bezinning gekomen en vonden zij een onverwachte steun bij de massa van de natie, bij de boeren en kleinburgers, die allen tegelijkertijd het politieke toneel bestormden, nadat de barrières van de Juli-monarchie waren gevallen.
De tweede periode van 4 mei 1848 tot eind mei 1849 is de periode van de constituering, de grondvesting van de burgerlijke republiek. Onmiddellijk na de Februari-dagen was niet alleen de dynastieke oppositie verrast door de republikeinen, de republikeinen door de socialisten, maar geheel Frankrijk door Parijs. De Nationale Vergadering, die op 4 mei 1848 bijeenkwam en als gevolg van de verkiezingen van de natie was ontstaan, vertegenwoordigde de natie. Zij was een levend protest tegen de aanspraken van de Februari-dagen en moest de resultaten van de revolutie tot de burgerlijke maatstaf terugbrengen. Tevergeefs trachtte het Parijse proletariaat, dat het karakter van deze Nationale Vergadering onmiddellijk begreep, enige dagen na haar bijeenkomst, op 15 mei, haar bestaan met geweld te loochenen, haar te ontbinden, de organische vorm, waarin de reactionaire geest van de natie het proletariaat bedreigde, weer in zijn afzonderlijke bestanddelen te verstrooien. De 15de mei had, zoals bekend is, geen ander resultaat dan dat Blanqui en zijn kameraden, d.w.z. de werkelijke leiders van de proletarische partij, voor de gehele duur van de cyclus die wij beschouwen, van het publieke toneel werden verwijderd.
Op de burgerlijke monarchie van Louis Philippe kan alleen de burgerlijke republiek volgen, d.w.z. wanneer in naam van de koning een beperkt deel van de bourgeoisie heeft geheerst, dan zal nu in naam van het volk de hele bourgeoisie heersen. De eisen van het Parijse proletariaat zijn utopische praatjes, waaraan een eind moet worden gemaakt. Op deze verklaring van de Constituerende Nationale Vergadering antwoordde het Parijse proletariaat met de Juni-opstand, de meest kolossale gebeurtenis in de geschiedenis van de Europese burgeroorlogen. De burgerlijke republiek overwon. Aan haar kant stonden de financiers-aristocratie, de industriële bourgeoisie, de middenstand, de kleinburgers, het leger, het als Garde Mobile georganiseerde lompenproletariaat, de intellectuele lichten, de priesters en de plattelandsbevolking. Aan de kant van het Parijse proletariaat stond niemand dan het proletariaat zelf. Meer dan 3000 opstandelingen werden na de overwinning neergesabeld, 15.000 zonder veroordeling op transport gesteld. Met deze nederlaag treedt het proletariaat naar de achtergrond van het revolutionaire toneel. Het tracht zich telkens weer naar voren te dringen, zodra de beweging een nieuwe aanloop schijnt te nemen, maar met steeds zwakkere krachtsontwikkeling en steeds geringer resultaat. Zodra een van de boven hem gelegen lagen van de maatschappij in revolutionaire gisting geraakt, gaat het een verbond daarmede aan en deelt zo in alle nederlagen, die de verschillende partijen achtereenvolgens lijden. Maar deze slagen, die naderhand komen, worden steeds zwakker, naar gelang zij zich over de gehele oppervlakte van de maatschappij verdelen. Zijn meer op de voorgrond staande leiders in de Vergadering en in de pers vallen de een na de ander aan de rechtbanken ten offer en steeds dubbelzinniger figuren nemen hun plaats in. Voor een deel werpt het zich op doctrinaire experimenten, ruilbanken en arbeidersassociaties, dus in een beweging, waarin het er van afziet de oude wereld met het totaal van haar eigen machtige middelen om te wentelen en veeleer tracht achter de rug van de maatschappij om, op particuliere wijze, binnen zijn beperkte bestaansvoorwaarden, zijn verlossing te volbrengen en aldus noodzakelijkerwijze schipbreuk lijdt. Het schijnt noch in zichzelf de revolutionaire grootte terug te kunnen vinden, noch uit de nieuw aangegane verbonden nieuwe energie te kunnen putten, totdat alle klassen, waartegen het in juni had gestreden, zelf plat naast hem neerliggen. Maar het delft het onderspit tenminste bekroond met de eer van de grote wereldhistorische strijd. Niet alleen Frankrijk, geheel Europa siddert voor de Juni-aardbeving, terwijl de daarop volgende nederlagen van de hogere klassen zo goedkoop worden gekocht, dat zij de brutale overdrijving van de kant van de overwinnende partij nodig hebben, om ook maar voor gebeurtenissen door te kunnen gaan en des te smadelijker worden, hoe verder de verliezende partij van de proletarische partij is verwijderd.
De nederlaag van de Juni-opstandelingen had nu weliswaar het terrein voorbereid, geëffend, waarop de burgerlijke republiek kon worden gevestigd en opgebouwd; maar zij had tegelijkertijd getoond, dat het in Europa om andere vraagstukken gaat, dan om ‘republiek of monarchie’. Zij had aan het licht gebracht dat de burgerlijke republiek hier het onbeperkte despotisme van één klasse over andere klassen betekent. Zij had bewezen, dat in de oude geciviliseerde landen met een ontwikkelde klassenformatie, met moderne productievoorwaarden en met een geestelijk bewustzijn, waarin alle overgeleverde ideeën door eeuwenlange arbeid zijn opgelost, de republiek in het algemeen slechts de politieke omwentelingsvorm van de burgerlijke maatschappij betekent en niet haar conservatieve levensvorm, zoals b.v. in de Verenigde Staten van Noord-Amerika, waar weliswaar reeds klassen bestaan, maar waar zij nog geen vaste vorm hebben aangenomen, doch in gestadige beweging voortdurend hun bestanddelen wisselen en aan elkaar afstaan. Waar de moderne productiemiddelen, in plaats van met een stagnerende overbevolking samen te vallen, veeleer het relatief tekort aan hoofden en handen vervangen en waar tenslotte de koortsachtig jeugdige beweging van de materiële productie, die zich een nieuwe wereld eigen moet maken, noch de tijd noch de gelegenheid liet om de oude geestenwereld af te schaffen.
Alle klassen en partijen hadden zich gedurende de Juni-dagen in de partij van de orde verenigd tegenover de proletarische klasse als de partij van de anarchie, van het socialisme, van het communisme. Zij hadden de maatschappij ‘gered’ van de ‘vijanden van de maatschappij’. Zij hadden de parolen van de oude maatschappij, ‘eigendom, gezin, godsdienst, orde’ als parolen aan hun leger gegeven en de contrarevolutionaire kruistocht toegeroepen: ‘in dit teken zult gij overwinnen!’ Vanaf dit ogenblik, zodra er zich van de talrijke partijen, die zich in dit teken tegen de Juni-opstandelingen hadden verenigd, één partij in haar eigen klassenbelang in het revolutionaire strijdperk tracht te handhaven, moet zij zwichten voor de kreet: ‘eigendom, gezin, godsdienst, orde’. De maatschappij wordt even vaak gered, als de kring van de heersers nauwer wordt, als er een meer exclusief belang tegenover een groter belang wordt gehandhaafd. Iedere eis van de meest eenvoudige burgerlijke financiële hervorming, van het meest gewone liberalisme, van het formeelste republicanisme, van de platste democratie, wordt onmiddellijk als een ‘aanslag’ op de maatschappij bestraft en als ‘socialisme’ gebrandmerkt. En tenslotte worden de hogepriesters van de ‘religie van de orde’ zelf met een trap uit hun Pythiastoelen verjaagd, bij nacht en ontij van hun bedden gelicht, in gevangeniswagens gestopt, in de kerker geworpen of in ballingschap gestuurd, hun tempel wordt met de grond gelijk gemaakt, hun wordt de mond gesnoerd, hun pen gebroken, hun wet verscheurd in naam van de godsdienst, van de eigendom, van het gezin, van de orde. Burgerlijke fanatici van de orde worden op hun balkons door troepen dronken soldaten overhoop geschoten, hun familieheiligdom wordt ontwijd, hun huizen worden voor tijdverdrijf gebombardeerd - in naam van de eigendom, van het gezin, van de godsdienst en van de orde. Het uitschot van de burgerlijke maatschappij vormt tenslotte de heilige falanx van de orde en held Crapulinsky [11] neemt als de ‘redder van de maatschappij’ zijn intrek in de Tuilerieën. [12]
Laat ons de draad van de ontwikkeling weer opnemen.
De geschiedenis van de Constituerende Nationale Vergadering sinds de Juni-dagen is de geschiedenis van de heerschappij en van het uiteenvallen van de republikeinse fractie van de bourgeoisie, van die fractie welke bekend staat onder de naam van driekleur-republikeinen, zuivere republikeinen, politieke republikeinen, formalistische republikeinen enz.
Zij had onder de burgerlijke monarchie van Louis Philippe de officiële republikeinse oppositie gevormd en was derhalve een erkend bestanddeel van de toenmalige politieke wereld. Zij had haar vertegenwoordigers in de kamers en een belangrijke invloedssfeer in de pers. Haar Parijse orgaan, de National [13], gold op zijn manier als even respectabel als de Journal des Débats [14]. Deze plaats kwam onder de constitutionele monarchie met haar karakter overeen. Dit was geen fractie van de bourgeoisie, bijeengehouden door grote gemeenschappelijke belangen en afgebakend door bijzondere productieverhoudingen. Het was een coterie van republikeins gezinde bourgeois, schrijvers en advocaten, officieren en ambtenaren, wier invloed op de persoonlijke antipathieën van het land tegen Louis Philippe, op herinneringen aan de oude republiek, op het republikeinse geloof van een aantal dwepers, bovenal echter op het Franse nationalisme berustte, welks haat tegen de verdragen van Wenen en tegen de alliantie met Engeland zij voortdurend wakker hield. Een groot gedeelte van de aanhang, die de National onder Louis Philippe bezat, had zij aan dit verkapte imperialisme te danken, dat uit dien hoofde later, onder de republiek, in de persoon van Louis Bonaparte, als een vernietigende concurrent tegenover haar kon komen te staan. Zij bestreed de financiers-aristocratie, zoals de gehele overige burgerlijke oppositie dat deed. De polemiek tegen de begroting, die in Frankrijk nauw met de bestrijding van de financiers-aristocratie was verbonden, verschafte een te goedkope populariteit en een te rijke stof voor puriteinse leading articles [15] om niet te worden uitgebuit. De industriële bourgeoisie was haar dankbaar voor haar slaafse verdediging van het Franse stelsel van beschermende rechten, dat zij intussen meer uit nationale dan uit politiek-economische overwegingen aanvaardde, de gehele bourgeoisie voor haar hatelijke denunciaties van het communisme en het socialisme. Overigens was de partij van de ‘National’ zuiver republikeins, d.w.z. zij eiste een republikeinse in plaats van een monarchistische vorm van de bourgeois-heerschappij en bovenal haar leeuwendeel aan deze heerschappij. De voorwaarden van deze politieke verandering waren haar volstrekt niet duidelijk. Wat daarentegen glashelder voor haar was en wat op de hervormingsbanketten in de laatste dagen van Louis Philippe openlijk werd verklaard, dat was haar onpopulariteit bij de democratische kleinburgers en vooral bij het revolutionaire proletariaat. Deze zuivere republikeinen stonden, zoals dat bij zuivere republikeinen het geval pleegt te zijn, dan ook reeds op het punt om voorlopig genoegen te nemen met een regentschap van de hertogin van Orleans toen de Februari-revolutie uitbrak en aan hun bekendste vertegenwoordigers een plaats in de Voorlopige Regering toewees. Zij bezaten natuurlijk van meet af aan het vertrouwen van de bourgeoisie en van de meerderheid der Constituerende Nationale Vergadering. De socialistische elementen van de Voorlopige Regering werden terstond uit de Uitvoerende Commissie, die de Nationale Vergadering bij haar bijeenkomst vormde, uitgesloten en de partij van de National gebruikte het uitbreken van de Juni-opstand om ook de Uitvoerende Commissie af te schaffen en zich daarmede van haar naaste rivalen, de kleinburgerlijke of democratische republikeinen (Ledru-Rollin enz.) te ontdoen. Cavaignac, de generaal van de burgerlijk-republikeinse partij, die in die Juni-slag het bevel voerde, nam met een soort dictatoriale macht de plaats van de Uitvoerende Commissie in. Marrast, vroeger hoofdredacteur van de National, werd permanente voorzitter van de Constituerende Nationale Vergadering en de ministeries, evenals alle andere belangrijke posten, vielen aan de zuivere republikeinen ten deel.
De republikeinse bourgeoisfractie, die zich sinds lange tijd als die legitieme erfgenaam van de Juli-monarchie had beschouwd, zag zich op deze wijze in haar ideaal overtroffen, maar zij kwam niet door een liberale opstand van de bourgeoisie tegen de troon aan de macht, zoals zij dit onder Louis Philippe had gedroomd, maar door een met wapengeweld bedwongen opstand van het proletariaat tegen het kapitaal. Wat zij zich als de meest revolutionaire gebeurtenis had voorgesteld, bleek in werkelijkheid de meest contrarevolutionaire gebeurtenis te zijn. De vrucht viel haar in de schoot, maar zij viel van de boom der kennis, niet van de boom des levens.
De uitsluitende heerschappij van de burgerlijke republikeinen duurde slechts van 24 juni tot 10 december 1848. Men kan haar samenvatten in het opstellen van een republikeinse Constitutie en in de staat van beleg in Parijs.
De nieuwe Constitutie was in de grond slechts een ver-republikeinste uitgave van het constitutionele charter van 1830. De beperkte kiescensus van de Juli-monarchie, die zelfs een groot gedeelte van de bourgeoisie van de politieke macht uitsloot, was onverenigbaar met het bestaan van de burgerlijke republiek. De Februari-revolutie had terstond in plaats van deze census het directe, algemene kiesrecht geproclameerd. De burgerlijke republikeinen konden deze gebeurtenis niet ongedaan maken. Zij moesten er genoegen mee nemen, om er de beperkende bepaling van een zesmaandelijks domicilie op de plaats van de verkiezing aan toe te voegen. De oude organisatie van het bestuur, het gemeentewezen, de rechtspraak, het leger enz. bleef onaangetast bestaan, of waar de Constitutie die veranderde, betrof de verandering de inhoudsopgave en niet de inhoud, de naam en niet de zaak.
De onvermijdelijke generale staf van de vrijheden van 1848, de vrijheid van persoon, van drukpers, van het woord, van vereniging en vergadering, van onderwijs en religie enz., kreeg een constitutionele uniform, die haar onkwetsbaar maakte. Ieder van deze vrijheden wordt nl. als het onvoorwaardelijke recht van de Franse burger geproclameerd, maar steeds met de kanttekening dat zij onbeperkt is, voorzover zij niet door de ‘gelijke rechten van anderen en de openbare veiligheid’ wordt beperkt, of door ‘wetten’ die juist deze harmonie van de individuele vrijheden onder elkaar en met de openbare veiligheid moeten tot stand brengen. B.v.: “De burgers hebben het recht zich te associëren, vreedzaam en ongewapend bijeen te komen, te petitioneren en hun meningen in de pers of op welke andere wijze dan ook uit te drukken. Het genot van deze rechten heeft geen andere beperking dan de gelijke rechten van anderen en de openbare veiligheid.” Hoofdstuk II van de Franse Constitutie, par. 8.) - “Het onderwijs is vrij. De vrijheid van onderwijs moet worden genoten onder de voorwaarden die door de wet zijn vastgesteld en onder het oppertoezicht van de staat”. (Ibidem, par. 9.) - “De woning van iedere burger is onschendbaar behalve onder vormen, die door de wet worden voorgeschreven”. (Hoofdstuk II, par. 3.) Enz. enz. - De Constitutie verwijst daarom voortdurend naar toekomstige organische wetten, die die kanttekeningen moeten verwezenlijken en het genot van deze onbeperkte vrijheden zo moeten regelen, dat zij noch met elkaar, noch met de openbare veiligheid in botsing komen. En later werden deze organische wetten door de vrienden van de orde in het leven geroepen en al die vrijheden zo geregeld dat de bourgeoisie bij het gebruikmaken daarvan niet door de gelijke rechten van de andere klassen wordt gehinderd. Waar zij voor ‘de anderen’ deze vrijheden geheel opheft of het genot daarvan toestaat onder voorwaarden, die evenveel politievalstrikken zijn, gebeurde dit steeds alleen maar in het belang van de ‘openbare veiligheid’, d.w.z. van de veiligheid van de bourgeoisie, zoals de Constitutie dit voorschrijft. Beide kanten beroepen zich in het vervolg derhalve volkomen terecht op de Constitutie, zowel de vrienden van de orde, die al deze vrijheden ophieven, als de democraten, die ze allen terugeisten. Iedere paragraaf van de Constitutie bevat nl. zijn eigen antithese, zijn eigen hoger- en lagerhuis en wel in de algemene frase de vrijheid, in de kanttekening de opheffing van de vrijheid. Zolang dus de naam van de vrijheid werd gerespecteerd en alleen de werkelijke uitvoering daarvan werd verhinderd, langs wettige weg natuurlijk, bleef het constitutionele bestaan van de vrijheid ongeschonden, onaangetast, hoezeer haar reële bestaan dan ook om hals mocht zijn gebracht.
Deze op zulk een zinrijke wijze onaantastbaar gemaakte Constitutie was intussen, evenals Achilles, op één punt kwetsbaar, niet aan de hiel, maar aan het hoofd of veeleer aan de twee hoofden, waarin zij uitliep - de Wetgevende Vergadering enerzijds, de president anderzijds. Men zie de Constitutie slechts vluchtig door en men zal zien dat alleen de paragrafen waarin de verhouding van de president tot de Wetgevende Vergadering wordt bepaald, absoluut, positief, zonder tegenspraak en niet te verdraaien zijn. Hier gold het namelijk voor de burgerlijke republikeinen om zichzelf te dekken. De paragrafen 45-70 van de Constitutie zijn zo geformuleerd dat de Nationale Vergadering de president constitutioneel kan afzetten, maar dat de president de Nationale Vergadering alleen maar op inconstitutionele wijze kan opheffen, alleen door de Constitutie zelf op te heffen. Hier provoceert zij dus haar gewelddadige vernietiging. Zij heiligt niet alleen evenals het Charter van 1830 de verdeling van die machten, zij breidt die ook uit tot een onverdraaglijke tegenspraak. Het spel van de constitutionele machten, zoals Guizot het parlementaire gekrakeel tussen de wetgevende en de uitvoerende macht noemde, speelt in de Constitutie van 1848 voortdurend va banque. Aan de ene kant 750 door algemeen kiesrecht gekozen en herkiesbare volksvertegenwoordigers, die een niet te controleren, niet te ontbinden, ondeelbare Nationale Vergadering vormen, een Nationale Vergadering, die wetgevende almacht geniet, in laatste instantie over oorlog, vrede en handelsverdragen beslist, alléén het recht van amnestie bezit en door haar permanentie voortdurend de voorgrond van het toneel inneemt. Aan de andere kant de president, met alle attributen van de koninklijke macht, met de bevoegdheid om zijn ministers onafhankelijk van de Nationale Vergadering te benoemen en af te zetten, met alle middelen van de uitvoerende macht in handen, die alle functionarissen benoemt en daardoor in Frankrijk over het bestaan van minstens 1½ miljoen mensen beslist, want zoveel mensen zijn er met de 500.000 ambtenaren en met de officieren van alle rangen verbonden. Hij heeft de gehele gewapende macht achter zich. Hij geniet het privilegie aan afzonderlijke misdadigers amnestie te verlenen, Nationale Gardes te schorsen, de door de burgers zelf gekozen generale-, kantonnale- en gemeenteraden, met instemming van de staatsraad, af te zetten. Initiatief en leiding bij alle verdragen met het buitenland zijn hem voorbehouden. Terwijl de Vergadering voortdurend op het toneel optreedt en aan de dagelijkse openlijke kritiek is blootgesteld, leidt hij een verborgen leven op de Elysese-velden en wel met artikel 45 van de Constitutie voor ogen en in het hart, dat hem dagelijks toeroept: “Frère, il faut mourir!” [16] Je macht eindigt op de tweede zondag van de mooie maand mei in het vierde jaar na je verkiezing! Dan is de heerlijkheid ten einde, het stuk wordt niet tweemaal opgevoerd en als je schulden hebt, zorg er dan bijtijds voor dat je ze met de door de Constitutie aan je toegekende 600.000 francs afbetaalt, als je tenminste niet verkiest op de tweede maandag van de mooie maand mei naar Clichy [17] te verhuizen! - Terwijl de Constitutie de feitelijke macht op deze wijze aan de president toekent, tracht zij de Nationale Vergadering de morele macht te verzekeren. Afgezien van het feit dat het onmogelijk is door wetsparagrafen een morele macht te scheppen, heft de Constitutie zich hierin zelf weer op, daar zij de president van alle Fransen door het directe kiesrecht laat kiezen. Terwijl de stemmen van Frankrijk zich over de 750 leden van de Nationale Vergadering versnipperen, concentreren zij zich daarentegen hier op één individu. Terwijl iedere afzonderlijke volksvertegenwoordiger alleen maar deze of gene partij, deze of gene stad, dit of dat bruggenhoofd of zij het ook alleen maar de noodzakelijkheid vertegenwoordigt om een willekeurig persoon van de zevenhonderdvijftig te kiezen, waarbij men noch de zaak, noch de persoon zo nauwkeurig bekijkt, is hij de gekozene van de natie en de daad van zijn verkiezing is de grote troef die het soevereine volk elke vier jaar eenmaal uitspeelt. De gekozen Nationale Vergadering staat in een metafysische, de gekozen president echter in een persoonlijke verhouding tot de natie. De Nationale Vergadering vertegenwoordigt wel in haar afzonderlijke vertegenwoordigers de menigvuldige kanten van de nationale geest, maar in de president incarneert deze zich. Tegenover de Vergadering bezit hij een soort van goddelijk recht, hij bestaat bij de gratie van het volk.
Thetis, de godin van de zee, had Achilles voorspeld dat hij in de bloei van zijn jeugd zou sterven. De Constitutie, die evenals Achilles haar kwetsbare plek heeft, had evenals Achilles ook het voorgevoel dat zij een vroege dood moest sterven. Het was voor de constituerende zuivere republikeinen voldoende om uit de wolkenhemel van hun ideale republiek een blik te werpen op de profane wereld, om in te zien hoe de overmoed van de royalisten, de bonapartisten, de democraten, de communisten en hun eigen diskrediet dagelijks stegen; naar gelang dat zij de voleindiging van hun groot wetgevend kunstwerk naderden, zonder dat uit dien hoofde Thetis de zee behoefde te verlaten en hun het geheim mee te delen. Zij trachtten het noodlot op constitutioneel-slimme wijze te verschalken, door middel van Paragraaf III van de Constitutie, volgens welke ieder voorstel tot grondwetsherziening in drie opeenvolgende debatten, waartussen steeds een gehele maand moet liggen, minstens driekwart van de stemmen op zich moet verenigen en bovendien onder de voorwaarde dat niet minder dan 500 leden van de Nationale Vergadering aan de stemming deelnemen. Daarmee deden zij alleen maar een machteloze poging om nog als parlementaire minderheid; in welke hoedanigheid zij zich reeds profetisch in gedachten zagen, een macht uit te oefenen, die op dit ogenblik, waarop zij over de parlementaire meerderheid en over alle middelen van de regeringsmacht beschikten, dagelijks meer aan hun zwakke handen ontgleed.
Tenslotte vertrouwt de Constitutie zichzelf in een melodramatische paragraaf aan “de waakzaamheid en het patriottisme van het gehele Franse volk en van iedere afzonderlijke Fransman” toe, nadat zij van te voren reeds in een andere paragraaf de ‘waakzamen’ en de ‘patriottisch gezinden’ aan de zachte, strafrechtelijke oplettendheid van het door haarzelf uitgevonden hoge gerechtshof, ‘haute cour’, had toevertrouwd.
Dat was de Constitutie van 1848, die op 2 december 1851 niet door een hoofd werd omvergeworpen, maar die omviel bij de aanraking met een hoed alleen; weliswaar was deze hoed een driekante Napoleonsteek.
Terwijl de bourgeois-republikeinen in de Vergadering er mede bezig waren, deze Constitutie uit te piekeren, te bediscussiëren en te voteren, hield Cavaignac buiten de Vergadering de staat van beleg in Parijs in stand. De staat van beleg in Parijs was de vroedvrouw van de Constituante bij haar republikeinse barensweeën. Als de grondwet later door de bajonetten uit de weg wordt geruimd, dan mag men niet vergeten, dat zij eveneens door bajonetten, en wel door tegen het volk gerichtte bajonetten, reeds in het moederlijf beschermd en door bajonetten ter wereld moest worden gebracht. De voorvaderen van de ‘fatsoenlijke republikeinen’ hadden hun symbool, de driekleur, de tocht door Europa laten maken. Zij hunnerzijds deden ook een uitvinding, die vanzelf haar weg over het gehele vasteland vond, maar die met steeds hernieuwde liefde naar Frankrijk terugkeerde, totdat zij nu in de helft van zijn departementen burgerrecht heeft gekregen - de staat van beleg. Een uitmuntende uitvinding, periodiek toegepast bij iedere volgende crisis in de loop van de Franse revolutie. Maar kazerne en bivak, die men zo de Franse maatschappij periodiek op het hoofd legde, om haar de hersenen samen te persen en haar rustig te houden; sabels en musketten, die men periodiek liet rechtspreken en besturen, voogdij en censuur uitoefenen, politie- en nachtwakersdienst liet verrichten; knevels en soldatenjas, die men periodiek als de hoogste wijsheid van de maatschappij en als rector van de maatschappij uitbazuinde - moesten kazerne en bivak, sabels en musketten, knevels en soldatenjas tenslotte niet op de idee komen, liever eens vooral de maatschappij te redden, door hun eigen regime als het hoogste uit te roepen en de burgerlijke maatschappij geheel van de zorg te bevrijden, zichzelf te regeren? Kazerne en bivak, sabels en musketten, knevels en soldatenjas moesten des te eerder op dit idee komen omdat zij dan ook een betere contante betaling voor hun verhoogde verdienste konden verwachten, terwijl er bij de slechts periodieke staat van beleg en het kortstondig redden van de maatschappij op bevel van deze of gene burgerlijke fractie weinig tastbaars afviel, behalve enige doden en gewonden en enige vriendelijke burger-grimassen. Moesten de militairen niet eindelijk ook eens in hun eigen belang en voor hun eigen belang staat van beleg spelen en tegelijkertijd de burgerlijke beurzen belegeren? Men vergeten trouwens niet, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, dat kolonel Bernard, dezelfde president van de militaire commissies, die onder Cavaignac 15.000 opstandelingen zonder rechterlijke uitspraak aan deportatie hielp, op dit ogenblik weer aan het hoofd van de in Parijs werkzame militaire commissies in actie is.
Wanneer de fatsoenlijke, de zuivere republikeinen met de staat van beleg in Parijs de kweekplaats hadden aangelegd waarin de pretorianen [18] van de 2e december 1851 moesten opgroeien, dan verdienen zij daarentegen het pluimpje, dat zij in plaats van zoals onder Louis Philippe het nationale gevoel te overdrijven, thans nu zij over de nationale macht geboden, voor het buitenland kruipen en in plaats van Italië te bevrijden, het door de Oostenrijkers en Napolitanen weer laten heroveren. De verkiezing van Louis Bonaparte tot president op 10 december 1848 maakte een eind aan de dictatuur van Cavaignac en van de Constituante.
In paragraaf 44 van de Constitutie wordt gezegd: “De president van de Franse republiek mag nooit zijn eigenschap van Frans burger hebben verloren”. De eerste president van de Franse republiek, L. N. Bonaparte, had niet alleen zijn eigenschap van Frans burger verloren, was niet alleen in Engeland special constable [19] geweest, hij was zelfs een genaturaliseerde Zwitser.
Ik heb op een andere plaats de betekenis van de verkiezing van 10 december uiteengezet. Ik kom er hier niet op terug. Hier is het voldoende op te merken, dat zij een reactie was van de boeren, die de kosten van de Februari-revolutie hadden moeten betalen, tegen de overige klassen van de natie, een reactie van het platteland tegen de stad. De verkiezing vond grote weerklank in het leger, waaraan de republikeinen van de National roem noch toelage hadden verschaft, bij de grote bourgeoisie, die Bonaparte als een brug voor de monarchie, bij de proletariërs en de kleinburgers, die hem als een karwats voor Cavaignac begroetten. Ik zal later gelegenheid vinden op de verhouding van de boeren tot de Franse revolutie nader in te gaan.
Het tijdvak van 20 december 1848 tot de ontbinding van de Constituante in mei 1849 omvat de geschiedenis van de ondergang van de bourgeois-republikeinen. Nu zij een republiek voor de bourgeoisie hebben gesticht, het revolutionaire proletariaat van het terrein hebben verdreven en de democratische kleine burgerij voorlopig tot zwijgen hebben gebracht, worden zij zelf op zij geschoven door de massa van de bourgeoisie, die terecht op deze republiek als op haar eigendom beslag legt. Deze massa van de bourgeoisie was echter royalistisch. Een deel daarvan, de grootgrondbezitters, had onder de Restauratie de heerschappij uitgeoefend en was derhalve legitimistisch. [20] Het andere deel, de geldaristocraten en de grootindustriëlen, had onder de Juli-monarchie de heerschappij uitgeoefend en was derhalve orleanistisch [21] gezind. De grootwaardigheidsbekleders van het leger, de universiteit, de kerk, van de balie van de advocaten, de Academie en de pers waren over beide zijden verdeeld, zij het ook in een verschillende verhouding. Hier in de burgerlijke republiek, die noch de naam Bourbon, noch de naam Orleans, maar de naam kapitaal droeg, hadden zij de staatsvorm gevonden waaronder zij gemeenschappelijk de heerschappij konden uitoefenen. Reeds de Juni-opstand had hen in de ‘partij van de orde’ verenigd. Thans kwam het er in de eerste plaats op aan, om de coterie van de burgerlijke republikeinen uit de weg te ruimen, die de zetels in de Nationale Vergadering nog bezet hield. Zo bruut als deze zuivere republikeinen tegenover het volk het fysieke geweld hadden misbruikt, zo laf, schuchter, moedeloos, gebroken, tot strijden niet in staat, weken zij terug, nu het gold tegenover de uitvoerende macht en de royalisten hun republikeinse gezindheid en hun wetgevend recht te handhaven. Ik behoef hier niet de smadelijke geschiedenis van hun ontbinding te vertellen. Het was een vergaan, geen ondergang. Hun geschiedenis had haar rol voorgoed uitgespeeld en in de volgende periode figureren zij, hetzij binnen of buiten de Vergadering, nog alleen maar als herinneringen, herinneringen die weer levend schijnen te worden zodra er weer sprake is van de naam republiek alleen en zo vaak als het revolutionaire conflict tot het laagste peil dreigt te dalen. In het voorbijgaan merk ik op dat het blad dat aan deze partij zijn naam gaf, de National, zich in de volgende periode tot het socialisme bekeert.
Voordat wij deze periode afsluiten, moeten wij nog een terugblik werpen op de beide machten, waarvan de een de ander op 2 december 1851 vernietigt, terwijl zij van 20 december 1848 tot aan de ontbinding van de Constituante in een huwelijksverhouding hadden geleefd. Wij bedoelen Louis Bonaparte enerzijds en de partij van de gecoaliseerde royalisten, van de orde, van de grote bourgeoisie anderzijds. Bij de aanvaarding van zijn ambt als president vormde Bonaparte terstond een ministerie uit de partij van de orde, aan welks hoofd hij Odilon Barrot plaatste, nota bene de oude leider van de meest liberale fractie van de parlementaire bourgeoisie. De heer Barrot had eindelijk het ministerie gekregen, welks spookbeeld hem sinds 1830 vervolgde, en nog meer, het voorzitterschap in dit ministerie. Maar niet zoals hij dat zich onder Louis Philippe had voorgesteld, als de meest vooruitstrevende chef van de parlementaire oppositie, maar met de taak om een parlement dood te maken en als bondgenoot van al zijn aartsvijanden, de jezuïeten en de legitimisten. Hij voerde eindelijk de bruid naar zijn huis, maar eerst nadat zij geprostitueerd was. Bonaparte zelf eclipseerde schijnbaar volkomen. Deze partij handelde voor hem.
Reeds in de eerste zitting van de ministerraad werd tot de expeditie naar Rome besloten, die men achter de rug van de Nationale Vergadering om besloot uit te voeren en waarvoor men de middelen onder valse voorwendselen aan de Vergadering besloot te ontrukken. Zo begon men met een afzetterij van de Nationale Vergadering en met een geheime samenzwering met de absolute mogendheden in het buitenland tegen de revolutionaire Romeinse republiek. Bonaparte bereidde op dezelfde wijze en met dezelfde manoeuvres zijn coup van de 2e december tegen de royalistische Wetgevende Vergadering en haar constitutionele republiek voor. Vergeten wij niet dat dezelfde partij, die op 20 december 1848 Bonaparte’s ministerie vormde, op 2 december 1851 de meerderheid in de Wetgevende Nationale Vergadering bezat.
De Constituante had in augustus besloten zichzelf pas te ontbinden nadat zij een gehele reeks van organische wetten, die de Constitutie moesten aanvullen, had uitgewerkt en afgekondigd. De partij van de orde liet haar door de vertegenwoordiger Rateau op 6 januari 1849 voorstellen, om de organische wetten te laten schieten en veeleer tot haar eigen ontbinding te besluiten. Niet alleen het ministerie met de heer Odilon Barrot aan het hoofd, maar ook alle royalistische leden van de Nationale Vergadering snauwden haar op dat ogenblik toe dat haar ontbinding voor het herstel van het krediet, voor de consolidatie van de orde, noodzakelijk was, ten einde de onbepaalde voorlopige toestand te beëindigen en een definitieve toestand in het leven te roepen. Dat zij de productiviteit van de nieuwe regering in de weg stond, dat zij haar bestaan slechts uit rancune trachtte te rekken en dat het land genoeg van haar had. Bonaparte noteerde al deze uitvallen tegen de wetgevende macht, leerde ze uit het hoofd en bewees de parlementairen royalisten op 2 december 1851 dat hij van hen had geleerd. Hij herhaalde hun eigen leuzen tegen hen.
Het ministerie Barrot en de partij van de orde gingen verder. Zij riepen in geheel Frankrijk petities aan de Nationale Vergadering in het leven, waarin deze op de allervriendelijkste wijze werd verzocht te verdwijnen. Zo brachten zij tegen de Nationale Vergadering, tegen de constitutioneel georganiseerde uitdrukking van het volk, zijn niet-georganiseerde massa’s in het vuur. Zij leerden Bonaparte om uit de parlementaire vergaderingen een beroep te doen op het volk. Eindelijk, op 29 januari 1849 was de dag gekomen, waarop de Constituante een besluit moest nemen over haar eigen ontbinding. De Nationale Vergadering vond haar zittingsgebouw door militairen bezet. Changarnier, de generaal van de partij van de orde, in wiens handen het opperbevel over de Nationale Garde en over de linietroepen was verenigd, hield een grote wapenschouw van de troepen in Parijs, alsof er een veldslag te wachten stond en de gecoaliseerde royalisten verklaarden de Constituante dreigend dat men geweld zou gebruiken wanneer zij niet gewillig was. Zij was gewillig en door onderhandelingen slaagde zij er slechts in nog een zeer korte levenstermijn te verkrijgen. Wat was 29 januari anders dan de coup d’etat van 2 december 1851 alleen uitgevoerd door de royalisten met Bonaparte tegen de republikeinse Nationale Vergadering? De heren bemerkten niet of wilden niet bemerken dat Bonaparte 29 januari 1849 gebruikte om een deel van de troepen voor de Tuilerieën aan zich voorbij te laten defileren en dat hij juist dit eerste openbare vertoon van de militaire macht tegen de parlementaire macht begerig aangreep om de Caligula aan te duiden. Weliswaar zagen zij alleen hun Changarnier.
Een motief dat de partij van de orde er nog in het bijzonder toe bewoog om de levensduur van de Constituante met geweld te verkorten, waren de organische wetten die de Constitutie moesten aanvullen, zoals de onderwijswet, de wet op de eredienst, enz. Het was voor de gecoaliseerde royalisten van het grootste belang om deze wetten zelf te maken en ze niet door de wantrouwend geworden republikeinen te laten maken. Onder deze organische wetten bevond zich intussen ook een wet op de verantwoordelijkheid van de president van de republiek. In 1851 was de Wetgevende Vergadering juist bezig zulk een wet te maken toen Bonaparte deze coup door de coup van de 2e december voorkwam. Wat zouden de gecoaliseerde royalisten in hun parlementaire wintercampagne van 1851 er niet voor hebben gegeven wanneer zij de wet op de verantwoordelijkheid klaar hadden aangetroffen en wel gemaakt door een wantrouwige, vijandige, republikeinse vergadering.
Nadat de Constituante op 29 januari 1849 zelf haar laatste wapen had gebroken, joegen het ministerie Barrot en de vrienden van de orde haar in de dood, lieten niets ongedaan wat haar kon deemoedigen en persten haar aan zichzelf vertwijfelende zwakheid wetten af, die haar bij het publiek de laatste rest van achting kostten. Bonaparte, in beslag genomen door zijn Napoleon idee-fixe, was brutaal genoeg om deze vernedering van de parlementaire macht in het openbaar te exploiteren. Toen namelijk de Nationale Vergadering op 8 mei 1849 tegen het ministerie een motie van afkeuring aannam, wegens de bezetting van Civitavecchia door Oudinot en beval de expeditie naar Rome tot haar vermeende doel terug te brengen, publiceerde Bonaparte dezelfde avond in de Moniteur een brief aan Oudinot, waarin hij hem met zijn heldendaden geluk wenste en zich in tegenstelling tot de pennenlikkende parlementariërs, reeds voordeed als de grootmoedige beschermheer van het leger. De royalisten glimlachten daarover. Zij hielden hem eenvoudig voor hun dupe. Tenslotte, toen Marrast, de voorzitter van de Constituante, een ogenblik meende dat de veiligheid van de Nationale Vergadering in gevaar was en steunend op de Constituante een kolonel met zijn regiment rekruteerde, weigerde de kolonel, beriep zich op de discipline en verwees Marrast naar Changarnier, die hem honend afwees met de opmerking dat hij niet van baïonettes-intelligentes [22] hield. Toen de gecoaliseerde royalisten in november 1851 de beslissende strijd tegen Bonaparte wilden beginnen, trachtten zij in hun beruchte quaestorenbill het beginsel van de troepenrequisitie rechtstreeks door de president van de Nationale Vergadering er door te krijgen. Een van hun generaals, Le Flô, had het wetsvoorstel ondertekend. Tevergeefs stemde Changarnier voor het voorstel en huldigde Thiers de voorzichtige wijsheid van de vroegere Constituante. De minister van oorlog, St. Arnaud, antwoordde hem, zoals Changarnier Marrast had geantwoord en dat onder het applaus van de Montagne!
De partij van de orde had dus zelf, toen zij nog niet Nationale Vergadering, toen zij alleen nog maar ministerie was, het parlementaire regime gebrandmerkt. En zij heft een geschreeuw aan wanneer de 2e december 1851 het uit Frankrijk verbant!
Wij wensen het een gelukkige reis.
Op 28 mei 1849 [23] kwam de wetgevende Nationale Vergadering bijeen. Op 2 december 1851 werd zij uiteengejaagd. Deze periode omvat de levensduur van de constitutionele of parlementaire republiek.
In de eerste Franse revolutie volgt op de heerschappij van de constitutionelen de heerschappij van de Girondijnen en op de heerschappij van de Girondijnen de heerschappij van de Jacobijnen. Ieder van deze partijen steunt op de meer vooruitstrevende partij. Zodra zij de revolutie ver genoeg heeft gevoerd om haar niet meer te kunnen volgen, nog minder om aan het hoofd er van te kunnen gaan, wordt zij door de stoutmoediger bondgenoot, die achter haar staat, opzij geschoven en naar de guillotine gezonden. De revolutie beweegt zich aldus in opgaande lijn.
Het omgekeerde heeft plaats bij de revolutie van 1848. De proletarische partij verschijnt als een aanhangsel van de kleinburgerlijk-democratische partij. Zij wordt op 16 april, 15 mei en in de Juni-dagen door haar verraden en in de steek gelaten. De democratische partij harerzijds steunt op de schouders van de burgerlijk-republikeinse partij. Nauwelijks menen de burgerlijke republikeinen dat zij stevig staan, of zij schudden de lastige kameraad van zich af en steunen zelf op de schouders van de partij van de orde. De partij van de orde haalt haar schouders op, laat de burgerlijke republikeinen een buiteling maken en werpt zichzelf op de schouders van de gewapende macht. Zij meent nog op haar schouders te zitten als zij op een goede morgen bemerkt dat de schouders zich in bajonetten hebben veranderd. Iedere partij trapt achteruit naar de naar voren dringende partijen en naar voren leunend steunt zij op de achteruitdringende partij. Geen wonder dat zij in deze belachelijke positie het evenwicht verliest en na de onvermijdelijke grimassen te hebben gemaakt, onder zonderlinge bokkensprongen ineenstort. De revolutie beweegt zich aldus in dalende lijn. Zij bevindt zich in deze achterwaartse beweging, voordat de laatste Februari-barricade weggeruimd en de eerste revolutie-overheid ingesteld is.
De periode, die wij behandelen, omvat een allerbontst mengelmoes van schreeuwende tegenstellingen: constitutionelen, die openlijk tegen de Constitutie conspireren, revolutionairen, die zoals zij toegeven constitutioneel zijn, een Nationale Vergadering, die almachtig wil zijn en steeds parlementair blijft. Een Montagne, die in het dulden haar roeping vindt en door de voorspelling van toekomstige overwinningen haar tegenwoordige nederlagen pareert; royalisten, die de patres conscripti [24] van de republiek vormen en door de situatie gedwongen worden om de vijandelijke koningshuizen, die zij aanhangen, buiten het land en de republiek, die zij haten, in Frankrijk te steunen; een uitvoerende macht, die in haar zwakheid zelf haar kracht en in de verachting, die zij inboezemt, haar respectabiliteit vindt; een republiek, die niets anders is dan de gecombineerde eerloosheid van twee monarchieën, van de Restauratie en van de Juli-monarchie, met een imperialistisch etiket - verbindingen, welker eerste clausule scheiding, strijd, welks eerste wet besluiteloosheid is, in naam van de rust woeste agitatie zonder inhoud, in naam van de revolutie het plechtigste prediken van rust, hartstochten zonder waarheid, waarheden zonder hartstocht, helden zonder heldendaden, geschiedenis zonder gebeurtenissen; een ontwikkeling welker enige drijfkracht de kalender schijnt, afmattend door een voortdurende herhaling van dezelfde spanningen en ontspanningen; tegenstellingen die zichzelf periodiek slechts omhoog schijnen te drijven, om zich af te stompen en ineen te storten zonder zich te kunnen oplossen; pretentieus ten toon gespreide inspanningen en burgerlijke schrik voor het gevaar van de ondergang van de wereld, terwijl er tegelijkertijd door de redders van de wereld de meest kleingeestige intriges en hofkomedies worden opgevoerd die in hun laisser aller [25] minder aan het jongste gericht, dan wel aan de tijden van de Fronde herinneren - het officiële collectieve genie van Frankrijk te schande gemaakt door de slimme domheid van één enkel individu. De collectieve wil van de natie, zo vaak hij in het algemeen kiesrecht tot uitdrukking komt, zijn passende uitdrukking zoekend in de oude vijanden van de belangen van de massa’s, totdat hij die eindelijk vindt in de eigenzinnigheid van een vrijbuiter. Wanneer ooit een geschiedenisperiode grauw op grauw is afgebeeld, dan is het deze. Mensen en gebeurtenissen verschijnen als omgekeerde Schlemihlen [26], als schaduwen die hun lichaam hebben verloren. De revolutie paralyseert haar eigen dragers en rust alleen maar haar tegenstanders met hartstochtelijk geweld uit. Wanneer het ‘rode spook’, voortdurend opgeroepen en gebannen door de contrarevolutionairen, eindelijk verschijnt, verschijnt het niet met de anarchistische Frygische muts op het hoofd, maar in de uniform van de orde, in de rode pofbroek.
Wij hebben gezien: het ministerie, dat Bonaparte op 20 december 1848, op de dag van zijn hemelvaart installeerde, was een ministerie van de partij van de orde, van de legitimistische en orleanistische coalitie. Dit ministerie Barrot-Falloux had de republikeinse Constituante, welker levensduur het min of meer met geweld verkortte, een winter overleefd en bevond zich nog aan het bewind. Changarnier, de generaal van de verbonden royalisten, verenigde bij voortduring in zijn persoon het opperbevel over de eerste militaire divisie en over de Parijse Nationale Garde. De algemene verkiezingen hadden tenslotte aan de partij van de orde de grote meerderheid in de Nationale Vergadering verzekerd. Hier ontmoetten de afgevaardigden en pairs van Louis Philippe een heilige schaar van legitimisten, voor wie talrijke stembiljetten van de natie zich in toegangskaarten voor het politieke toneel hadden veranderd. De bonapartistische volksvertegenwoordigers waren te dun gezaaid om een zelfstandige parlementaire partij te kunnen vormen. Zij verschenen slechts als de mauvaise queue [27] van de partij van de orde. Zo was de partij van de orde in het bezit van de regeringsmacht, van het leger en van het wetgevende lichaam, kortom van de gehele macht in de staat, moreel versterkt door de algemene verkiezingen, die haar heerschappij voor de wil van het volk lieten doorgaan en door de gelijktijdige overwinning van de contrarevolutie op het gehele Europese vasteland.
Nooit begon een partij haar veldtocht met groter middelen en onder gunstiger voortekens.
De zuivere republikeinen, die schipbreuk hadden geleden, bleken in de wetgevende Nationale Vergadering te zijn geslonken tot een kliek van ongeveer 50 man met de Afrikaanse generaals Cavaignac, Lamoricière en Bedeau aan het hoofd. De grote oppositiepartij evenwel werd door de Montagne gevormd. Deze parlementaire doopnaam had de sociaal-democratische partij aangenomen. Zij beschikte over meer dan 200 van de 750 stemmen van de Nationale Vergadering en was derhalve minstens even machtig als elk van de drie fracties van de partij van de orde afzonderlijk genomen. Haar relatieve minderheid scheen door bijzondere omstandigheden tegen de gehele royalistische coalitie op te wegen. De verkiezingen in de departementen toonden niet alleen dat zij een belangrijke aanhang onder de plattelandsbevolking had verkregen. Zij telde in haar gelederen bijna alle afgevaardigden van Parijs, het leger had door de keuze van drie onderofficieren een democratische geloofsbelijdenis afgelegd en de leider van de Montagne, Ledru-Rollin, was in tegenstelling tot alle vertegenwoordigers van de partij van de orde, door vijf departementen, die hun stemmen op hem hadden uitgebracht, in de parlementaire adelstand verheven. De Montagne scheen dus op 28 mei 1849, bij de onvermijdelijke botsingen tussen de royalisten onderling en tussen de gehele partij van de orde met Bonaparte, alle elementen van succes aan haar kant te hebben. Veertien dagen later had zij alles verloren, de eer daarbij inbegrepen.
Voordat wij de parlementaire geschiedenis verder nagaan, zijn er enige opmerkingen nodig om gebruikelijke vergissingen over het gehele karakter van het tijdvak, dat wij beschouwen, te vermijden. Beschouwd uit het democratisch oogpunt gaat het in het tijdvak van de wetgevende Nationale Vergadering om hetzelfde, waar het in het tijdvak van de Constituerende Vergadering om ging, enkel om de strijd tussen de republikeinen en de royalisten. De beweging zelf echter vatten zij in één leuze samen: ‘reactie’, nacht waarin alle katten grauw zijn en die hun toestaat hun nachtwakersgemeenplaatsen af te draaien. En zeker, op het eerste gezicht vertoont de partij van de orde een kluwen van verschillende royalistische fracties, die niet alleen tegen elkaar intrigeren om ieder hun eigen pretendent op de troon te verheffen en de pretendent van de tegenpartij uit te sluiten, maar zich ook allen verenigen in de gemeenschappelijke haat tegen en gemeenschappelijke aanvallen op de ‘republiek’. De Montagne schijnt van haar kant in tegenstelling tot deze royalistische samenzwering, de vertegenwoordigster van de ‘republiek’ te zijn. De partij van de orde schijnt zich voortdurend bezig te houden met een ‘reactie’, die zich niet meer en niet minder dan in Pruisen, tegen pers, vereniging enz. richt en evenals in Pruisen zich voltrekt in de vorm van ruwe politie inmenging van de bureaucratie, de gendarmerie en het parket. De Montagne houdt er zich van haar kant eveneens voortdurend mee bezig deze aanvallen af te slaan en zo de ‘eeuwige rechten van de mens’ te verdedigen, zoals iedere zogenaamde volkspartij dat sinds anderhalve eeuw in meer of mindere mate heeft gedaan. Bij een nadere beschouwing van de situatie en van de partijen verdwijnt evenwel deze oppervlakkige schijn, waarachter de klassenstrijd en de bijzondere fysionomie van deze periode schuilgaan.
Legitimisten en orleanisten vormden, zoals wij zeiden, de twee grote fracties van de partij van de orde. Was datgene, wat deze fracties aan hun pretendenten deed vasthouden en hen onderling van elkaar afhield, niets anders dan de lelie en de driekleur, het huis Bourbon en het huis Orleans, verschillende schakeringen van het royalisme, was het in het algemeen de geloofsbelijdenis van het royalisme? Onder de Bourbons had de grote grondeigendom geregeerd met zijn papen en lakeien, onder de Orleans de geldaristocratie, de grote industrie, de grote handel, d.w.z. het kapitaal met zijn gevolg van advocaten, professoren en mooipraters. Het legitieme koningschap was slechts de politieke uitdrukking voor de aangeërfde heerschappij van de heren van de grond, zoals de Juli-monarchie slechts de politieke uitdrukking was voor de geüsurpeerde heerschappij van de burgerlijke parvenu’s. Datgene, wat deze fracties dus van elkaar scheidde, dat waren geen zogenaamde principes, het waren hun materiële bestaansvoorwaarden, twee verschillende soorten van de eigendom, het was de oude tegenstelling tussen stad en land, de rivaliteit tussen kapitaal en grondeigendom. Dat tegelijkertijd oude herinneringen, persoonlijke vijandschap, vrees en hoop, vooroordelen en illusies, sympathieën en antipathieën, overtuigingen, geloofsartikelen en principes hen aan het een of andere koningshuis bonden, wie loochent dit? Op de verschillende vormen van de eigendom, op de sociale bestaansvoorwaarden verheft zich een hele bovenbouw van verschillende en eigenaardig gevormde gewaarwordingen, illusies, wijzen van denken en levensbeschouwingen. De gehele klasse schept en vormt die uit haar materiële grondslagen en uit de overeenkomstige maatschappelijke verhoudingen. Het afzonderlijke individu, bij wie deze gevoelens en opvattingen door traditie en opvoeding ontstaan, kan zich verbeelden dat zij de eigenlijke motieven en het uitgangspunt van zijn handelen vormen. Wanneer de orleanisten en legitimisten, iedere fractie zichzelf en anderen trachtte wijs te maken, dat de aanhankelijkheid aan hun twee koningshuizen hen scheidde, dan bewezen de feiten later dat veeleer hun verschillend belang de vereniging van de twee koningshuizen verbood. En zoals men in het particuliere leven verschil maakt tussen datgene wat een mens over zichzelf denkt en zegt en datgene wat hij werkelijk is en doet, zo moet men bij de historische strijd nog meer onderscheid maken tussen de frases en de inbeeldingen van de partijen en hun werkelijk organisme en werkelijke belangen, tussen hun voorstelling en hun werkelijkheid. Orleanisten en legitimisten bleken in de republiek naast elkaar te staan met dezelfde aanspraken. Wanneer iedere zijde tegen de andere de restauratie van zijn eigen koningshuis wilde tot stand brengen, dan betekende dit niets anders, dan dat de twee grote belangen, die de bourgeoisie splitsen - grondeigendom en kapitaal - ieder zijn eigen suprematie en de ondergeschiktheid van de ander trachtte te restaureren. Wij spreken over twee belangen van de bourgeoisie, want de grote grondeigendom was ondanks zijn feodale koketterie en zijn rassen-trots door de ontwikkeling van de moderne maatschappij volkomen verburgerlijkt. Zo hebben zich de Tories in Engeland lang verbeeld dat zij dweepten met de monarchie, de kerk en de schoonheden van de oude Engelse staatsregeling, totdat de dag van het gevaar hun de bekentenis ontrukte, dat zij alleen met de grondrente dweepten.
De gecoaliseerde royalisten voerden hun intrige tegen elkaar in de pers, in Ems, in Claremont, buiten het parlement. Achter de coulissen trokken zij hun oude orleanistische en legitimistische livreien weer aan en voerden zij hun oude tornooien weer op. Maar op het openbare toneel, in hun staatshandelingen naar buiten, als grote parlementaire partij, schepen zij hun respectievelijke koningshuizen met buigingen zonder meer af en verdagen zij de restauratie van de monarchie in infinitum. [28] Zij doen hun werkelijke werk als partij van de orde d.w.z. onder een maatschappelijke, niet onder een politieke titel, als vertegenwoordigers van de burgerlijke wereldorde, niet als ridders van dwalende prinsessen, als bourgeoisklasse tegenover andere klassen, niet als royalisten tegenover republikeinen. En als partij van de orde hebben zij een onbeperktere en hardere heerschappij over de andere klassen van de maatschappij uitgeoefend dan voorheen onder de Restauratie of onder de Juli-monarchie ooit heeft bestaan, een heerschappij zoals die in het (algemeen slechts mogelijk was onder de vorm van de parlementaire republiek, want alleen onder deze vorm konden zich de twee grote afdelingen van de Franse bourgeoisie verenigen, dus de heerschappij van hun klasse, in plaats van het regime van een bevoorrechte fractie daarvan op de agenda plaatsen. Wanneer zij nochtans ook als partij van de orde de republiek beledigen en hun afkeer tegen haar uitspreken, dan gebeurde dit niet alleen uit royalistische herinneringen. Het instinct leerde hun, dat de republiek weliswaar hun politieke heerschappij voltooit, maar tegelijkertijd de maatschappelijke grondslag daarvan ondermijnt, doordat zij nu zonder bemiddeling, zonder zich achter de kroon te kunnen verbergen, zonder het nationale belang door hun minder belangrijke onderlinge strijd en hun strijd tegen de monarchie te kunnen afleiden, tegenover de onderdrukte klassen moesten staan en tegen hen moesten vechten. Het was een gevoel van zwakte, dat hen voor de zuivere voorwaarden van hun eigen klassenheerschappij deed terugschrikken en hen deed terug verlangen naar de meer onvolkomen, minder ontwikkelde en juist daarom minder gevaarlijke vormen daarvan. Zo vaak als de gecoaliseerde royalisten daarentegen in conflict met de pretendent komen die tegenover hen staat, met Bonaparte, zo vaak zij menen dat hun parlementaire almacht door de uitvoerende macht wordt bedreigd, zo vaak zij dus de politieke titel van hun heerschappij moeten tonen, treden zij als republikeinen op en niet als royalisten, vanaf de orleanist Thiers, die de Nationale Vergadering waarschuwt dat de republiek hen het minst scheidt, tot en met de legitimist Berryer, die op 2 december 1851, de driekleurige sjerp om het lijf, als tribuun in naam van de republiek een toespraak hield voor het volk dat voor het raadhuis van het tiende arrondissement was bijeengekomen. Weliswaar roept de echo hem spottend terug: Henri V! Henri V!
Tegenover de gecoaliseerde bourgeoisie had zich een coalitie van kleinburgers en arbeiders gevormd, de zogenaamde sociaal-democratische partij. De kleinburgers hadden gezien dat zij na de Juni-dagen van 1848 slecht beloond waren, dat hun materiële belangen werden bedreigd en dat de democratische garanties die hun het doen gelden van deze belangen moesten verzekeren, door de contrarevolutie twijfelachtig werden gemaakt. Daarom kwamen zij dichter bij de arbeiders. Hun parlementaire vertegenwoordiging anderzijds, de Montagne, die tijdens de dictatuur van de burgerlijke republikeinen op zij was geschoven, had in de laatste helft van het leven der Constituante, door de strijd tegen Bonaparte en de royalistische ministers, haar verloren populariteit heroverd. Zij had met de socialistische leiders een bondgenootschap gesloten. In februari 1849 werden er verzoeningsbanketten gehouden. Er werd een gemeenschappelijk program ontworpen, er werden gemeenschappelijke verkiezingscomités gevormd en gemeenschappelijke kandidaten gesteld. Er werd van de sociale eisen van het proletariaat de revolutionaire spits afgebroken en daaraan een democratische draai gegeven; de democratische aanspraken van de kleine burgerij werden alleen maar van hun politieke vorm ontdaan en kregen een socialistische pointe. [29] Zo ontstond de sociaal-democratie. De nieuwe Montagne, het resultaat van deze combinatie, omvatte afgezien van enige figuranten uit de arbeidersklasse en enige socialistische sektariërs, dezelfde elementen als de oude Montagne, alleen numeriek sterker. Maar in de loop van de ontwikkeling had zij zich met de klasse die zij vertegenwoordigde veranderd. Het eigenaardige karakter van de sociaal-democratie ligt daarin besloten dat er democratisch-republikeinse instellingen als middel worden geëist, niet om de twee uitersten, kapitaal en loonarbeid beide op te heffen, maar om hun tegenstelling te verzwakken en in harmonie te doen verkeren. Hoe verschillend de maatregelen, die tot het bereiken van dit doel worden voorgesteld ook mogen zijn, hoezeer het zich met min of meer revolutionaire voorstellingen moge omkleden, de inhoud blijft dezelfde. Deze inhoud is de verandering van de maatschappij langs democratische weg, maar een verandering binnen de grenzen van de kleine burgerij. Men moet zich echter niet op een bekrompen wijze voorstellen, alsof de kleine burgerij principieel een egoïstisch klassenbelang wil doorzetten. Zij gelooft veeleer, dat de bijzondere voorwaarden van haar bevrijding de algemene voorwaarden zijn, waarbinnen de moderne maatschappij alleen kan worden gered, en de klassenstrijd kan worden vermeden. Men moet zich evenmin voorstellen, dat de democratische vertegenwoordigers nu ‘allemaal shopkeepers [30] zijn of met deze dwepen. Zij kunnen wat hun ontwikkeling en hun individuele positie betreft hemelsbreed van hen verschillen. Datgene wat hen tot vertegenwoordigers van de kleinburger maakt, is dat zij in hun denken niet uitkomen boven de beperkingen, waar deze in het leven niet bovenuit kan gaan, dat zij derhalve theoretisch tot dezelfde opgaven en oplossingen worden gedreven waarheen het materiële belang en de maatschappelijke toestand deze praktisch drijven. Dat is in het algemeen de verhouding van de politieke en literaire vertegenwoordigers van een klasse tot de klasse die zij vertegenwoordigen.
Het spreekt na de gegeven uiteenzetting vanzelf, dat wanneer de Montagne voortdurend met de partij van de orde worstelt om de republiek en de zogenaamde rechten van de mens, noch de republiek, noch de rechten van de mens hun laatste doel zijn, evenmin als een leger dat men van zijn wapenen wil beroven en dat zich te weer stelt, in het strijdperk is getreden om in het bezit van zijn eigen wapenen te blijven.
Onmiddellijk nadat de Nationale Vergadering bijeen was gekomen provoceerde de partij van de orde de Montagne. De bourgeoisie voelde nu de noodzakelijkheid om met de democratische kleinburgers af te rekenen, zoals zij een jaar geleden de noodzakelijkheid had begrepen om dit met het revolutionaire proletariaat te doen. Alleen was de situatie van de tegenstander nu anders. De kracht van de proletarische partij was op de straat, die van de kleinburgers in de Nationale Vergadering zelf. Het was dus zaak hen uit de Nationale Vergadering op de straat te lokken en hen zelf hun parlementaire macht te laten breken, voordat tijd en gelegenheid die konden consolideren. De Montagne draafde met losse teugel in de val.
Het bombardement van Rome door de Franse troepen [31] was het lokaas dat haar werd toegeworpen. Het schond artikel V van de Constitutie, dat de Franse Republiek verbiedt om haar strijdkrachten tegen de vrijheid van een ander volk te gebruiken. Bovendien verbood artikel 54 iedere oorlogsverklaring door de uitvoerende macht zonder toestemming van de Nationale Vergadering en had de Constituante door haar besluit van 8 mei haar afkeuring over de expeditie naar Rome uitgesproken. Op deze gronden diende Ledru-Rollin op 11 juni 1849 een aanklacht in tegen Bonaparte en zijn ministers. Geprikkeld door de wespensteken van Thiers liet hij zich zelfs zo ver gaan dat hij dreigde de Constitutie met alle middelen te zullen verdedigen, zelfs met de wapenen in de hand. De Montagne verhief zich als één man en herhaalde deze strijdkreet. Op 12 juni verwierp de Nationale Vergadering de akte van beschuldiging en de Montagne verliet het parlement. De gebeurtenissen van 13 juni zijn bekend: de proclamatie van een deel van de Montagne, waarbij Bonaparte en zijn ministers ‘buiten de grondwet’ werden verklaard. De straatprocessie van de democratische Nationale Gardes, die ongewapend als zij waren, bij de ontmoeting met de troepen van Changarnier uiteenstoven, enz. enz. Een deel van de Montagne vluchtte naar het buitenland, een ander deel werd naar het Hoge Gerechtshof in Bourges verwezen en een parlementair reglement onderwierp de rest aan het schoolmeesterachtige toezicht van de voorzitter van de Nationale Vergadering. Parijs werd weer in staat van beleg verklaard en het democratische gedeelte van zijn Nationale Garde werd ontbonden. Zo was de invloed van de Montagne in het Parlement en de macht van de kleinburgers in Parijs gebroken.
Lyon, waar de 13e juni het signaal was geweest voor een bloedige arbeidersopstand, werd met de vijf omliggende departementen eveneens in staat van beleg verklaard, een toestand, die tot op dit ogenblik voortduurt.
Het gros van de Montagne had zijn voorhoede in de steek gelaten door te weigeren zijn handtekening onder haar proclamatie te plaatsen. De pers was gedeserteerd, slechts twee bladen waagden het de pronunciamiento te publiceren. De kleinburgers verrieden hun vertegenwoordigers, terwijl de Nationale Gardes wegbleven of, waar zij verschenen, het oprichten van barricades verhinderden. De vertegenwoordigers hadden de kleinburgers gedupeerd, want de vermeende bondgenoten in het leger waren nergens te zien. Tenslotte had de democratische partij, in plaats van nieuwe krachten van het proletariaat te krijgen, het met haar eigen zwakte besmet en zoals gewoonlijk bij grote daden van democraten hadden de leiders de voldoening, hun ‘volk’ van desertie en het volk de voldoening zijn leiders van bedrog te kunnen beschuldigen.
Zelden was een actie met groter lawaai aangekondigd dan de aanstaande veldtocht van de Montagne, zelden was een gebeurtenis met meer zekerheid en langer van te voren uitgebazuind, dan de onvermijdelijke overwinning van de democratie. Zeer zeker: de democraten geloven aan de bazuinen, door wier geschal de muren van Jericho instortten. En zo vaak zij tegenover de wallen van het despotisme staan proberen zij het wonder na te doen. Wanneer de Montagne in het parlement wilde overwinnen, dan had zij niet tot de wapenen mogen oproepen. Wanneer zij in het parlement tot de wapenen opriep, dan had zij zich op straat niet parlementair moeten gedragen. Wanneer de vreedzame demonstratie ernstig was gemeend, dan was het dwaas niet vooruit te zien dat zij oorlogszuchtig zou worden ontvangen. Wanneer een werkelijke strijd in de bedoeling lag, dan was het een originele idee om de wapenen neer te leggen, waarmee deze moest worden gevoerd. Maar de revolutionaire bedreigingen van de kleinburgers en van hun democratische vertegenwoordigers zijn alleen maar pogingen om de tegenstander te intimideren. En wanneer zij in een slop zijn geraakt, wanneer zij zich voldoende hebben gecompromitteerd om gedwongen te zijn hun dreigementen ten uitvoer te brengen, dan gebeurt dit op een dubbelzinnige wijze, die niets méér vermijdt dan de middelen om het doel te bereiken en die naar voorwendsels grijpt om te verliezen. De schetterende ouverture, die de strijd aankondigde, loopt uit op een schuchter geknor zodra de strijd moet beginnen, de acteurs houden op zichzelf serieus te nemen en de handeling stort plat in elkaar, als een met lucht gevulde ballon waar men met een naald in prikt.
Geen partij overdrijft voor zichzelf haar middelen meer dan de democratische, geen partij bedriegt zichzelf lichtvaardiger omtrent de situatie. Toen een deel van het leger voor haar had gestemd, was de Montagne tevens overtuigd dat het leger voor haar in opstand zou komen. Naar aanleiding waarvan? Naar aanleiding van iets, dat van het standpunt van de troepen geen andere zin had, dan dat de revolutionairen voor de soldaten van Rome, tegen de Franse soldaten partij kozen. Anderzijds lagen de herinneringen aan juni 1848 nog te vers in het geheugen, dan dat er geen diepe afkeer van het proletariaat tegen de Nationale Garde en geen grondig wantrouwen van de leiders van de geheime verenigingen tegen de democratische chefs moesten bestaan. Om deze verschillen te overbruggen, waren er grote gemeenschappelijke belangen nodig, die op het spel stonden. Het overtreden van een abstracte paragraaf van de Constitutie kon dat belang niet zijn. Was volgens de verzekering van de democraten zelf de Constitutie niet reeds meerdere malen geschonden? Hadden de meest populaire bladen haar niet als een contrarevolutionair maakwerk gebrandmerkt? Maar omdat de democraat de kleine burgerij vertegenwoordigt, dus een overgangsklasse, waarin de belangen van twee klassen tegelijk hun scherpte verliezen, meent hij dat hij in het algemeen boven de klassentegenstellingen verheven is. De democraten geven toe dat er een bevoorrechte klasse tegenover hen staat, maar zij met het gehele overige deel van de natie vormen het volk. Datgene wat zij vertegenwoordigen is het volksrecht; datgene wat hun interesseert is het volksbelang. Zij behoeven derhalve bij een op handen zijnde strijd de belangen en posities van de verschillende klassen niet te onderzoeken. Zij behoeven hun eigen middelen niet al te ernstig te overwegen. Zij behoeven immers alleen maar het signaal te geven en het volk zal met al zijn onuitputtelijke hulpmiddelen de onderdrukkers aanvallen. Blijken nu bij de uitvoering hun belangen onbelangrijk en hun macht onmacht te zijn, dan ligt dat óf aan verderfelijke sofisten die het ondeelbare volk in verschillende vijandige kampen splitsen, óf het leger was te verdierlijkt en te verblind om de zuivere doeleinden van de democratie als het beste voor zichzelf te begrijpen, óf het geheel is mislukt door een detail van de uitvoering, of wel een onvoorzien toeval heeft ditmaal het spel doen mislukken. In ieder geval komt de democraat even vlekkeloos uit de smadelijkste nederlaag te voorschijn als hij er zich onschuldig in heeft begeven, met de nieuwgewonne overtuiging dat hij moet overwinnen, niet dat hij zelf en zijn partij het oude standpunt moeten opgeven, maar omgekeerd, dat de omstandigheden naar hem toe moeten rijpen.
Men moet zich daarom de gedecimeerde, gebroken en door het nieuwe parlementaire reglement gedeemoedigde Montagne niet al te ongelukkig voorstellen. Al had de 13e juni haar leiders ook op zij geschoven, anderzijds maakte hij een plaats vrij voor mindere capaciteiten, die gevleid zijn met deze nieuwe positie. Indien hun machteloosheid in het parlement niet meer in twijfel kon worden getrokken, hadden zij nu ook het recht om hun daad te beperken tot uitbarstingen van zedelijke verontwaardiging en tot daverende declamatie. Indien de partij van de orde beweerde in hen, als de laatste officiële vertegenwoordigers van de revolutie, alle vreselijkheden van de anarchie belichaamd te zien, dan konden zij in werkelijkheid des te platter en bescheidener zijn. Over de 13e juni echter troostten zij zich met de diepzinnige uiting: Maar wanneer men het waagt het algemene kiesrecht aan te vallen, dan, o dan zullen wij tonen wie wij zijn! Nous verrons. [32]
Wat de naar het buitenland gevluchte Montagnards betreft, zij het voldoende hier op te merken dat Ledru-Rollin, omdat het hem gelukt was in nauwelijks twee weken tijd de machtige partij aan wier hoofd hij stond, hopeloos te ruïneren, zich nu geroepen achtte een Franse regering in partibus te vormen; dat naar gelang het peil van de revolutie daalde en de officiële grootheden van het officiële Frankrijk dwergachtiger werden, zijn figuur daar in de verte, verwijderd van het toneel van de actie groter scheen te worden; dat hij als republikeins pretendent voor 1852 kon figureren en dat hij periodieke rondschrijven aan die Walachen en andere volken verzond, waarin de despoten van het vasteland met de daden van hem en zijn bondgenoten worden bedreigd. Had Proudhon geheel ongelijk, toen hij deze heren toeriep: “Vous n’êtes que des blaguers”. [33]
De partij van de orde had op 13 juni niet alleen de Montagne gebroken, zij had doorgezet dat de Constitutie aan de besluiten van de meerderheid van de Nationale Vergadering ondergeschikt werd gemaakt. En zo begreep zij de republiek: dat de bourgeoisie hier in parlementaire vormen heerst, zonder zoals onder de monarchie te worden beperkt door het veto van de uitvoerende macht of door het feit, dat het parlement ontbonden kan worden. Dat was de parlementaire republiek, zoals Thiers haar noemde. Maar terwijl de bourgeoisie op 13 juni haar almacht binnen het parlementsgebouw zeker stelde, sloeg zij toen het parlement zelf niet tegenover de uitvoerende macht en tegenover het volk met een ongeneeslijke zwakte, door het meest populaire gedeelte daarvan uit te stoten? Door talrijke vertegenwoordigers zonder verdere ceremonie aan de opvordering door het openbare ministerie over te leveren, hief zij haar eigen parlementaire onschendbaarheid op. Het deemoedigende reglement waaraan zij de Montagne onderwierp, verheft de president van de republiek in gelijke mate, als het de afzonderlijke vertegenwoordiger van het volk neerdrukt. Door de opstand ter bescherming van de constitutionele grondwet te brandmerken als een anarchistische daad die de omverwerping van de maatschappij tot doel heeft, verbood zij zichzelf een beroep te doen op de opstand, wanneer de uitvoerende macht tegenover haar de Constitutie zou schenden. En de ironie van de geschiedenis wil dat de generaal die in opdracht van Bonaparte Rome had gebombardeerd en op deze wijze de onmiddellijke aanleiding had gegeven tot de constitutionele muiterij van 13 juni, dat Oudinot op 2 december 1851 door de partij van de orde smekend en tevergeefs aan het volk moet worden aangeboden als generaal van de Constitutie tegen Bonaparte. Een andere held van de 13e juni, Vieyra die van de tribune van de Nationale Vergadering lof oogstte voor de bruutheden die hij aan het hoofd van een bende tot de geldaristocratie behorende Nationale Gardes in de democratische krantenlokalen gepleegd had, deze zelfde Vieyra was ingewijd in het complot van Bonaparte en droeg er essentieel toe bij om de Nationale Vergadering in haar doodsuur van iedere bescherming door de Nationale Garde af te snijden.
De 13e juni had nog een andere betekenis. De Montagne had willen afdwingen dat Bonaparte in staat van beschuldiging werd gesteld. Haar nederlaag was dus een rechtstreekse overwinning van Bonaparte, zijn persoonlijke triomf over zijn democratische vijanden. De partij van de orde bevocht de overwinning, Bonaparte behoefde die alleen maar te incasseren. Hij deed dat. Op 14 juni kon men aan de muren van Parijs een proclamatie lezen waarin de president als het ware zonder zijn toedoen, tegenstribbelend, alleen door de macht van de gebeurtenissen gedwongen, uit zijn kloosterachtige afzondering te voorschijn treedt, als de miskende deugd over de laster van zijn tegenstanders klaagt en terwijl hij zijn persoon met de zaak van de orde tracht te identificeren, veeleer de zaak van de orde met zijn persoon identificeert. Bovendien had de Nationale Vergadering de expeditie tegen Rome weliswaar achteraf goedgekeurd, maar Bonaparte had daartoe het initiatief genomen. Nadat hij de hogepriester Samuel weer in het Vaticaan had gebracht, kon hij hopen als koning David de Tuilerieën te betrekken. Hij had de papen voor zich gewonnen.
De muiterij van 13 juni beperkte zich, zoals wij hebben gezien, tot een vreedzame straatprocessie. Men kon daarentegen dus geen oorlogslauweren oogsten. Niettemin verhief de partij van de orde in deze aan helden en gebeurtenissen arme tijd, deze slag zonder bloedvergieten tot een tweede Austerlitz. Tribune en pers prezen het leger als de macht van de orde, tegenover de volksmassa’s als de onmacht van de anarchie, en Changarnier als het ‘bolwerk van de maatschappij’. Een mystificatie, waaraan hij tenslotte zelf geloofde. Intussen werden echter de korpsen die verdacht schenen uit Parijs verplaatst, de regimenten wier verkiezingen het meest democratisch waren uitgevallen, werden uit Frankrijk naar Algiers verbannen, de onrustige elementen onder de troepen werden naar strafafdelingen gezonden en de afsluiting van de pers van de kazerne en van de kazerne van de burgerlijke maatschappij werd tenslotte systematisch doorgezet.
Wij zijn hier bij het beslissende keerpunt in de geschiedenis van de Franse Nationale Garde gekomen. In 1830 had zij de doorslag gegeven bij de omverwerping van de Restauratie. Onder Louis Philippe mislukte iedere muiterij, waarin de Nationale Garde aan de kant van de troepen stond. Toen zij zich in de Februari-dagen van 1848 passief tegenover de opstand toonde en een dubbelzinnige houding tegenover Louis Philippe aannam, hield hij zich voor verloren en was hij verloren. Zo vatte de overtuiging voet dat de revolutie niet zonder en het leger niet tegen de Nationale Garde kon overwinnen. Dat was het bijgeloof van het leger aan de burgerlijke almacht. De Juni-dagen van 1848, toen de gehele Nationale Garde met de linietroepen de opstand neersloeg, hadden het bijgeloof versterkt. Toen Bonaparte aan de regering was gekomen, daalde de positie van de Nationale Garde enigszins door de ongrondwettige vereniging van haar bevel met het bevel van de eerste militaire divisie in de persoon van Changarnier.
Zoals het bevel over de Nationale Garde hier een attribuut van de militaire opperbevelhebber scheen te zijn, zo scheen zij zelf nog slechts een aanhangsel van de linietroepen. Op 13 juni eindelijk werd zij gebroken: niet slechts door haar gedeeltelijke ontbinding, die zich sinds die tijd periodiek in alle delen van Frankrijk herhaalde en slechts brokstukken van haar overliet. De demonstratie van 13 juni was in de eerste plaats een demonstratie van de democratische Nationale Gardes. Zij hadden weliswaar niet hun wapenen, maar dan toch hun uniform tegenover het leger geplaatst, maar juist in deze uniform lag de talisman. Het leger overtuigde er zich van dat deze uniform een doodgewone wollen lap was. De betovering was verbroken. In de Juni-dagen van 1848 waren de bourgeoisie en de kleine burgerij als Nationale Garde met het leger tegen het proletariaat verenigd, op 13 juni 1849 liet de bourgeoisie de kleinburgerlijke Nationale Garde door het leger uit elkaar jagen, op 2 december 1851 was de Nationale Garde van de bourgeoisie zelf verdwenen en Bonaparte constateerde dit feit alleen maar, toen hij achteraf het decreet van haar ontbinding ondertekende. Zo had de bourgeoisie zelf haar laatste wapen tegen het leger gebroken, maar zij moest dat doen vanaf het ogenblik dat de kleinburgerij niet meer als vazal achter, maar als rebel voor haar stond, zoals zij in het algemeen al haar verdedigingsmiddelen tegen het absolutisme met eigen hand moest vernietigen, zodra zij zelf absoluut was geworden.
De partij van de orde vierde intussen de herovering van een macht, die in 1848 slechts verloren scheen, om in 1849, bevrijd van haar beperkingen, weer te worden teruggevonden, door middel van beschimpingen tegen de republiek en de Constitutie, door de vervloeking van alle toekomstige, tegenwoordige en vroegere revoluties, die welke haar eigen leiders hadden gemaakt daarbij inbegrepen, en door middel van wetten, waardoor de pers werd gekneveld, de associatie vernietigd en de staat van beleg tot een organisch instituut gemaakt. De Nationale Vergadering ging daarop van midden augustus tot midden oktober op reces, nadat zij een permanente commissie had benoemd voor de tijd van haar afwezigheid. Gedurende deze vakantie intrigeerden de legitimisten met Ems, de orleanisten met Claremont, Bonaparte door prinselijke reizen en de departementsraden in hun beraadslagingen over de herziening van de grondwet — voorvallen die in de periodieke vakanties man de Nationale Vergadering regelmatig terugkeren en waarop ik eerst wil ingaan, zodra zij tot gebeurtenissen worden. Hier zij nog slechts opgemerkt dat de Nationale Vergadering onpolitiek handelde, toen zij voor langere tijd van het toneel verdween en aan het hoofd van de republiek alleen nog maar één, zij het ook klaaglijke figuur liet zien, die van Louis Bonaparte, terwijl de partij van de orde tot schandaal voor het publiek in haar royalistische bestanddelen uiteenviel en haar met elkaar in strijd zijnde restauratielusten najoeg. Zo vaak als gedurende deze vakanties het verwarrende lawaai van het parlement verstomde en zijn lichaam zich in de natie oploste, kwam er onmiskenbaar aan het licht dat er nog slechts één ding ontbrak om de ware vorm van deze republiek te volmaken: zijn vakanties permanent te maken en haar opschrift: Liberté, égalité, fraternité, te vervangen door de ondubbelzinnige woorden: Infanterie, cavalerie, artillerie!
Midden oktober 1849 kwam de Nationale Vergadering weer bijeen. Op 1 november verraste Bonaparte haar met een boodschap waarin hij het ontslag van het ministerie Barrot-Falloux en de vorming van een nieuw ministerie aankondigde. Niemand heeft ooit zijn lakeien met minder ceremonie uit de dienst gejaagd, als Bonaparte zijn ministers. De trappen, die voor de Nationale Vergadering bestemd waren, kregen voorlopig Barrot en Co.
Zoals wij hebben gezien was het ministerie Barrot samengesteld uit legitimisten en orleanisten, het was een ministerie van de partij van de orde. Bonaparte had dit ministerie nodig gehad om de republikeinse Constituante te ontbinden, de expeditie tegen Rome tot stand te brengen en de democratische partij te breken. Achter dit ministerie was hij schijnbaar geëclipseerd, hij had de regeringsmacht in de handen van de partij van de orde afgestaan en het bescheiden karaktermasker voorgedaan dat de verantwoordelijke beheerder van de dagbladpers onder Louis Philippe droeg, het masker van de homme de paille. [34] Nu wierp hij zijn masker af, dat niet meer de lichte voile was, waarachter hij zijn gelaat kon verbergen, maar het ijzeren masker dat hem verhinderde zijn eigen trekken te tonen. Hij had het ministerie Barrot ingesteld om in naam van de partij van de orde de republikeinse Nationale Vergadering uiteen te jagen. Hij ontsloeg het om zijn eigen naam onafhankelijk te verklaren van de Nationale Vergadering van de partij van de orde.
Aan plausibele voorwendsels voor dit ontslag ontbrak het niet. Het ministerie Barrot verwaarloosde zelfs de beleefdheidsvormen die de president van de republiek als een macht naast de Nationale Vergadering zouden hebben doen schijnen. Tijdens de vakantie van de Nationale Vergadering publiceerde Bonaparte een brief aan Edgard Ney, waarin hij het onliberale optreden van de paus scheen af te keuren, evenals hij in tegenstelling tot de Constituante een brief had gepubliceerd waarin hij Oudinot prees voor de aanval op de Romeinse republiek. Toen de Nationale Vergadering nu over de begroting voor de expeditie naar Rome stemde, bracht Victor Hugo uit vermeend liberalisme deze brief ter sprake. De partij van de orde verstikte met verachtelijk ongelovige uitroepen de idee dat Bonaparte’s ideeën ook maar enig politiek gewicht konden hebben. Niet één van de ministers nam de handschoen voor hem op. Bij een andere gelegenheid liet Barrot met zijn bekende holle pathos woorden van verontwaardiging van de redenaarstribune vallen over de ‘schandelijke intriges’, die, naar zijn zeggen, in de onmiddellijke omgeving van de president plaats hadden. Tenslotte weigerde het ministerie, terwijl het voor de hertogin van Orleans een weduwetoelage van de Nationale Vergadering wist te verkrijgen, ieder voorstel tot verhoging van de civiele lijst van de president. En in Bonaparte versmolt de keizerlijke pretendent zo innig met de aan lager wal geraakte gelukzoeker, dat de ene grote idee dat hij geroepen was om het keizerrijk te restaureren, steeds werd aangevuld door de andere idee, dat het Franse volk geroepen was om zijn schulden te betalen.
Het ministerie Barrot-Falloux was het eerste en laatste parlementaire ministerie dat Bonaparte in het leven riep. Het ontslag van dit ministerie vormt daarom een beslissend keerpunt. Hiermee verloor de partij van de orde, om het nooit te heroveren, een onontbeerlijke post voor de handhaving van het parlementaire stelsel, het middel voor het uitoefenen van de uitvoerende macht. Men begrijpt onmiddellijk dat in een land als Frankrijk, waar de uitvoerende macht over een ambtenarenleger van meer dan een half miljoen personen beschikt, dus een geweldige massa van belangen en existenties voortdurend in de meest onvoorwaardelijke afhankelijkheid houdt, waar de staat de burgerlijke maatschappij, vanaf haar meest omvangrijke levensuitingen tot en met haar meest onbelangrijke bewegingen, vanaf haar meest algemene bestaan tot en met het particuliere leven van de individuen, omstrikt, controleert, ringeloort, bewaakt en onder voogdij houdt, waar dit parasietenlichaam door de buitengewoon sterke centralisatie een alomtegenwoordigheid, alwetendheid, een versnelde bewegingsmogelijkheid en veerkracht verkrijgt, die slechts in de hulpeloze onzelfstandigheid, in de ordeloze vormloosheid van het werkelijke maatschappijlichaam iets overeenkomstig vinden; dat in zulk een land de Nationale Vergadering met de beschikking over de ministerzetels iedere werkelijke invloed opgaf, wanneer zij niet tegelijkertijd het staatsbestuur vereenvoudigde, het ambtenarenleger zoveel mogelijk inkromp en tenslotte de burgerlijke maatschappij en de openbare mening hun eigen, van de regeringsmacht onafhankelijke organen liet scheppen. Maar het materiële belang van de Franse bourgeoisie is juist ten nauwste met het instandhouden van die uitgebreide en veelvertakte staatsmachine verstrengeld. Hier brengt zij haar overtollige bevolking onder en vult in de vorm van staatssalarissen aan wat zij niet in de vorm van winst, interest, rente en honorarium kan opstrijken. Anderzijds dwong haar politiek belang haar om de repressie, dus de middelen en het personeel van de staatsmacht, dagelijks uit te breiden, terwijl zij tegelijkertijd aanhoudend oorlog moest voeren tegen de openbare mening, en de zelfstandige bewegingsorganen van de maatschappij wantrouwend moest verminken en verlammen, waar het haar niet gelukte ze geheel te amputeren. Zo was de Franse bourgeoisie door haar klassenpositie gedwongen om enerzijds de levensvoorwaarden van iedere, dus ook van haar eigen parlementaire macht te vernietigen, anderzijds om de haar vijandige uitvoerende macht onweerstaanbaar te maken.
Het nieuwe ministerie werd het ministerie d’Hautpoul genoemd. Niet in die zin dat generaal d’Hautpoul de rang van minister-president had gekregen. Met Barrot schafte Bonaparte veeleer tegelijkertijd deze waardigheid af, die de president van de republiek weliswaar tot de legale onbeduidendheid van een constitutionele koning veroordeelde, maar van een constitutionele koning zonder troon en kroon, zonder scepter en zonder zwaard, zonder onverantwoordelijkheid, zonder het onverjaarbare bezit van de hoogste staatswaardigheid en wat het noodlottigste was, zonder civiele lijst. Het ministerie d’Hautpoul bezat slechts één man van parlementaire naam, de Jood Fould, een van de meest beruchte leden van de geldaristocratie. Hem viel het ministerie van financiën ten deel. Wanneer men de Parijse beursnoteringen naslaat zal men vinden dat vanaf 1 november 1849 de Franse fondsen stijgen en dalen met het stijgen en dalen van de aandelen van Bonaparte. Terwijl Bonaparte zo zijn bondgenoten op de beurs had gevonden, maakte hij zich tegelijkertijd van de politie meester door Carlier tot prefect van politie van Parijs te benoemen.
Intussen konden de gevolgen van de ministerwisseling eerst in de loop van de ontwikkeling aan de dag treden. Voorlopig had Bonaparte alleen maar een stap voorwaarts gedaan, om des te meer in het oog lopend te worden teruggedreven. Zijn barse boodschap werd door de meest serviele verklaring van onderdanigheid aan de Nationale Vergadering gevolgd. Zo vaak de ministers een schuchtere poging waagden om zijn persoonlijke grillen als wetsvoorstellen in te dienen, schenen zij zelf slechts met tegenzin en door hun ambt gedwongen de komische opdrachten te vervullen, van welker vruchteloosheid zij van te voren waren overtuigd. Zo vaak als Bonaparte zijn voornemens achter de rug van zijn ministers verklapte en met zijn ‘idées napoléoniennes’ [35] speelde, verloochende zijn eigen ministers hem vanaf de tribune van de Nationale Vergadering. Het scheen alsof zijn usurpatie-lusten alleen maar ruchtbaar werden, opdat het kwaadaardige gelach van zijn tegenstanders niet zou verstommen. Hij gedroeg zich als een miskend genie dat door de gehele wereld voor een onnozele wordt gehouden. Nooit genoot hij in hoger mate de verachting van alle klassen dan in deze periode. Nooit heerste de bourgeoisie meer absoluut, nooit spreidde zij meer pronkerig de tekenen van de heerschappij ten toon.
Het behoort niet tot mijn taak hier de geschiedenis van haar wetgevende werkzaamheid te schrijven, die men gedurende deze periode in twee wetten kan samenvatten: in de wet die de belasting op de wijn weer invoert, en in de onderwijswet die het ongeloof afschaft. Terwijl men de Fransen het wijndrinken bemoeilijkte, werd hun des te rijkelijker het water van het ware leven geschonken. Terwijl de bourgeoisie in de wet op de wijnbelasting het oude hatelijke Franse belastingstelsel voor onaantastbaar verklaarde, trachtte zij, door de onderwijswet de oude gemoedstoestand van de massa’s zeker te stellen, die dit duldde. Men is verbaasd de orleanisten, de liberale bourgeois, deze oude apostelen van het voltairianisme en van de eclectische filosofie, het bestel over de Franse geest aan hun aartsvijanden, de jezuïeten te zien toevertrouwen. Maar al konden de orleanisten en de legitimisten met betrekking tot de kroonpretendent een verschillende mening zijn toegedaan, zij begrepen dat het voor hun verenigde heerschappij nodig was om de onderdrukkingsmiddelen van twee tijdperken te verenigen, dat de onderdrukkingsmiddelen van de Juli-monarchie aangevuld en versterkt moesten worden door de onderdrukkingsmiddelen van de Restauratie.
De boeren teleurgesteld in al hun verwachtingen, meer dan ooit gedrukt door de lage stand van de graanprijzen enerzijds, door de toenemende druk van de belastingen en de hypotheekschulden anderzijds, begonnen zich in de departementen te roeren. Het antwoord dat zij kregen, was een ophitsingcampagne tegen de onderwijzers die aan de geestelijken werden onderworpen, een ophitsingcampagne tegen de maires, [36] die aan de prefecten en een spionagestelsel, waaraan allen werden onderworpen. In Parijs en in de grote steden draagt de reactie zelf de fysionomie van haar tijdvak en provoceert zij meer dan dat zij een terneerslaande uitwerking heeft. Op het platteland wordt zij grof, gemeen, kleingeestig, vermoeiend, kwellend, in één woord - de gendarme. Men begrijpt hoe drie jaren van het regime van de gendarme, ingezegend door het regime van de paap, onrijpe massa’s moesten demoraliseren.
Hoeveel hartstocht en declamatie de partij van de orde vanaf de tribune van de Nationale Vergadering ook tegen de minderheid mocht gebruiken, haar taal bleef éénlettergrepig, zoals die van de christen, wiens woorden moeten zijn: - ja, ja, neen, neen! Eenlettergrepig vanaf de tribune, evenals in de pers. Zouteloos als een raadsel, waarvan de oplossing van te voren bekend is. Of er sprake was van het recht van petitie of van de wijnbelasting, van de vrijheid van drukpers of van de vrijhandel, van de clubs of van de gemeentewetgeving, van de bescherming van de persoonlijke vrijheid of van de regeling van de staatshuishouding, steeds weer keert hetzelfde wachtwoord terug, het thema blijft altijd hetzelfde, het vonnis is steeds klaar en luidt onveranderlijk: ‘socialisme!’ Voor socialistisch wordt zelfs het burgerlijke liberalisme verklaard, voor socialistisch de burgerlijke verlichting, voor socialistisch de burgerlijke financiële hervorming. Het was socialistisch om een spoorweg te bouwen waar reeds een kanaal voorhanden was en het was socialistisch om zich met een stok te verdedigen, wanneer men met een degen werd aangevallen.
Dat was niet een wijze van spreken, een mode of partijtactiek zonder meer. De bourgeoisie was terecht van mening dat alle wapenen, die zij tegen het feodalisme had gesmeed, hun spits tegen haarzelf keerden, dat alle middelen tot ontwikkeling die zij had voortgebracht, tegen haar eigen beschaving rebelleerden, dat alle goden die zij had geschapen, haar waren afgevallen. Zij begreep dat alle zogenaamde burgerlijke vrijheden en vooruitstrevende organen haar klassenheerschappij tegelijk aan de maatschappelijke grondslag en aan de politieke top aanvielen en bedreigden, dus ‘socialistisch’ waren geworden. In deze bedreiging en in deze aanval vond zij terecht het geheim van het socialisme, welks zin en tendentie zij juister beoordeelt, dan het zogenaamde socialisme zichzelf weet te beoordelen, dat derhalve niet kan begrijpen, hoe de bourgeoisie zich verstokt van het socialisme afsluit, moge het nu sentimenteel over het lijden van de mensheid jammeren, of christelijk het duizendjarig rijk en de algemene broederliefde verkondigen, of humanistisch over geest, ontwikkeling en vrijheid bazelen, of doctrinair een stelsel van verzoening en welvaart voor alle klassen uitbroeden. Wat de bourgeoisie echter niet begreep, dat was de consequentie, dat haar eigen parlementaire regime, dat haar politieke heerschappij in het algemeen nu ook als socialistisch tot algemene veroordeling was gedoemd. Zolang de heerschappij van de bourgeoisklasse zich niet volledig had georganiseerd, niet haar zuivere politieke uitdrukking had verkregen, kon ook de tegenstelling van de andere klassen niet in haar zuivere vorm verschijnen en waar die verscheen niet de gevaarlijke keer nemen, die iedere strijd tegen de staatsmacht in een strijd tegen het kapitaal doet verkeren. Wanneer zij bij iedere levensuiting van de maatschappij de ‘rust’ in gevaar zag gebracht, hoe kon zij dan aan het hoofd van de maatschappij het regime van de onrust, haar eigen regime, het parlementaire regime, willen handhaven, dit regime, dat volgens de woorden van één van haar sprekers in de strijd en door de strijd leeft? Het parlementaire regime leeft van de discussie, hoe kan het de discussie verbieden? Ieder belang, iedere maatschappelijke instelling verkeert hier in algemene denkbeelden, wordt als denkbeeld besproken; hoe zou een of ander belang, ,een instelling zich boven het denken kunnen handhaven en als geloofsartikel kunnen imponeren? De strijd van de redenaars op de tribune doet de strijd van de persscribenten ontstaan, de debatingclub in het parlement wordt noodzakelijkerwijze aangevuld door de debatingclubs in de salons en in de kroegen; de vertegenwoordigers, die voortdurend een beroep doen op de volksmening, geven de volksmening het recht om in petities haar werkelijke mening te zeggen. Het parlementaire regime laat alles aan de beslissing van de meerderheden over, hoe zullen de grote meerderheden buiten het parlement dan niet willen beslissen? Wanneer jullie aan de top van de staat viool speelt, wat kan men dan anders verwachten, dan dat die daar beneden dansen?
Doordat dus de bourgeoisie datgene wat zij vroeger als ‘liberaal’ had verheerlijkt, nu als ‘socialistisch’ verkettert, erkent zij dat haar eigen belang gebiedt haar van het gevaar van het zelf regeren te ontheffen. Dat om het land tot rust te brengen, in de eerste plaats haar burgerlijk parlement tot rust gebracht moet worden; dat om haar maatschappelijke macht ongeschonden te handhaven, haar politieke macht moet worden gebroken; dat de particuliere bourgeois alleen onder de voorwaarde, dat hun klasse naast de andere klassen tot een zelfde politieke onbeduidendheid wordt veroordeeld, voort kunnen gaan de andere klassen uit te buiten en ongestoord van de eigendom, het gezin, de godsdienst en de orde te genieten; dat om haar buidel te redden, haar de kroon van het hoofd moet worden gestoten en het zwaard, dat haar moet beschermen, tegelijk als een zwaard van Damocles boven haar eigen hoofd moet worden opgehangen.
Op het gebied van de algemene burgerlijke belangen toonde de Nationale Vergadering zich zo onproductief, dat b.v. de discussies over de spoorlijn Parijs-Avignon, die in de winter van 1850 waren begonnen, op 2 december 1851 nog niet rijp waren om te worden gesloten. Waar zij niet onderdrukte, reactie uitoefende, was zij met ongeneeslijke onvruchtbaarheid geslagen.
Terwijl Bonaparte’s ministerie deels het initiatief nam voor wetten in de geest van de partij van de orde, deels hun hardheid bij de uitvoering en handhaving nog overdreef, trachtte hij zich anderzijds door kinderlijk onnozele voorstellen populariteit te verwerven, het contrast tussen hem en de Nationale Vergadering te constateren en toespelingen te maken op een geheime reserve, die alleen door de omstandigheden voorlopig verhinderd werd zijn verborgen schatten voor het Franse volk te ontsluiten. Zo b.v. het voorstel om voor de onderofficieren een toeslag van 4 sous per dag te decreteren, verder het voorstel van een ere-leenbank voor de arbeiders. Geld cadeau en geld te leen krijgen, dat was het vooruitzicht waarmee hij de massa’s hoopte te vangen. Schenken en lenen, daartoe beperkt zich de financiële wetenschap van het lompenproletariaat, van hoog tot laag. Daartoe bepaalden zich de springveren die Bonaparte in beweging wist te brengen. Nooit heeft een pretendent platter op de platheid van de massa’s gespeculeerd.
De Nationale Vergadering stoof herhaaldelijk op bij deze onmiskenbare pogingen om op haar kosten populariteit te verwerven, bij het steeds toenemende gevaar, dat deze avonturier die door zijn schulden opgezweept en door geen verworven reputatie werd tegengehouden, een wanhopige streek zou wagen. De onenigheid tussen de partij van de orde en de president had een dreigend karakter aangenomen toen een onverwachte gebeurtenis hem berouwvol in haar armen terugwierp. Wij bedoelen de aanvullingsverkiezingen van 10 maart 1850. Deze verkiezingen hadden plaats om de zetels van de vertegenwoordigers, die na 13 juni door de gevangenis of ballingschap vacant waren geworden, weer te bezetten. Parijs koos slechts sociaal-democratische kandidaten. Het bracht zelfs de meeste stemmen uit op een opstandeling van juni 1848, op de Flotte. Op deze wijze nam de met het proletariaat verbonden Parijse kleinburgerij wraak voor haar nederlaag op 13 juni 1849. Zij scheen op het ogenblik van het gevaar slechts uit het strijdperk te zijn verdwenen, om dit bij een gunstiger gelegenheid met massaler strijdkrachten en met een dapperder strijdparool weer binnen te treden. Eén omstandigheid scheen het gevaar van deze verkiezingsoverwinning te verhogen. Het leger stemde in Parijs voor de Juni-opstandeling tegen La Hitte, een minister van Bonaparte en in de departementen voor het grootste gedeelte voor de Montagnards, die ook hier, zij het ook niet zo beslist als in Parijs, het overwicht op hun tegenstanders handhaafden.
Bonaparte zag zich plotseling weer tegenover de revolutie geplaatst. Zoals op 29 januari 1849, zoals op 13 juni 1849, verdween hij ook op 10 maart 1850 achter de partij van de orde. Hij maakte buigingen, hij vroeg kleinmoedig om vergeving, hij bood aan om op bevel van de parlementaire meerderheid ieder willekeurig ministerie te benoemen, hij smeekte zelfs de orleanistische en de legitimistische partijleiders, de Thiers’, de Berryers, de Broglie’s, de Molé’s, kortom de zogenaamde burggraven, [37] om het roer van de staat in eigen persoon in handen te nemen. De partij van de orde wist van dit ogenblik, dat nooit weer terug zou komen, geen gebruik te maken. In plaats van zich stoutmoedig van de aangeboden macht meester te maken, dwong zij Bonaparte niet eens om het op 1 november ontslagen ministerie weer te benoemen; zij nam er genoegen mee hem door haar vergeving te deemoedigen en de heer Baroche aan het ministerie d’Hautpoul toe te voegen. Deze Baroche had als openbaar aanklager de ene maal tegen de revolutionairen van de 15e mei, de andere maal tegen de democraten van de 13e juni voor het Hoge Gerechtshof te Bourges gewoed, beide malen wegens een aanslag op de Nationale Vergadering. Niet één van Bonaparte’s ministers heeft later er meer toe bijgedragen om de Nationale Vergadering te vernederen, en na 2 december 1851 vinden wij hem terug als hooggeplaatste en duur betaalde vice-president van de Senaat. Hij had in de soep van de revolutionairen gespuwd, opdat Bonaparte die zou opeten.
De sociaal-democratische partij scheen van haar kant slechts naar voorwendsels te haken om haar eigen overwinning weer twijfelachtig te maken en er de scherpte aan te ontnemen. Vidal, een van de nieuw gekozen Parijse vertegenwoordigers was tegelijkertijd in Straatsburg gekozen. Men bewoog hem om voor zijn verkiezing in Parijs te bedanken en die in Straatsburg aan te nemen. Dus in plaats van haar verkiezingsoverwinning een definitief karakter te verlenen en daardoor de partij van de orde te dwingen om haar die onmiddellijk in het parlement te betwisten, in plaats van zo de tegenstander op het ogenblik van het volksenthousiasme en van de gunstige stemming in het leger in de strijd te drijven, vermoeide de democratische partij Parijs in de maanden maart en april met een nieuwe verkiezingsagitatie, liet zij de opgewonden volkshartstochten zich in dit nieuwe voorlopige verkiezingsspel afmatten, liet zij de revolutionaire energie zich aan constitutionele successen verzadigen, in kleine intriges, holle declamaties en schijnbewegingen uitrazen, liet zij de bourgeoisie haar zelfbeheersing terugvinden en haar voorzorgsmaatregelen nemen en liet zij tenslotte de betekenis van de maartverkiezingen in de daarop volgende aprilverkiezing, in de verkiezing van Eugène Sue; een sentimentele verzwakkende commentaar vinden. In één woord, zij maakte van de 10e maart een aprilgrap.
De parlementaire meerderheid begreep de zwakte van haar tegenstander. Haar zeventien burggraven, want Napoleon had de leiding en de verantwoordelijkheid van de aanval aan haar overgelaten, werkten een nieuwe kieswet uit waarvan de indiening aan de heer Faucher die om deze eer had gevraagd, werd toevertrouwd. Op 8 mei diende hij de wet in, waarbij het algemene kiesrecht werd afgeschaft, aan de kiezers de voorwaarde werd gesteld dat zij drie jaar op de plaats van de verkiezing gewoond moesten hebben en tenslotte het bewijs daarvan voor de arbeiders afhankelijk gemaakt werd van het getuigschrift van hun werkgever.
Zo revolutionair als de democraten gedurende de constitutionele verkiezingsstrijd gestemd waren en zo opgewonden als zij te keer waren gegaan, zo constitutioneel predikten zij thans, nu het gold om met de wapenen in de hand de ernst van deze verkiezingsoverwinning te bewijzen - orde, vorstelijke kalmte (calme majestueux), wettelijk optreden, d.w.z. blinde onderwerping aan de wil van de contrarevolutie, die als wet poseerde. Tijdens de debatten deed de Berg de partij van de orde beschaamd staan, door tegenover haar revolutionaire hartstochtelijkheid de hartstochtloze houding gaan te nemen van de rechtschapen burgerman die zich aan de wet houdt, en door haar neer te slaan met het verschrikkelijke verwijt dat zij revolutionair handelde. Zelfs de nieuwgekozen afgevaardigden deden hun best om door een fatsoenlijk en bezonnen optreden te bewijzen, welk een miskenning het was om hen als anarchisten in opspraak te brengen en hun verkiezing als een overwinning van de revolutie uit te leggen. Op 31 mei werd de nieuwe kieswet aangenomen. De Montagne nam er genoegen mee de president een protest in de zak te smokkelen. Op de kieswet volgde een nieuwe perswet, waardoor de revolutionaire dagbladpers geheel en al uit de weg werd geruimd. Zij had haar lot verdiend. De National en La Presse [38], twee burgerlijke organen, bleven na deze zondvloed als uiterste voorposten van de revolutie over.
Wij hebben gezien hoe de democratische leiders in maart en april alles hadden gedaan om het volk van Parijs in een schijngevecht te wikkelen, zoals zi