Internationale Kommunistenbond

Discussies uit het Poolse Verzet



Geschreven: 21 juli 1982
Bron: Brochure van de Internationale Kommunistenbond IKB, uitgegeven door de ISP; Internationale Socialistische Publicaties en de stichting Leon Lesoil. Redactie: Rob Gerretsen - De Internationale special 2
Vertaling: Theo Wiering, Herman Pieterson, Henk Kranen
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2008


Krant van Solidarnosc

Inhoud
Vooraf
Het programma van de militaire junta
Mijnbouw in Polen
De maatschappij aan de macht
Solidarnosc voor de macht aan de arbeiders
Nationale samenwerking of een onafhankelijke beweging opbouwen
Eerste elementen van een antwoord
Documenten

Vooraf

Op 13 december 1981 verklaarden de machthebbers in Polen de oorlog aan de arbeiders en de boeren. Vlak na die beruchte 13e december schreven arbeiders van de staalfabriek Nowa Huta bij Krakow in een pamflet: Zij zijn niet met velen. Geweren, tanks en wapenschilden zijn onvoldoende tegen een verenigd volk. Zij rekenen op onze angst. Als wij vrij willen blijven moeten we die angst bestrijden. Zelfs als zij tot het uiterste gaan zal onze kalme moed de overwinning brengen. Vandaag en altijd. Wij vechten niet voor grote woorden. Wij vechten om ons mens-zijn.”

Vandaag is het precies een half jaar geleden dat de “oorlogstoestand” werd ingesteld. En vandaag staat één ding als een paal boven water: de strijd tegen de angst is in ieder geval gewonnen. Op 1 en 3 mei waren er in heel Polen massale demonstraties. Tienduizenden mensen kwamen de straat op om de opheffing van de oorlogstoestand; de vrijlating van alle gevangenen en het herstel van de vakbondsvrijheid te eisen. Op 13 mei werd de algemene staking een succes. In alle grote bedrijven lag het werk een kwartier of langer stil. En vandaag waren er opnieuw demonstraties in Wroclaw en Gdansk. Vandaag werden er overal bloemen gelegd bij de monumenten van hen die in de afgelopen maanden door de machthebbers vermoord werden.

De angst is overwonnen en Solidariteit is zich aan het reorganiseren. In de illegaliteit. Tegelijkertijd wordt er binnen het verzet, op de bedrijven en in de meer dan 1700 illegale bladen de discussie gevoerd over de vraag waarom het mis ging op 13 december. En over de vraag hoe het nu verder moet.

In de loop van de 16 maanden waarin Solidariteit als vrije vakbond bestond was het duidelijk geworden dat het uitbouwen van arbeiderszelfbeheer het enige middel is om het land van de economische crisis te verlossen. De leiding van Solidariteit was het er begin december ook over eens dat een confrontatie met de machthebbers onder leiding van generaal Jaruzelski onvermijdelijk zou zijn. Maar de beweging voor het zelfbeheer ontwikkelde zich langzaam. Begin december kwam Jacek Menkel in het weekblad van Solidariteit Tygodnik Solidarnosc tot de conclusie dat nog maar zo’n 15 tot 20 % van de bedrijven bij het zelfbeheer betrokken waren. Betekende dit dat er nieuwe compromissen met de machthebbers gesloten moesten worden? Of betekende het juist dat het zelfbeheer door middel van de “actieve staking” uitgebouwd en verdedigd moest worden?

Zbigniew Kowalewski, die in deze brochure uitgebreid aan het woord komt, verdedigt dit laatste. Een actieve staking betekent dat stakingscomités binnen de bedrijven de macht overnemen. Het betekent ook dat stakingscomités de controle over de productie en de distributie overnemen. Het betekent met andere woorden, dat de arbeiders streven naar het veroveren van de politieke macht binnen het kader dat door Solidariteit en de beweging voor arbeiderszelfbeheer geschapen was.

Binnen het Poolse verzet wordt op dit moment een levendige discussie gevoerd over deze vraag. Een levendige discussie over de strategie en tactiek die Solidariteit nu moet voeren. Het succes van de strijd die de Poolse arbeiders, arbeidsters en boeren nu voeren zal voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van de lessen die er uit de ervaringen van de afgelopen periode getrokken worden. En niet alleen het succes van de Poolse revolutie. De Poolse revolutie heeft in heel Oost-Europa hoop gewekt. De hoop op de mogelijkheid van een zelfbeherend socialisme.

Met deze brochure, met dit themanummer van De Internationale, hebben we geprobeerd een inzicht te geven in en een bijdrage te leveren tot die discussie. Met analyses, discussie en documenten uit het Poolse verzet.

Deze brochure probeert ook wat te laten zien van de moed en het zelfvertrouwen waarmee de Polen de strijd voeren tegen de bloedhonden die zichzelf zo ten onrechte “socialisten” noemen. De angst is overwonnen, maar dat betekent niet dat de strijd niet onder bijzonder moeilijke omstandigheden gevoerd moet worden. Er is zware repressie: ontslagen, aanhoudingen, veroordelingen en zelfs martelingen en moorden. Maar de Poolse arbeiders en boeren zijn vastbesloten. Zij gaan door. Op 1 mei verklaarde Zbigniew Romaszewski voor de illegale radio van Solidariteit in Warschau waarom het oude arbeiderslied De Rode Vlag tot herkenningsmelodie van die dag gekozen was:

“Alle belangrijke symbolen hebben ze van ons afgenomen. Dat geldt ook voor de Eerste Mei. Wij hebben besloten om deze symbolen terug te pakken(...) Laat dit lied een waarschuwing zijn voor al diegenen die de arbeiders op hun knieën willen dwingen en de arbeiders willen terroriseren. Hun rode vlag die zij vandaag in hun demonstratie zullen meedragen is besmeurd met bloed van de arbeiders van Poznan en de Baltische kust. Het bloed van hen die gevallen zijn in de oorlog die zij aan hun eigen volk hebben verklaard”.

13-6-82 Rienke Schutte

Program van de militaire junta: Nationale overeenstemming onder de bajonetten

“Het parlement van de volksrepubliek Polen bevestigt opnieuw dat het nodig is de idee van de “nationale overeenstemming” te concretiseren.

Nee, deze verklaring dateert niet van oktober of november, toen dit liedje van de autoriteiten de voorpagina’s van de Poolse pers haalde. Ze dateert van 27 februari, twee en een halve maand na de machtsgreep die het vakverbond Solidariteit en alle Poolse arbeiders tot zwijgen heeft gebracht. Daarvóór had generaal Jaruzelski bevestigd dat de staat van beleg niet zou worden opgeheven, en dat hij geen enkele oppositie zou dulden, binnen noch buiten de Poolse Verenigde Arbeiders Partij (PVAP).

Tegelijk begon de pers, die lange tijd Lech Walesa als een “redelijk mens” had voorgesteld, een kampanje tegen de vakbondsleider die plots bij de extremisten werd ingedeeld.

Praatjes voor de vaak? Onsamenhangend? Verschillen tussen regering en parlement?

De herbevestiging van de noodzaak “door te gaan met de poging een breed platform te scheppen voor samenwerking tussen alle krachten van de natie, alle goedwillende mensen, onafhankelijk van hun mening en de organisatie waartoe ze behoren”, door een parlement dat zojuist zonder voorbehoud de politiek van de militaire Junta voor Nationaal Heil (WRON) had goedgekeurd, drukt veeleer uit dat de crisis van de Poolse bureaucratie blijvend is, en dat ze niet in staat is een project vast te stellen dat het mogelijk zou maken haar gezag onder de massa’s te herstellen en het land uit de dramatische economische crisis te halen waar het zich in bevindt.

Het is één ding alle democratische- en vakbondsvrijheden op te heffen en de staat van beleg in te stellen onder dreiging van bajonetten om de politieke macht van de bureaucratie te redden. Maar zoals Adam Michnik opmerkt in een tekst die hij vanuit zijn gevangenschap heeft doen toekomen aan Der Spiegel, het is iets anders om “ met behulp van bajonetten, verklikkers en politie een economische hervorming door te voeren.”

De verbetering van de economische toestand maakt, net als de wederopbouw van de partij en de medewerking van de katholieke hiërarchie, deel uit van de wezenlijke voorwaarden voor het slagen van elk plan voor politieke hervorming dat de bureaucratie zou voorstellen. Omdat ze op dit vlak nog geen enkel succes heeft behaald, drie maanden na 13 december, is ze er nog steeds niet in geslaagd de steun te verkrijgen van belangrijke leiders van Solidariteit, en moet ze, in plaats van de steun te hebben gekregen van de intelligentsia zoals ze hoopte, constateren dat de stellingnames van leraren, schrijvers, kunstenaars talrijker worden en een belangrijke rol spelen ter aanmoediging van de verzetsbeweging.

Verdeel-en-heers, dat is toch een van de gulden regels van de bureaucratische kaste die een speciale betekenis had meteen na de vestiging van de militaire dictatuur. Maar om de ene groep te winnen, om de andere groep te kopen, moest er wel iets toe te geven zijn op materieel. Vlak alles wijst er echter op dat de economische vooruitzichten somberder zijn dan ooit en de vastbeslotenheid van de arbeidersklasse in haar weigering samen te werken met wie ze als bezetters beschouwt getuigt ervan in welk slop de Poolse leiders terecht zijn gekomen.

De economie failliet

Niet alleen bedraagt de schuld van Polen aan het Westen nu meer dan 27 miljard dollar, maar de internationale deskundigen voorzien een stijging met 5 miljard dit jaar. De Poolse regering is niet in staat gebleken hoe dan ook de 2,4 miljard dollar te betalen die ze had moeten terugstorten op de schulden het afgelopen jaar. Verder had ze nog steeds niet alle rente over het afgelopen jaar betaald per maart 1982. En de westerse bankiers die van deze betaling een absolute voorwaarde maakten voor verlenging van de leningen hebben geëist dat de vergadering om het akkoord hierover te tekenen zou worden uitgesteld tot in april. Het nationale product (BNP) is met 30 % afgenomen in 1982 en de industriële productie die in dezelfde periode al met 25 % was gedaald, is nog verder omlaag gegaan met 13,7 % in januari en 11,6 % in februari, in vergelijking met dezelfde maanden van het voorgaande jaar. Het is dan niet verbazend dat de uitvoer in een jaar met 20 % is verminderd.

De drastische importbeperkingen die afgelopen jaar door de bureaucratie zijn opgelegd om te proberen de stijging van de schuld aan de westelijke landen te remmen hebben als directe consequentie gehad de productie in een groot aantal fabrieken te blokkeren. Momenteel hebben 40 % van de fabrieken ernstige moeilijkheden door het gebrek aan reserveonderdelen, grondstoffen of technologische onderdelen die voorheen uit het westen werden ingevoerd. Een fabriek als Fiat-Polski werkt om die reden op 50 % van haar capaciteit.

Dat werkt natuurlijk ook door in een steeds verdere verslechtering van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse, vooral voor de minst bevoordeelde lagen. Ettelijke textielfabrieken in Lodz hebben hun poorten moeten sluiten de afgelopen weken, bij gebrek aan grondstoffen. Dat heeft de werkloosheid van 1000 arbeidsters en arbeiders met zich mee gebracht en een daling van het gemiddelde loon in deze sector tot 3000-4000 zlotys (het landelijk gemiddelde was in november ongeveer 7000 zlotys)(10z1. = 8 cent [Nederlandse gulden])

De levensstandaard van de Poolse arbeiders is de afgelopen drie jaar al met 20 % verminderd en gaat nu opnieuw omlaag, misschien wel met 15 % of meer dit jaar.

De verbetering van de bevoorrading van de winkels die je eind december korte tijd kon constateren is niet duurzaam gebleken.

Eind januari was de toestand al weer verslechterd en konden de bonkaarten voor vlees niet gebruikt worden. De rijen zijn minder lang dan eerst, dat is waar, maar dat komt doordat de prijzen van het meeste basisvoedsel drie of vier keer zo hoog zijn geworden in februari, om maar te zwijgen van de invoering een maand eerder, van “ vrije prijzen” voor bijna de helft van de goederen. Een gezin voeden wordt zo een aparte prestatie voor een Poolse huisvrouw... Een bijkomend verschijnsel: aan de kant van de wegen kun je veel dode katten en honden zien: de dieren zijn in de steek gelaten door hun eigenaars die ze niet meer konden voeden.

Op industrieel vlak is alleen de kolenproductie echt vooruitgegaan: plus 8,8 % in januari in vergelijking met de voorgaande maand, plus 12,8 % in vergelijking met januari 1981. Maar tegen welke prijs... dagen van 10 uur, werkweken van 6 of 7 dagen voor de mijnwerkers, grotere kans op ongelukken door de beklagenswaardige arbeidsomstandigheden, verbod de mijn uit te gaan voor de norm gehaald is. In ruil daarvoor: duidelijk hogere lonen dan in de andere sectoren van de economie, en bevoorrading via speciale winkels die kennelijk goed beklant zijn. Daarentegen is het onmogelijk in Silezië van de ene stad naar de andere te bellen, en zijn er speciale eenheden van de oproerpolitie — de “mijn-ZOMO” — gevormd om in te grijpen als de mijnwerkers tegen deze toestand in opstand zouden komen.

Dankzij deze maatregelen is er een toename van de kolenproductie met 14,4 % in de eerste twee maanden van dit jaar. Maar de Poolse economen die zich realiseren dat het gebrek aan onderdelen deze vooruitgang zal gaan afremmen, voorzien maar een gemiddelde stijging voor dit jaar van 7 %. De geschiedenis vermeldt niet of ze daarbij de loon- en onderhoudskosten voor de repressiekrachten die dat resultaat moeten verzekeren hebben meegerekend.

Verschillen binnen de bureaucratie

Deze paar gegevens wijzen er wel op dat de bureaucratie er in is geslaagd bezuinigingsmaatregelen op te leggen die ze tevergeefs al 18 maanden probeerde in te voeren. Maar het chaotische karakter van de maatregelen die net zijn ingevoerd hangt samen met haar totale onvermogen een volledig plan voor te stellen om het land uit de crisis te halen.

In dit opzicht hebben de opwellingen voor hervormingen “op zijn Hongaars” van professor Z. Sadowski, nieuw kamerlid en minister voor de economische hervorming, die “de industrie veel meer op de markt richten” wil, terwijl de bedrijven op rantsoen staan aan materiaal en krediet, slechts te maken met volslagen fantasie in de huidige omstandigheden. Dat geldt des te meer omdat de behoudende vleugel van de PVAP meer dan vijandig blijkt tegenover zulke veranderingen, omdat ze de politieke implicaties van economische decentralisatie vreest, terwijl de apparatsjiks van het centrale bestuursapparaat met hand en tand aan hun voorrechten vasthouden.

De verschillen in de PVAP over de economische hervorming zijn een uitdrukking van de clanoorlog tussen de “harden” en de zogenaamde “liberalen” sinds de machtsgreep. De discussie gaat nu niet meer over het al dan niet sluiten van een overeenkomst met Solidariteit maar over het nut van het gebruik van repressie om het gezag van de partij te vestigen.

Al scheen de vergadering van het Centraal Comité (CC) er op te wijzen dat Albin Siwak en zijn kliek er niet in geslaagd waren hun lijn door te zetten — de partij zuiveren van al degenen die tussen augustus ‘80 en de machtsgreep voor de “maatschappelijke vijand” gecapituleerd waren — de verklaring van het Politiek Bureau (PB) van 11 maart, gepubliceerd in Trybuna Ludu, wees daarentegen op de wil de rijen van de partij onder controle te brengen. Analyse van de toestand, evaluatie van het werk van de leden, vooral op hun werkplek, “gesprekken en uitleg” met al degenen die de militaire dictatuur niet krachtig goedkeuren: dat zijn de fases die elk partijlid zal moeten doorlopen zonder feilen als hij niet als “lauw” wil worden aangeduid en daarmee riskeren uit zijn functies gezet te worden of zelfs uit de partij.

Daar komt nog bij de uitlegkampanje tegen “ de niet statutaire” structuren en de zuivering van de provinciale en gemeentelijke verantwoordelijken die van zachtheid of plichtsverzaking worden beschuldigd: allemaal elementen die in de ogen van de massa’s de “leidende rol van de partij” moeten herstellen naar sovjetmodel.

Dat is een moeilijke onderneming in een land waarin voor het eerst in de geschiedenis van de Oost-Europese landen de bureaucratie verplicht is geweest in de regering plaats te maken voor het leger, gezien het verlies aan gezag van de partij en het centrale bestuursapparaat. Het is een des te moeilijker onderneming omdat dat deel van het apparaat dat nog tot op zekere hoogte boven de partij kon lijken te staan voor de machtsgreep — dus het leger — steeds moeilijker haar beeld van bewaarder van het systeem kan handhaven. Niet alleen omdat de instelling van de militaire Junta voor Nationaal Heil (WRON) de massa’s de ogen heeft geopend voor de ware aard van het militaire apparaat, waardoor haar direct onderdrukkende functie duidelijk is geworden, maar ook omdat de Junta, juist omdat ze de traditionele leiding moet vervangen, partij moet kiezen in alle politieke en sociale conflicten, vanaf het bestuur van de ondernemingen tot aan het organiseren van processen, via de koppen die moeten rollen in de plaatselijke besturen.

Ze komt zo in fractiegevechten terecht met andere sectoren van het bureaucratisch apparaat, waardoor het prestige dat haar nog zou resten verder taant. Vandaar dat de mogelijkheid dat de leiding van de PVAP een deel van de basis die ze sinds de stakingen van augustus 1980 verloren heeft, zou terug winnen, steeds meer lijkt ondergraven. Of het gaat om de economische hervorming of de wederopbouw van de partij, het slop waar de bureaucratie nu in zit lijkt compleet. Maar de zaken gaan niet beter in haar relatie met de Kerk.

De machthebbers en de kerk

Een van de kaarten waar generaal Jaruzelski duidelijk op wilde zetten bij het bereiken van een “nationale overeenstemming”, voor en bij de machtsgreep was het verbond met de katholieke hiërarchie.

Welnu, al is de primaat van Polen, mgr. Glemp sinds 13 december doorgegaan met oproepen voor een “overeenstemming tussen alle Polen”, en waarschuwingen tegen verdeeldheid onder “broeders van een zelfde natie”, waarbij hij schandelijk de mate van onderdrukking vergoelijkt en alles wat op een directe aanval op de politiek van de Junta zou kunnen lijken verdoezelt (zoals de arrestatie van tientallen priesters die verbonden waren met Solidariteit begin maart), is het niet minder duidelijk dat de druk van de massa’s de katholieke hiërarchie meer dan eens dwingt zich zeer kritisch op te stellen tegenover de machthebbers.

Dat was zo in het geval van individuen als vader Drzewicki, aalmoezenier van de studenten van Wroclaw, die vanaf de kansel zonder pardon de staat van beleg heeft veroordeeld en de “ militaire raad die het nationale heil beweert te belichamen.” Maar dat was ook het geval bij instanties als de parochie in Warszawa die op 21 januari de priesters opriep de verdediging te organiseren van de geïnterneerden en van de arbeiders die in hun werk onderdrukt werden door commissies voor rechtshulp te vormen verbonden aan de parochies, en die in staat zouden moeten zijn voorlichting te geven over de rechten van de arbeiders volgens de grondwet en over de inhoud van het arbeidsrecht.

De Poolse kerk is de reactionaire instelling die je overal, elders kent, met een achterlijke moraal — vooral waar het gaat om de rol van vrouwen in de maatschappij — en die de politieke bewustwording onder de arbeidersklasse alleen maar kan remmen. En tegelijkertijd is [het] de Poolse kerk de priesters in de steden en op het platteland die geholpen hebben voor augustus 1980 de eerste oppositiekernen te organiseren, door hun ruimtes beschikbaar te stellen voor vergaderingen, en die nu een beslissende rol spelen bij het verzorgen van de materiële hulp aan de gevangenen, de geïnterneerden en hun gezinnen.

Wat paus Johannes Paulus II betreft, ook al is hij duidelijk een van de reactionairste pauzen van de laatste tijd gebleken tijdens zijn reizen naar Latijns-Amerika en Afrika, hij heeft in februari niet minder duidelijk geweigerd tot overeenstemming met de bureaucratie te komen zolang Solidariteit buiten de wet blijft gesteld en het geheel van de democratische en vakbondsvrijheden niet is hersteld. Dat hij daarna water in de wijn gedaan heeft met het oog op een mogelijke reis naar Polen van de zomer, dat lijdt geen twijfel en zal ook niemand verbazen. Als de katholieke hiërarchie democratische standpunten inneemt doet ze dat niet uit zorg voor de hulp aan de opbouw van de onafhankelijke beweging van de arbeidersklasse. Ze verdedigt vooral haar eigen belangen, als instelling, of het nu is in Oost-Europa of in de kapitalistische landen. In Polen wil dat momenteel zeggen de rol weer opnemen van bevoorrechte gesprekspartner van de bureaucratie, een rol die ze zo lang heeft gespeeld voordat de ontwikkeling van Solidariteit haar naar het tweede plan verwees. Maar dat neemt niet weg dat in een land waar 90 % van de arbeiders zich als katholiek beschouwt, de kerk haar kracht vooral ontleent aan deze massabasis, wat op haar beurt weer de standpunten bepaalt die ze in het kader van de bestaande conflicten inneemt.

Dat verklaart de tegenstellingen die we hierboven noemden en het feit dat tot op heden, ondanks de aanvallen op het achterlijkste deel van de kerk op de “onverantwoordelijke radicale elementen” van Solidariteit, de meerderheid van de Poolse bisschoppen geweigerd heeft de legitimiteit van de Junta te erkennen. De verzetsbeweging is zo groot dat de kerk zich een fout die haar een deel van haar geloofwaardigheid in de ogen van de brede massa’s zou kosten niet kan veroorloven.

Tot nu toe heeft de Junta vergeefs gepoogd de arbeiders van zijn goede trouw te overtuigen door te verklaren dat er geen sprake was van “een terugkeer naar vormen, methodes, en een werkwijze die het protest van de arbeidersklasse in augustus 1980 met zich mee hebben gebracht.” Ze heeft niets bereikt door zulke goede woorden, De Kringen van sociaal verzet (KOS) van Solidariteit worden talrijker. Maar 15 van de 4000 mensen zouden bereid zijn geweest een verklaring te tekenen die het hen mogelijk zou maken uit de gevangenis te komen en in ballingschap te gaan. De illegale persbulletins groeien in aantal...

De bureaucratie gebruikt dan ook het enige middel dat ze echt goed kent: de stok. 145.000 aanhoudingen voor identiteitscontrole en 3.500 arrestaties half maart. Grove zuivering van de pers en het onderwijs. Veroordeling van een priester tot drie en een half jaar gevangenis voor “belastering van het regiem.” Aankondiging van nog meer economische beperkingen. Maar de resultaten zijn mager en de bureaucratie heeft maar weinig vertrouwen in de apparaten waar ze op steunt. Haar herhaalde weigering de soldaten waarvan de dienst al in oktober had moeten aflopen met verlof te laten gaan zegt bijvoorbeeld heel wat over haar angst nieuwe soldaten te moeten oproepen die de invloed van Solidariteit hebben ondergaan in de achttien maanden betrekkelijke vrijheid die de Poolse arbeiders hebben gekend.

Hiertegenover zijn de tactische en strategische vooruitzichten van de verzetsbeweging nog in discussie. Hoe je te organiseren om provocaties te vermijden? Is het al mogelijk over te gaan tot gecentraliseerde acties: algemene staking van een kwartier bijvoorbeeld? Hoe kun je pluralisme van mening mogelijk maken en tegelijk de eenheid in actie handhaven? Kun je kanonnen alleen met ideeën beantwoorden?

Even zovele vragen die opkomen in de bijdrages en kritische balansen die in de illegale pers worden gepubliceerd, en waarop de antwoorden nog niet vast staan. De discussie is nog maar net begonnen.

Jacqueline Allio 23 maart 1982

Emigratie

Fragment van de rede van Jaruzelski voor het parlement op 25 januari 1982, gewijd aan de Poolse emigratie (en door de Poolse ambassade verstuurd aan sommige in Nederland verblijvende Polen).
“Elk derde, of zelfs tweede Poolse gezin heeft familie of verwanten ten oosten van de Bug of ten westen van de Oder. Op alle continenten. Dat is een van de zeer complexe karaktertrekken van het lot van ons volk.
De recentelijk in het Westen georganiseerde anti-Poolse acties zijn een kwaad voor ons land en onze emigratie. Ze zijn erop gericht, om met behulp van verraders en deserteurs een wig te slaan tussen ons land en onze landgenoten in het buitenland. Dat dreigt voor vele jaren de natuurlijke banden tussen honderdduizenden Poolse gezinnen te verbreken.
Na beëindiging van de staat van oorlog zal de regering haar paspoortenpolitiek, zoals die in april 1981 is ingezet, voortzetten.
Ik ben ervan overtuigd, dat het volhouden van de lijn van vernieuwing ook in de paspoortenpolitiek niet zal toestaan dat de banden verslapt worden, dat een afgrond gegraven wordt tussen het land en de Poolse emigratie. Er zal geen Pools-Poolse oorlog in ons land komen. Die zal er ook niet komen tussen ons land en de emigratie.
Ik verzeker, dat Poolse staatsburgers, als ze dat willen, veilig naar hun land kunnen terugkeren ongeacht de omstandigheden van hun vertrek en de duur van hun verblijf in het buitenland.
Dit betreft alleen niet hen die actief en bewust geëngageerd zijn in antisocialistische en antistaats activiteiten
.

Onwettig

Juristenverklaring:
De invoering van de staat van oorlog is illegaal en onwettig want:

1. Volgens de grondwet van de Volksrepubliek Polen, mag de Staatsraad alleen tussen parlementszittingen in decreten uitvaardigen. De zitting van het parlement van de Volksrepubliek Polen duurt nog voort, daarom zijn dus de decreten van de Staatsraad absoluut illegaal, want in strijd met de grondwet van de Volksrepubliek Polen (art. 31 grondwet);
2. Er ontbreken alle gronden om aan te nemen, dat de soevereiniteit van de natie of het bestaan van de Staat bedreigd werden (art. 33 lid 2);
3. Noch de natie of het vaderland, noch de Staat kan vereenzelvigd worden met een smalle groep legerleiders. Het leger moet de Poolse natie dienen (art. 10 grondwet).
4. Illegaal is ook het instellen van de zogenaamde Militaire Raad voor Redding van de Natie. De grondwet van de Volksrepubliek Polen voorziet niet in zo’n orgaan. De Militaire Raad voor Redding van de Natie is dus een militaire junta, die buiten de wet staat. Beroep op de grondwet en op legaliteit is dus een schandvlek en wetteloosheid, alle besluiten van de junta zijn alleen gebaseerd op geweld. Ongehoorzaamheid aan de verordeningen van de junta is geen wetsovertreding.

Krakow, 14 december 1981, 09. 00 uur.
Wetenschappelijke Staf Juridische Faculteit Universiteit Jagiellonski Krakow.

Uitspraken van de secretaris van het CC van de PVAP

”... de houding van verschillende groepen intellectuelen ten aanzien van de openbare gebeurtenissen van de laatste zestien maanden en nu is sterk uiteenlopend. Er is de groep, die als het ware het ideologisch-propagandistische brein van “Solidarnosc” vormde, die documenten schiep, nieuwe mythen, een beweging. Een tweede groep vormen zij, die zich hebben laten bedwelmen en zich gesteld hebben achter de reële kracht van “Solidarnosc”, die erin zijn geloven, dat de overheid zwak is, dat ze niet meer bestaat; in dit geval kan men uitstekend zien dat de intelligentsia een groep is, die slaafs is jegens andere maatschappelijke en politieke krachten.
Dan is er een derde groep, die zich consequent uitsprak voor de partij, voor de overheid. (...) Jegens hen, die uit vrije keus, uit optie zich tegen de partij, tegen de overheid uitgesproken hebben
, zal geen edelmoedigheid betoond worden, hun activiteiten zullen voor de komende jaren onmogelijk gemaakt worden. Anderen, dolenden moeten gewonnen worden, jegens hen moet edelmoedigheid getoond worden.”

Uit “ Polityka” (nr.6,27-3-1982)

Mijnbouw in Polen tot aan augustus 1980

Op de helmen gloeien de mijnwerkerslampen, de signaalman boven de schacht geeft het teken en de liftkooi brengt de mijnwerkers naar beneden. Daar begint een andere wereld, een wereld van harde en solidaire mensen, waar ieder voor zich en zijn kameraden verantwoordelijk is. De aflossing van de ploegen en de taakverdeling verloopt bliksemsnel, want er is weinig tijd en de kolen zijn broodnodig. Omdat het personentreintje niet werkt, moet de weg naar de afdeling te voet worden afgelegd. Het eerste stuk van de gang is in orde. Dat is het showgedeelte voor de televisie en de excursies. De gang is met zand bestrooid, de afvoergoot is netjes betegeld, de tunnelschansen wit geverfd en er branden TL-buizen. Een paar honderd meter verder is het afgelopen met de tegeltjes van de goot en de prima verlichting. Plotseling hoor je: “godverdomme Gierek zal je hier niet tegenkomen”. De stem van een mijnwerker, die in de goot gevallen is. De ploeg bereikt het punt waar gedolven wordt, de installaties worden haastig aangezet. De ploegbaas slaakt een verwensing, omdat de partij opnieuw meer kolen wil; omdat ze nieuwe instructies heeft doorgegeven aan het Ministerie, de Mijn Unie en de Directie van de mijn; omdat er al weer nieuwe kolenleveranties zijn toegezegd, terwijl de steenkool nog in de grond zit. De combines en transportbanden beginnen te lopen, het geraas en geknars van de schurende lagers is oorverdovend. De lucht raakt steeds meer vervuld van stof, de sproeiers werken niet, want de koppelingen zijn niet geleverd. Er is te weinig licht, omdat er niet genoeg lampen zijn en bovendien de tijd ontbreekt voor reparaties. En toch zal de arbeidsinspecteur van de vakbond in zijn verslag schrijven: “geluidsoverlast, stofgehalte en verlichting binnen de normen, geen levensgevaar aanwezig”. De arbeid gaat door. Als er iets kapot gaat, begint iedereen te vloeken, de directie zal wel weer een schuldige vinden en de arbeiders kunnen naar hun premie fluiten. De schade kan toch na de normale werktijd ingehaald worden (71/2 uur voor hen die ondergronds werken). Bij de kreet “klossen” weet iedereen, dat hij nog eens 71/2 uur ondergronds moet doorbrengen.

Het eind van de week, de tonnen kolen worden opgeteld, beneden de norm gebleven, dus werken op de vrije zaterdag en zondag. De door directie en vakbond ondertekende mededeling zegt: “Absentie op de vrije zaterdag en zondag wordt beschouwd als ongeoorloofd werkverzuim en leidt derhalve tot verlies van premie.” Het basisloon is laag; slechts in combinatie met een hoge toegekende premie garandeert het een normaal gezinsonderhoud. De premie die arbitrair door de directie wordt toegekend, is zo een eenvoudige stok achter de deur om mensen op hun vrije weekend te laten werken. Op grond van de Mijnbouw-CAO hebben de arbeiders recht op een extra toeslag, gebaseerd op het aantal actieve mijnbouwjaren, echter onder voorbehoud dat men niet meer dan 3 dagen per maand ziek is, of 9 dagen per jaar. En zo gaat het week in, week uit, maand in maand uit, het hele jaar door en steeds maar te weinig kolen. Men werkt in 3 ploegen, van 6 tot 14, van 14-22 en van 22 tot 6 uur. Om de productie te verhogen en de arbeid te intensiveren werd het vierploegenstelsel en het vierbrigaden-systeem ingevoerd. Nu lossen de ploegen elkaar ondergronds af, pal naast de lopende machines: er wordt dag en nacht, de hele week door continu gejakkerd. Je weet niet wanneer je ooit nog een vrije dag hebt. Voor reparaties en onderhoud is geen tijd meer, evenmin als voor schaft en pauze.

Steenkool! Het enige dat telt is steenkool: zo wordt de roofbouweconomie verwezenlijkt. Bij gebrek aan tijd worden machines en installaties zelfs niet meer uit op geëxploiteerde gangen en schachten gehaald. Steeds vaker vinden er ernstige ongelukken plaats; instortingen, branden en methaanontploffingen. De al maandenlang gierende wrijving van de transportbanden kan elk ogenblik een ramp veroorzaken. Op een dag breekt een brand uit en er komen mensen om. De kranten reppen met geen woord over de aantallen doden en gewonden. De onderzoekscommissie stelt slechts vast: “De brand is ontstaan wegens nalatig onderhoud”. Dat er te weinig onderdelen zijn en geen tijd is voor reparaties, dat wordt verzwegen. Het belangrijkste is dat de productie doordraait. Instorting: weer worden er mijnwerkers bedolven. “Dat is de schuld van de omgekomen arbeiders zelf”, maar niet van de onklare apparatuur die het mijngas moet afzuigen, of van de kabels die niet vonkvrij functioneren. Niet zelden worden de kompels gedwongen te werken onder omstandigheden die tegen de algemene en speciale mijnbouwvoorschriften ingaan. Bij een ongeval is de directie er alleen op uit, dat het slachtoffer nog minstens 7 dagen in leven blijft. Gaat hij daarná dood, dan valt hij buiten de categorie “ongelukken ondergronds”. De Directie behoudt dan het recht op een speciale premie. Volgens niet officiële gegevens vindt er dagelijks een dodelijk ongeval plaats. Het rapport van de afdelingschef ziet er ongeveer zo uit: “ik heb 100 wagons kolen gedolven, een combine geïnstalleerd en stutten geplaatst, de gang versterkt en er is één mijnwerker omgekomen.” De steenkool wordt via lopende banden in wagons gestort, waarna het richting schacht gaat. De volle wagens mogen niet snel opgetrokken worden, omdat door verzakking van de bodem de rails ongelijk liggen en de wagons kunnen ontsporen. “Godverdomme”, vloekt een machinist, er zijn weer een stel wagons omgelazerd en hij weet zeker, dat hij naar zijn premie kan fluiten. De rails zijn al een maand niet in orde, maar wie maakt zich daar druk over, dat er ongelukken kunnen gebeuren? De machinisten hebben het al meerdere malen aan de afdelingschef gemeld, rapporten geschreven en op reparaties aan gedrongen.

Het transport komt bij de schacht aan, de liftkooi in en naar boven. Hier begint een volgende fase, waar hoofdzakelijk vrouwen bij betrokken zijn. Stof, lawaai; hoewel de “moderne” sorteerafdeling gloednieuw is deugt de ventilatie niet. De afvoerkanalen zijn verkeerd ontworpen of men kwam geld tekort bij de aanleg. Onder deze slechte omstandigheden werken vrouwen 8 uur per dag, vroeger in 3, maar nu in 4-ploegendienst. Ze eten onder het werk aan de sorteerband, die geen moment uit het oog verloren mag worden.

De kompels beëindigen hun dienst, komen naar boven, geven hun lampen en stofmaskers af en lopen naar de douches: alweer geen warm water, dan maar met koud wassen! Het douchelokaal is nieuw, maar functioneert maar voor de helft. In dezelfde ruimte hangen vuile en schone kleren bij elkaar. Je loopt wekenlang in kapotte laarzen, omdat het magazijn alleen maar kleine maten heeft. De magazijnbediende en de vakbondsvertegenwoordiger halen hun schouders op, “waarom zijn de voeten van de kompels zo gegroeid, als ze kleinere voeten hadden was er niets aan de hand”. De kantine is nog steeds in aanbouw of wordt nog altijd verbouwd. Alle plannen zijn ervoor goedgekeurd, maar het geld is op. De fondsen voor sociale zaken zijn al opgegaan aan de bouw van fraaie villa’s voor de heren ministers, directeuren en partijsecretarissen. Zij werken immers toch ook hard...

Op die manier zijn de investeringsfondsen, o.a. afkomstig van Westerse leningen en bestemd voor de modernisering van de economie en verbetering van de arbeidsomstandigheden, via omwegen in de zakken van de hoge heren terechtgekomen. Maar de trek komt met het eten. De bonzen hadden niet meer genoeg aan één villa, maar ze wilden nu vakantiehuisjes, jachten en andere luxe. De boekhouders hadden daarna wel veel extra werk om de bezittingen van de heren te boeken als investeringsuitgaven.

Voor de deur van de ondernemingsraad staat een rij mensen — hier is het altijd druk, de kompels wachten op nieuwe lijsten. Wie krijgt een flat toegewezen, wie bonnen voor een wasautomaat, tv, ijskast of auto?

Wie krijgt dit jaar zijn bedrijfsvakantie in de zomertijd? Zoals gebruikelijk geschiedt de verdeling “eerlijk”. Partijleden en activisten krijgen het volle pond, voor de mijnwerkers blijft niet veel over. Als troostprijs wordt het volgende berichtje opgehangen: “De volgende toewijzing vindt plaats ... getekend de Voorzitter van de ondernemingsraad.”

Het loopt tegen 4 december, de heilige Barbara, het feest van de mijnwerker. In de krant staan lange artikelen, op de radio speciale programma’s en op de buis dappere kompels, de uitgelezen arbeiders, die een onderscheiding zullen ontvangen. De leden van de ondernemingsraad delen de lintjes uit die op grond van de Mijnbouw-CAO voor werk ondergronds worden toegekend. Zij staan hierbij voor een dilemma: welke partijsecretaris of wie van zijn familieleden, die niet persé in de mijnbouw hoeven te werken, moeten het Kruis van Verdienste ontvangen? Deze beslissing is voor de leden van de Raad van het hoogste belang, aangezien het verdere verloop van hun carrière daarvan afhangt. De onderscheidingen worden verdeeld onder partijactivisten en de plechtigheid wordt besloten met een overdadig banket. Voor degenen die de werkelijke arbeid verricht hebben blijft er weinig over. Het belangrijkste is dat de partijsecretaris de kompels zal bedanken en zal zeggen, dat er harder en efficiënter gewerkt moet worden, omdat er anders niets te verdelen valt. Hij zal eraan toevoegen, dat corruptie en flessentrekkerij bestreden moeten worden, dat men zich moet bekommeren om de zuiverheid van het socialisme, dat elke ton kolen een grote klap is voor het westerse imperialisme en tevens een stap vooruit bij de opbouw van een socialistisch Polen, dat aan de zijde van de Sovjet-Unie voort marcheert.

23 februari 1978 — Oprichting Vrije Vakbond in Katowice
Juli-augustus 1980 Stakingen
31 augustus — Akkoorden van Gdansk, Szczecin en Jastrzebie
Oprichting van Solidarnosc

Jozef Szygula,
Bestuurslid Solidarnosc in de kolenmijn “ Piast”, lid Informatiebureau Solidarnosc in Nederland.

De 21 eisen van Gdansk

1. Erkenning van vrije vakbonden onafhankelijk van de partij en de bedrijfsdirectie, op basis van de door de Poolse Volksrepubliek geratificeerde conventie nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende vakbondsvrijheid.

2. Garantie op het recht tot staken evenals bescherming van stakers en van hen die zich solidair hebben verklaard of steun hebben verleend.

3. Nakoming van de grondwet van de Volksrepubliek Polen die vrijheid van meningsuiting en drukpers garandeert. Waaruit volgt dat ook de onafhankelijke tijdschriften niet onderdrukt worden. Toegang van vertegenwoordigers van alle geloofsovertuigingen tot de massamedia.

4. Indiensttreding op de laatst vervulde arbeidsplaats van iedereen die wegens de verdediging van de rechten van arbeiders ontslagen werd, vooral de deelnemers aan stakingen tussen 1970 en 1976, en rehabilitatie van studenten die wegens hun opvattingen aan de universiteiten werden geschorst. Vrijlating van alle politieke gevangenen, zoals Edmunda Sadrozynskiego, Jan Kozlowski, Marek Kozlowski. Stopzetting van vervolgingen wegens overtuigingen.

5. Publicatie in de massamedia van informatie over de stichting van overkoepelende stakingscomités en openbaarmaking van hun resultaten.

6. Concrete stappen met het doel het land uit zijn crisistoestand te halen door volledige openbaarmaking van informatie over de maatschappelijk-economische toestand en het mogelijk maken van discussies over een hervormingsprogramma voor alle maatschappelijke lagen op alle niveaus.

7. Betaling van loon aan alle arbeiders, die aan de staking deelnemen, over de periode die de staking duurt en vakantiegeld uit het fonds van de centrale vakbondsraad.

8. Verhoging van het basisloon voor alle arbeiders met 2000 zloty’s per maand als compensatie voor de prijsstijgingen met name van het vlees.

9. Garantie van een automatische loonstijging gekoppeld aan de prijsstijgingen en de inflatie.

10. Veiligstelling van een betere voorziening van de markt met levensmiddelen en de garantie dat alleen overschotten worden geëxporteerd.

11. Invoering van een bonsysteem voor vlees en vleesproducten tot de toestand op de markt normaal is.

12. Afschaffing van het vrije prijssysteem op eerste levensbehoeften en sluiting van winkels waar goederen alleen gekocht kunnen worden met westerse valuta.

13. Invoering van regels voor de benoeming van leidinggevend kader op grond van hun kwaliteit en niet op basis van hun lidmaatschap van de partij. Afschaffing van privileges voor het leger, de veiligheidsdienst en het partijapparaat door gelijkstelling van gezinstoeslagen en afschaffing van de verkoop van goederen in speciale winkels.

14. Verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd van vrouwen tot 50 en voor mannen tot 55 jaar en verlaging van het maximaal aantal jaren dat in Polen gewerkt moet worden van 30 jaar voor vrouwen en 35 jaar voor mannen, ongeacht leeftijd.

15. Opheffing van de verschillen tussen de twee pensioensystemen door ze aan te passen aan het gunstigste systeem.

16. Verbetering van de gezondheidszorg en garanties voor een volledige medische zorg voor de werkende bevolking.

17. Garantie van een toereikende capaciteit van crèches en scholen waar kinderen ook buiten schooluren kunnen worden opgevangen voor de kinderen van werkende vrouwen.

18. Uitbreiding van het betaalde moederschapsverlof tot de eerste drie jaar.

19. Verkorting van de wachttijd voor een woning.

20. Verhoging van 40 naar 100 zloty’s van de daggelden en verhoging van de duurtetoeslag.

21. Invoering van vrije zaterdagen voor arbeiders in ploegendiensten en continudiensten. Als een vrije zaterdag niet mogelijk is compensatie met meer vakantie of andere vrije dagen.

De maatschappij aan de macht!

De dictators van Polen beweren dat ze zich tegen een voor genomen staatsgreep van Solidarnosc te weer moeten stellen. In werkelijkheid lijkt het eerder omgekeerd geweest te zijn: de arbeiders moesten zich tegen de groeiende passiviteit en ineffectiviteit van economie en bestuur te weer stellen. Hoe Solidarnosc vanuit de basis steeds meer economische macht bevocht schetst Zbigniew Kowalewski in een gesprek dat Michael Siegert eind januari in Wenen met hem had.

Solidarnosc in Lodz was, geloof ik, het meest succesvol met de controle op de autoriteiten wat betreft de levensmiddelendistributie, nietwaar?

Kowalewski: In Lodz hebben wij een maatschappelijke controle over de verdeling van de voedingsmiddelen voor elkaar gekregen. Solidarnosc heeft dat al lang van de regering geëist; maar die ging daarmee niet akkoord; ze zei, dat wie de controle over de levensmiddelendistributie in het land heeft, die heeft ook de macht. Maar in onze streek is het gelukt; vanaf oktober 1982 hebben wij na een lange strijd van de districtsautoriteiten een volmacht gekregen om in naam van deze autoriteiten de controle uit te oefenen. De volmacht ging erg ver; we konden praktisch alles controleren, behalve de reservedepots van de staat, hoewel we daarover in de praktijk ook op de hoogte waren.

Een ander werkterrein was de controle over het distributiesysteem met de bonnen. Op dit terrein was de situatie chaotisch: er werden bijvoorbeeld meer levensmiddelenbonnen gedrukt dan Lodz inwoners telt. Willekeurig heeft men enkele groepen die met de autoriteiten verbonden waren, meer levensmiddelenbonnen gegeven dan hun toekwam

Welke groepen?

Het partijapparaat, de militie, de veiligheidsdienst. Een andere oorzaak voor de chaos was, dat de levensmiddelenbonnen, wanneer ze in de winkel werden afgegeven, niet werden vernietigd, maar weer in omloop werden gebracht. Daarop was geen controle. We hebben geëist dat de bonnen die tot dan toe in Warschau gemaakt werden in Lodz gedrukt zouden worden. We hebben dat na vrij lange strijd bereikt; daarom kon Solidarnosc de levensmiddelenbonnen voor november en december zelf laten drukken onder controle van ons regionaal bestuur en de districtsoverheid. Voor het eerst werd precies het benodigde aantal bonnen gedrukt, We hebben ook de verdeling van de bonnen gecontroleerd, evenals hun vernietiging naderhand in de winkels. Door deze controle is de levensmiddelenvoorziening in de hele streek iets beter geworden, maar die bleef toch nog wel slecht.

Werden de rijen korter?

Misschien een beetje, maar het was belangrijker dat je, als je in de rij stond, er zeker van kon zijn iets te krijgen — daarvoor was zelfs dat niet zeker. Het kwam wel voor dat mensen drie dagen voor een slagerij stonden en op de bonnen niets konden krijgen!

Onder de bevolking deden geruchten de ronde dat er veel werd achtergehouden. Wat weet u daarvan?

We hadden precieze informatie over de reserves in de staatsdepots; we konden zelfs de districtsautoriteiten informatie verschaffen; ze zeiden steeds dat ze niet wisten wat er in die depots lag. Toen wij de controle op de distributie overnamen, deden we een sensationele ontdekking; we stelden vast dat vrij grote hoeveelheden vlees uit de slachterijen afgevoerd werden; de autoriteiten kregen een geheime richtlijn — van wie was niet bekend — die inhield dat flinke hoeveelheden vlees werden weggebracht — met onbekende bestemming. Nadat Solidarnosc de controle had overgenomen hielden die transporten op en daardoor was er meer vlees beschikbaar.

Wat weet u over de strategische reserves van het leger?

We koesterden de verdenking, dat die geheime transporten aan het leger werden geleverd. Het bewijs hebben we niet meer kunnen leveren.

U had plannen voor een “actieve staking”. Hoe zou zich dat hebben afgespeeld?

Het idee voor actieve stakingen is in onze streek ontstaan. Deze actie ging van mij uit. We waren van plan vanaf 21 december in de hele regio Lodz actieve stakingen te houden. Productie en distributie zou door de stakingscomités in de bedrijven onder controle van de regionale leiding van Solidarnosc moeten worden overgenomen. Daardoor zouden de producten aan de maatschappij ten goede zijn gekomen: we zouden ze voor nuttige doeleinden gebruikt hebben. We waren ook van plan het scala van producten te veranderen. We wilden bijvoorbeeld in de industrie spullen voor de landbouw produceren. Heel eenvoudige productiemiddelen zoals spijkers of kettingen, die op het platteland nodig zijn, werden bij ons niet gemaakt, om nog maar te zwijgen over ingewikkelder productiegerei. Dat zou bovendien belangrijk geweest zijn omdat de uitwisseling tussen stad en platteland zo goed als verbroken was. Al lang hadden wij de autoriteiten op dit dreigende gevaar gewezen, maar het leek alsof die totaal geen belang stelden in een productie ten behoeve van de landbouw; ze hebben niets ondernomen. Het idee van de actieve staking is nauw verbonden met het arbeiderszelfbestuur. De actieve staking zou beëindigd worden, zo gauw als zeker zou zijn dat de macht in de bedrijven van de stakingscomités op het arbeiderszelfbestuur (arbeidersraden) zou overgaan.

Waren er al actieve stakingen?

Zoals wij die van plan waren nog niet, maar er waren aanzetten toe. Op veel hogescholen was er (in december) een staking waarbij de studieprogramma’s werden voortgezet, niet volgens het van bovenaf voorgeschreven programma maar volgens zelf opgestelde programma’s. Voorbereidingen voor actieve stakingen werden de laatste weken voor de oorlogstoestand in bedrijven in het hele land getroffen. De tractorenfabriek in Ursus was ook al voor 14 december op een actieve staking ingesteld. Eén van de grote filialen van Huta Katowice in Pople was al vanaf 8 december voor de actieve staking paraat. Net zo was het in andere grote bedrijven in het hele land.

Ursus zou dus de tractoren direct aan de boeren hebben geleverd, buiten de landbouwkliek van de staat om?

Jazeker! Ja, we wilden de tractoren rechtstreeks aan de boeren leveren, onder gezamenlijke controle van het bedrijf en Boeren-Solidarnosc.

Het arbeiderszelfbestuur heeft in de laatste maanden voor de “oorlog” in Polen grote vooruitgang geboekt; jullie hebben al vóór een wettelijke regeling arbeidersraden gekozen, nietwaar?

De verkiezingen voor de arbeidersraden waren al sinds januari 1981 aan de gang. In die maand riep de leiding van Solidarnosc van Lodz op, zulke raden te kiezen, om daaraan het zelfbestuur te kunnen overdragen. Dit initiatief is naar andere delen van het land overgeslagen. Volgens een niet helemaal volledig overzicht bestonden al in juli raden in meer dan duizend bedrijven. In het najaar ontstonden regionale coördinatiecomités van de raden. In november bestonden er zulke coördinatiecomités in 25 districten. In oktober kwam voor het eerst de landelijke federatie van het arbeiderszelfbestuur bijeen.

Wat waren de taken van die organen?

De arbeidersraden moesten de voorwaarden voor de invoering van een echt zelfbestuur scheppen en, waar de krachtsverhouding in het bedrijf het mogelijk maakte, dat zelfbestuur ook tot werkelijkheid maken. De arbeidersraden hebben zich er bijvoorbeeld voor ingezet dat de arbeiders de directeuren kunnen kiezen of afzetten. Directiefuncties zouden openbaar moeten worden uitgeschreven.

In veel bedrijven in Polen vond daarop zo’n mededinging plaats. In Lodz hebben we met behulp van een wetenschappelijk instituut een procedure voor deze mededinging uitgewerkt, waarmee in Lodz en elders directeuren werkelijk zijn gekozen. Iedereen kon deelnemen en voor het eerst doken ook bekwame vakmensen op. Dat zou de manier geweest zijn om de nomenclatuur (dus de bezetting van leidende functies door de partij) af te schaffen.

Kunt u voorbeelden geven?

Het gebeurde in honderden fabrieken. In de grote bedrijven was de tegenstand van de partijbureaucratie het sterkst. Een goed voorbeeld is de luchtvaartmaatschappij LOT. Daar liep het conflict (er was zelfs een staking) op een compromis uit; de kandidaat van de arbeidersraad werd weliswaar niet door het Ministerie van Verkeer erkend, maar tot plaatsvervangend directeur benoemd; ze hebben een zekere generaal Kowalski als directeur benoemd (die overigens door de arbeidersraad ook voor de mededinging was uitgenodigd maar niet wilde deelnemen). Bij de hoogovens Katowice heeft Solidarnosc zich vanwege een conflict tussen directie en arbeiders sterk gemaakt voor een stemming waarbij de arbeiders konden zeggen of de oude directeur moest aanblijven of dat men een nieuwe moest kiezen. De meerderheid van de arbeiders heeft zich daarbij voor een andere directeur uitgesproken. Een groep onafhankelijke deskundigen werd er vanuit Lodz naar toe gestuurd, die een competitie voor de functie moest organiseren. Het kwam echter niet tot die competitie omdat bij de hoogoven Katowice nog geen arbeidersraad was gekozen. Volgens onze principes was alleen een gekozen arbeidersraad gerechtigd zo’n procedure door te voeren. Maar het was duidelijk dat het tot een confrontatie zou leiden. We wilden ons dienovereenkomstig voorbereiden en eerst een arbeidersraad kiezen. Toen kwam de militaire coup ertussen.

Het programma van het arbeiderszelfbestuur is vooral door het zogenaamde “leidende netwerk” van de organisaties van Solidarnosc in de grote bedrijven naar voren geschoven. Wat wilden ze?

Het programma werd eigenlijk door twee Solidarnoscgroepen uitgewerkt, in januari 1981 in Lodz en een paar maanden later in die 17 grote bedrijven van het “leidende netwerk”. Er bestaat een verschil tussen beide programma’s en ieder heeft in het land zijn aanhangers. Wij in Lodz hadden het model, dat het arbeiderszelfbestuur in stappen opgebouwd zou moeten worden, te beginnen in de bedrijven, opklimmend tot op het nationale niveau. We hebben daarbij aangeknoopt aan het idee van professor Oskar Lange uit 1956; die heeft destijds voorgesteld in de Sejm (het Poolse parlement) een tweede kamer in te stellen, een economische kamer of zelfbestuurkamer. Haar leden zouden in democratische verkiezingen door de arbeiders, boeren en neringdoenden moeten worden gekozen en zou de economische beslissingen moeten nemen, met inbegrip van de planning. Het genoemde “leidende netwerk” wilde het arbeiderszelfbestuur alleen op bedrijfsniveau hebben. Maar toen we de landelijke federatie van het zelfbestuur hebben gekozen, werd iemand van het “leidende netwerk” een van de voorzitters — ze zijn in de buurt van ons standpunt gekomen, dat het arbeiderszelfbestuur naar boven toe uitgebreid moet worden.

Op het Solidarnosc congres was er een conflict om het zelfbestuur; dat hing geloof ik, samen met de houding van de Solidarnosc leiding tegenover het Sejmbesluit over dit thema.

De regering heeft een wet over de staatsondernemingen voorgelegd, dat artikelen over het zelfbestuur bevatte. Daarnaast was er het wetsontwerp van het “leidende netwerk” over zelfbestuur. Solidarnosc en de arbeidersraden riepen de afgevaardigden op het vakbondsontwerp en niet dat van de regering te ondersteunen, resp. het regeringsvoorstel dienovereenkomstig te veranderen. Bij de eerste zitting van het Solidarnosc congres in september werd op voorstel van Lodz besloten in het geval van een ongewijzigde aanname van het regeringsvoorstel tot een boycot van die wet op te roepen. We hebben met deze beslissing een grote invloed op Sejm gehad; de wet werd in onze richting veranderd. Toch waren we niet tevreden. Het Solidarnosc presidium heeft met deze versie evenwel kort voor de stemming in de Sejm ingestemd. We vonden dat het presidium daarmee op een te vergaand compromis was ingegaan. Destijds was er namelijk al een groep van meer dan 150 afgevaardigden in de Sejm die in het geval van een stemming tot opstappen bereid waren: ze dreigden de zitting te verlaten als met vakbondsbezwaren geen rekening werd gehouden.

Hoe stelden zich de afgevaardigden van de PVAP op?

De harde kern van het afwijzingsfront waren de partijloze afgevaardigden en die van de katholieke en niet-communistische groepen. Maar zelfs onder de partijleden was de stemming oppositioneel, hoewel niet zo strijdbaar. Op de tweede zitting van het Solidarnosc congres begin oktober werd het compromis scherp afgekeurd en werd het presidium ervoor bekritiseerd. Ik was een van de twee motie indieners. Er werd besloten een referendum over de omstreden punten van de wet te houden. Eén van die vier punten was, dat de arbeiders in de gesocialiseerde bedrijven de directeuren zelf zouden mogen aanwijzen.

Wat was er aan de hand met de door de regering voorgestelde wet op de noodtoestand; die hebben ze er in de Sejm toch de eerste keer niet doorgekregen?

Het wetsontwerp is nooit in de Sejm gekomen; het politbureau van de PVAP heeft de regering opgedragen zo’n wet uit te werken. De regering heeft tweemaal geaarzeld dit ontwerp aan de Sejm voor te leggen omdat de druk van Solidarnosc en van de hele maatschappij zo groot was dat de afgevaardigden over zo’n ontwerp niet wilden praten.

De regering was bang dat de wet er in de Sejm niet door zou komen?

In een land waar het parlement de regering blindelings gehoorzaamt, is een openlijke oppositie, zelfs als die in de minderheid zou blijven, voor de regering een ernstig prestigeverlies. Er was zelfs tegenstand onder de partijleden in de Sejm. Op 11 december moest een zitting van de Sejm plaatsvinden, waarbij de regering deze wet op de noodtoestand wilde presenteren. Ze lieten de zitting niet doorgaan.

Ziet u mogelijke tegenstellingen tussen de arbeidersraad als zelfbestuurorgaan en de bedrijfsvakbondscommissie? De arbeidersraad moet immers min of meer ondernemersbelangen behartigen?

Het arbeiderszelfbestuur is natuurlijk iets anders dan de vakbond, namelijk een soort collectieve werkgever. De vakbond daarentegen behartigt de belangen van de werkenden in het bedrijf. We hebben conflicten tussen arbeidersraden en vakbond verwacht, dat is heel natuurlijk. Daarom hebben we er ook op gelet dat de arbeidersraden onafhankelijk van de vakbond waren. Solidarnosc bestuurders waren bij de verkiezingen voor arbeidersraden niet toegelaten, zodat er geen dubbelfuncties zouden zijn. In de ontwikkelingsfase van de arbeidersraden was het nog weer anders. Solidarnosc heeft zich als enige maatschappelijke kracht voor het arbeiderszelfbestuur ingezet; de zelfbestuurorganen ontstonden in nauwe samenwerking met Solidarnosc, de arbeidersraden bestonden in meerderheid uit leden van Solidarnosc maar er werden ook leden van de branchebonden gekozen, zelfs partijleden.

Kunt u voorbeelden vertellen van conflicten tussen deze beide vertegenwoordigingsorganen in het bedrijf?

In aanzet kon je zulke conflicten al zien. Zo wilde bijvoorbeeld de arbeidersraad in een bedrijf rationaliseren; er zouden mensen ontslagen moeten worden. De vakbondscommissie kwam echter op voor het veilig stellen van de arbeidsplaatsen. We hebben in zulke gevallen geprobeerd in onderling overleg oplossingen te vinden.

Een vraag aan u als socioloog. Ik heb gemerkt dat de Poolse arbeiders in het begin niet sterk geïnteresseerd waren in het zelfbestuur. Was het niet een probleem van de ingenieurs, een idee van een middenlaag? Ik denk daarbij aan Gwiazda, Rulewski en anderen die ten onrechte voor “radicalen” zijn uitgemaakt en die ik eerder “ingenieursfractie” zou noemen.

Rulewski had nou juist tot op het laatst twijfels over het zelfbestuur en heeft dit idee nooit consequent ondersteund. Het initiatief kwam hoofdzakelijk van arbeiders uit de grote bedrijven daar was de stemming erg strijdbaar en was het zelfbewustzijn het verst ontwikkeld. In Lodz was het zonder meer zo dat de druk voor invoering van het arbeiderszelfbestuur van de arbeiders kwam en niet van de intellectuelen.

Zbigniew Kowalewski, 1943 in Lodz geboren, is als socioloog werkzaam hoewel hij voor etnoloog is opgeleid. Hij is lid van het presidium van Solidarnosc in Lodz en opsteller van talrijke discussiebijdragen en artikelen in de pers van Solidarnosc. Op 10 december 1981 kwam hij op uitnodiging van de vakbond naar Parijs waar hij sindsdien in het coördinatiecomité werkzaam is.

Solidarnosc voor de macht aan de arbeiders

Tijdens de laatste maanden van 1981 — gedurende de periode die onmiddellijk vooraf ging aan de militaire machtsgreep van 13 december — was de ontwikkeling van de antibureaucratische revolutie hard op gang een kwalitatieve stap vooruit te maken in Polen.

Steeds meer belangrijke sectoren werden zich steeds meer bewust van het beslissende karakter dat de vraag van de economische en de politieke macht kreeg.

Zoals in alle revoluties was de vraag van de macht de centrale vraag geworden. De Poolse arbeiders kwamen in beweging vanuit het verlangen daar voor eens en altijd een oplossing voor te vinden. Dat wordt duidelijk uit het artikel van Zbigniew Kowalewski, lid van het presidium van de regionale leiding van Solidarnosc in Lodz, die nu in Frankrijk woont.

Het artikel is eerder gepubliceerd in het Zweedse blad ETC en in Inprecor. De titels van de tussenkopjes zijn van Inprecor.

Tijdens de 2e zitting van het Eerste Nationale Congres van Solidarnosc hadden de radicale stromingen die het arbeiderszelfbestuur steunden, na een lange strijd een succes geboekt. Het congres verwierp het compromis, dat het Presidium van de Nationale Commissie van de bond (K.K.) had gesloten met de Sejm (parlement) over de wetten op het arbeiderszelfbeheer en de staatsbedrijven. Het congres vond echter, dat de strijd tegen die wetsvoorstellen van de baan was, ondanks dat die strijd had geleid tot een gedeeltelijke nederlaag van Solidarnosc, die voornamelijk het gevolg was van het door de K.K. gesloten compromis.

Op voorstel van de afgevaardigden van Lodz besloot men, dat de regeringsdecreten om beide wetten uit te voeren — deze waren immers in flagrante tegenspraak met de standpunten van de bond en de beweging voor zelfbeheer — onderworpen zouden moeten worden aan een referendum in de bedrijven. Op deze basis zou de vakbond moeten vechten voor de wijziging van de door de Sejm aangenomen wetten. Bovendien sprak het congres zich duidelijk en vastbesloten uit voor de voortzetting van de strijd voor een werkelijk arbeiderszelfbeheer. De bond moest de arbeidersstrijd hoe dan ook steunen, zelfs als dat zou leiden tot wetsovertredingen.[1]

Nadat deze resolutie was aangenomen ging een deel van de activisten die voorstander waren van zelfbeheer zonder de afloop van het congres af te wachten, aan de slag met de voorbereidingen om de beweging voor zelfbeheer verder te ontwikkelen. Dat betekende het intensiveren van haar activiteiten en het uitbouwen van de organisatie. De regionale coördinatie van de zelfbeheerorganen van Opper-Silezië onder voorzitterschap van Jan Huzarewiez en bijgestaan door de deskundige Henryk Szlajfer, besloot in de praktijk te brengen waar de “Lublin Groep” al enige maanden voor streed. Onder initiatief van Opper-Silezië richtten de afgevaardigden van 17 coördinerende regionale organen op 17 oktober, al 12 dagen na het congres, het Organiserende Comité op van een Nationale Federatie van Zelfbeheersraden (KZ-KFS). Dit comité moest als de voorlopige leiding dienen tot aan de bijeenkomst van een Nationaal Congres van Arbeidersraden, waarvan de taak was de voorwaarden te scheppen, waaronder “een model voor het zelfbeheer van de economie en de staat ontworpen kon worden.”[2]

De debatten over het zelfbeheer

In tegenstelling tot de “Lublin Groep” had het Netwerk van de Vakbonds Organisaties van Solidarnosc (de “Siec”) met 17 grote bedrijven tot dan toe niet de idee ondersteund van een verticale structuur van de zelfbeheerbeweging. De “Siec” stond er zelfs vijandig tegenover. Maar vanaf dit moment was de “Siec” niet langer tegen. Eén van zijn bekendste activisten, Hans Szyc, werd zelfs gekozen tot voorzitter van de KZ-KFS. Men mag echter niet vergeten, dat het regionale coördinerende comité van Gdansk pas na lang aarzelen toetrad tot de Federatie en dat het comité van Laag-Silezië (Wroclaw) weigerde toe te treden. Beide stonden onder invloed van de “Siec”-activisten.

Tijdens het congres had een deel van de “Siec”-activisten zich verzet tegen de resolutie over het zelfbeheer, hoewel zelfs de meerderheid van de bij de “Siec” aangesloten bedrijven deelnam aan de strijd voor arbeiderszelfbeheer. De meeste “Siec”-deskundigen en een aantal Solidarnosc-activisten onder hun invloed waren echter voorstanders van de markteconomie en de concurrentie tussen de bedrijven. Daarom stelden deze laatsten zich dikwijls vijandig op tegen de radicale initiatieven van de Beweging voor Zelfbeheer. Omdat ze meer vertrouwen stelden in parlementaire democratie dan in de democratie van arbeidersraden, richtten ze zich liever tot het technische kader dan tot de arbeiders zelf. Maar de arbeidersbasis van de bond gaf duidelijk de voorkeur aan radicale acties.

Zoals de sociologe Jadwiga Staniszkis opmerkte, dreigde zich de kloof tussen deze basis en vele leiders te verdiepen, voor zover het een verschil in politieke visie betrof: “Ik vrees dat de taal van de leiders de basisactivisten weinig overtuigt” zo zei ze. “Zelfs de leuzen over socialisatie en zelfbeheer spreken weinig tot de verbeelding van de massa’s. Het is niet toevallig, dat het eenvoudiger is de idee van zelfbeheer aan te moedigen door te spreken over de greep naar de economische macht, zoals ik zelf doe; of door te spreken over de actieve staking zoals Kowalewski doet in Lodz”.[3]

Het is dus geen verrassing, dat de Solidarnosc leiding snel na de tweede zitting van het eerste congres toegaf. Allereerst werd de Federatie (KZ-KFS) niet als formele partner erkend door de Nationale Commissie van Solidarnosc (KK). Zonder, strikt genomen, dubbelzinnig te zijn, was haar stellingname in ieder geval niet duidelijk. Hoewel de Lodz-afvaardiging uitdrukkelijk had geëist, dat het referendum op z’n laatst 6 weken na het congres zou worden georganiseerd, treuzelde de KK met het nemen van de beslissingen, die de organisatie van de stemming mogelijk moesten maken.

De deskundigen bepleitten twee mogelijke tactieken: het referendum uitstellen naar een onbepaalde toekomst, of de consequenties van de uitslag proberen te beperken.

In het licht van deze situatie besloot de “Lublin Groep” op 13 november een ontwerp van 19 vragen voor het referendum op te stellen[4], dat ze inbracht bij het Comité van de Nationale Federatie voor Zelfbeheer, welk het aanvaardde. De deskundigengroep van de Nationale Kommissie (KK) stelde van haar kant een ontwerp op dat zich beperkte tot 4 vragen, wat getuigde van hun vastbeslotenheid de bestaande wetten niet al te zeer te betwisten. De deskundigengroep beweerde dat een aantal van de controversiële decreten m.b.t. de uitvoering van de wetten op een bepaalde manier als gunstig voor Solidarnosc uitgelegd kon worden, waarbij men voor het gemak over het hoofd zag, dat degenen die de macht hebben, d.w.z. de bureaucratie en niet Solidarnosc, de wetten interpreteren.

Tenslotte nam de KK onder druk van haar radicale vleugel de resolutie aan, die als datum van het referendum de eerste week van december vaststelde. Maar zij regelde noch de kwestie van de formulering van de vraagstelling, noch de wijze waarop de stemming moest worden georganiseerd. Deze datum bleek dus een fictie en kon dus niet in acht worden genomen. In dezelfde resolutie erkende de KK echter wel de noodzaak om coördinerende comités van zelfbeheersorganen op regionaal en nationaal niveau in te stellen, waarbij de vakbondsorganisaties verplicht werden te helpen bij het opzetten daarvan.[5] Dit betekende duidelijk een succes voor de radenactivisten, maar nog geen erkenning van het Organiserende Comité van de Federatie.

Daarnaast was de situatie voor de organen van arbeiderszelfbeheer in de bedrijven, hoewel niet altijd moeilijk, toch op z’n minst vaak zeer ingewikkeld.

In werkelijkheid leek het, dat de overheid niet van plan was notie te nemen van de resolutie van het Solidarnosc congres die eiste dat in vrijwel alle ondernemingen de directeuren gekozen moesten worden door de arbeidersraden of raden die het personeel vertegenwoordigen. Het werd duidelijk, dat de autoriteiten het exclusieve recht van de staatsorganen wenste te handhaven om de directeuren te benoemen van de 1500 grootste bedrijven in het land, d.w.z. van al die bedrijven die van doorslaggevend belang zijn voor de nationale economie. Het was duidelijk, dat de strijd om de partij nomenclatuur te doorbreken pas was begonnen.[noot van de vertaler — “Nomenclatuur”, Russische term die slaat op een lijst van alle belangrijke functies, waarvoor de kandidaten door de partij worden uitgezocht. Het schijnt ook op een geheime lijst te slaan van personen die door de partij als betrouwbaar worden geacht om dergelijke functies te kunnen bekleden. Als zodanig werkt het als een alomvattend web, waarmee het “apparaat” de samenleving kan controleren. Inmiddels is een versie van zo’n lijst (in 1972 door het Centrale Comité van de Poolse Partij opgesteld) bekend geworden (Revue Française de Sociologie, no. 2, avril-juin 1979). Ze omvat de functies van ministers, topambtenaren, diplomaten, hoofdredacteuren van kranten, hoofden van wetenschappelijke instituten, voorzitters van provinciale en districtsraden, hoofdofficieren in leger en politie, bankdirecteuren, topfuncties in de officiële vakbonden, regionale leiders van jeugd- en veteranenorganisaties, museumdirecteuren, universiteitsrectoren, rechters, hoofden van radio en tv, commandanten van de brandweer e.d. In Polen heeft de nomenclatuur zo’n 100.000 leden, die behalve goedbetaalde baantjes ook andere privileges genieten (buitenlandse reizen, aantrekkelijke behuizing, goede opleidingsmogelijkheden voor hun kinderen, enz.) Ondanks eis 13 van de Overeenkomst van Gdansk in augustus 1980 is het nomenclatuur systeem vrijwel onaangetast gebleven, wat de uitvoering van de militaire ingreep op 13 december 1981 aanzienlijk vergemakkelijkte. Zie o.a.: Michail Woslenski “ Nomenklatura”, Wien, München 1980, Verlag Fritz Molden. “Dokumenty: Nomenklatura” in: ANEKS, kwartalnik polityczny, nr. 26, 1981, Uppsala. Denis MacShane Solidarity, Polands Independent Trade Union”, Nottingham, 1981, Spokesman Books.]

De meest strijdbare en bewuste sectoren van de Beweging voor Zelfbeheer weigerden evenwel in te binden. Ondanks de problemen bleef de strijd voor de verkiezing van de directeuren doorgaan. Een steeds groeiend aantal arbeidersraden ging over tot het kiezen van directeuren volgens de methode die uitgewerkt was door onafhankelijke deskundigen, leden van de afdeling Lodz van de Wetenschappelijke Bond voor Organisatie en Beheer. Sinds augustus was deze methode verbreid door de “Lublin Groep”.[6] Zonder acht te slaan op de positie van de autoriteiten nodigden de arbeidersraden dikwijls de deskundigen van Lodz uit hen te komen helpen bij de organisatie van de verkiezing van de fabrieksdirecteur.

De politiek van voldongen feiten bleef hier niet tot beperkt. De Wet op de Staatsondernemingen stelt duidelijk, dat het de directeur is die de fabriek leidt. De resolutie van het Solidarnosc congres stelde daartegenover, dat de bedrijven geleid moesten worden door de organen van zelfbeheer en dat het de taak van de directeur was hun besluiten uit te voeren. Overal waar Solidarnosc en de arbeidersraad de krachtsverhouding gunstig vond, volgde men niet de wet maar de positie van Solidarnosc.

Niettemin moeten we benadrukken, dat de arbeidersraden in de meeste gevallen nog geen zelfbeheerorganen waren, maar strijdorganen voor het zelfbeheer en de controle over de productie. “Deze controle vormt de centrale as van het overgangsprogramma voor een authentiek arbeiderszelfbeheer en tegelijk een van de belangrijkste strijdmethoden voor het zelfbeheer. In onze omstandigheden betekent deze arbeiderscontrole vóór alles een grondige kennis van het bedrijf en het vetorecht op de beslissingen van de bedrijfsleiding.” [7]

Los daarvan verklaarden de organen van zelfbeheer en de commissies van Solidarnosc in een groeiend aantal fabrieken uit naam van de arbeiders, dat ze een punt wilden zetten achter de afhankelijkheid van hun bedrijven van de Industriële Unies, die als tussenorganen van bureaucratisch management staan tussen de ministeries en de productie-eenheden. Het parasitaire karakter van deze unies is overduidelijk. [noot van de vertaler — Industriële Unies (Zjednoczenia Przemyslowe), in 1960 ingestelde verbanden die de afzonderlijke gesocialiseerde bedrijven per sector overkoepelen. Bv. BUMAR (Unie van de machinebouwindustrie), UNITRA (elektrotechnische industrie), PREDOM (huishoudelijke artikelen), STOMIL (rubberindustrie) e.a. Deze unies worden gefinancierd uit de winsten van de haar ondergeschikte bedrijven en fungeren als een bureaucratische schakel tussen het betreffende ministerie (machinebouw; chemie; mijnbouw; lichte industrie enz.) en de bedrijven, aan welke laatste ze directieven uitvaardigen inzake het plan, aard en controle van de productie, allocatie van de investeringen en dergelijke.]

In de bedrijven werden arbeiderscommissies ingesteld, die hun eigen plannen uitwerkten voor de instelling van democratische structuren tussen de fabrieken, gebaseerd op vrijheid van keuze, en om ontwerpstatuten voor het bedrijf voor te bereiden. Tegelijkertijd begonnen de regionale en nationale organen van de Beweging voor het Zelfbeheer soortgelijke projectontwerpen uit te werken en te verbreiden die het mogelijk maakten opnieuw het initiatief te ontnemen aan het bureaucratische apparaat.

De regionale coördinerende comités

De rol van de regionale coördinerende comités voor het zelfbeheer ging in het algemeen niet verder dan de organen van zelfbeheer in de fabrieken bij te staan in hun ontwikkeling en versterking. Het stadium van sociale controle over de economie hadden ze nog niet bereikt, maar niettemin deed men al de eerste stappen in die richting. Dit was vooral zo in Opper-Silezië, waar de autoriteiten probeerden de kolenproductie te verhogen door de arbeiders om te kopen en de werkweek te verlengen.

Tegen de achtergrond van een verdieping van de energiecrisis ontwikkelde het regionale coördinerende comité van de organen voor zelfbeheer een plan om de productie te verhogen dat gebaseerd was op geheel andere overwegingen. Dit plan voor de verhoging van de steenkoolproductie en van het efficiënte kolengebruik ging uit van “het resultaat van de veranderingen in de arbeidersorganisatie met het oog op: 1. de verhoging van de effectieve arbeid tijdens de werktijd; 2. de beperking van het elektriciteitsverbruik tijdens de productiecyclus”.[8] Men gaf aan, dat de productieve werktijd in de mijnen gemiddeld 66-73 % bedroeg van de nominale werktijd en dat gebrekkige organisatie leidde tot een energieverspilling van miljoenen tonnen steenkool.

De belangrijkste taak bleef toch om in zoveel mogelijk fabrieken organen voor zelfbeheer op te richten. De door de Sejm aangenomen wet stelde vast, dat 31 december de uiterste datum was tot wanneer in alle staatsbedrijven organen van zelfbeheer gevormd konden worden. Waar de arbeiders nog niet voorbereid waren op de idee van het zelfbeheer, kon deze limiet door de bureaucratie gebruikt worden om raden in te stellen, los van het bewustzijnsniveau en van de activiteit van de massa’s. Waar dit niveau laag was, zouden de raden gemakkelijk ten prooi vallen aan de politieke afhankelijkheid van de bureaucratie.

Om dit gevaar in te dammen zou de leiding van -Solidarnosc en van de regionale coördinerende comités van de Beweging voor het Zelfbeheer in ideologisch en organisatorisch opzicht al het mogelijke moeten doen. Maar terwijl deze coördinerende comités eind november weliswaar al in 25 regio’s bestonden, moet tevens aangetekend worden, dat buiten de grote industriële centra de leidingen van Solidarnosc vaak niet al te actief waren wat betreft het zelfbeheer.

In deze strijd speelden de grote bedrijven een sleutelrol. Hier kreeg het zelfbeheer de meeste steun van de arbeiders, maar in deze bedrijven was het ook vaak het moeilijkst te realiseren, omdat hier het functioneren van een directe arbeidersdemocratie veel ingewikkelder was. De wet stelde, dat de arbeidersraad direct gekozen moest worden. De “Lublin Groep” had zich eerder al uitgesproken ten gunste van de indirecte verkiezing via afgevaardigden[9], welk systeem geschikter was voor zeer grote bedrijven. Maar deze opvatting kreeg te weinig steun binnen Solidarnosc en het werd niet door de Sejm aangenomen. Het gevolg was niet alleen dat het verkiezingsproces van de raad langer duurde, maar ook dat het ingewikkelder werd. Dit probleem werd nog versterkt door een andere factor. Terwijl de idee om het zelfbeheer op te zetten vanuit de basis — uitgaande van ploegen, brigades en afdelingen — al sinds begin 1981 door verschillende activisten en theoretici werd verbreid[10], wekte het weinig belangstelling bij de arbeiders. In de grote bedrijven vergemakkelijkte dit allerminst de strijd tegen de verdeling tussen hand- en hoofdarbeiders, en dat maakte het weer moeilijker de interne relaties tussen de bedrijven te veranderen en het autoritaire systeem binnen het bedrijf op te ruimen.

Niettemin stelden de radicale stromingen in de bond het referendum en de strijd voor de wetsverandering niet als de enige manier voor om het arbeiderszelfbeheer te bevorderen.

De tactiek van de actieve staking

Begin augustus startte de regio Lodz een grote propagandakampanje rond de kwestie van de actieve staking, op grond van een door mij uitgewerkt plan.[11] De tweede voorzitter van de regionale Solidarnosc, Grzegorz Palka, werkte een voorstel uit met betrekking tot de tactiek en de strategie van de strijd voor een economische hervorming op basis van arbeiderszelfbeheer. Daarin had de actieve staking een belangrijke plaats. Bovendien ontwikkelde Andrzej Slowik, de voorzitter van de regionale Solidarnosc, een model voor een tweede kamer van de Sejm en voor de departementale raden die de economische macht van de arbeiders moesten vertegenwoordigen.[12] Daarnaast werd in oktober begonnen met het plan van vakbondscontrole op het rantsoensysteem en de distributie van consumptiegoederen[13]. Zo begon zich de strategie voor de strijd om de arbeidersmacht af te tekenen.

Op 23 oktober werd de actieve staking door Solidarnosc aanvaard als een van de strijdmethoden van de bond. In de die dag aangenomen resolutie waarschuwde de KK de regering, dat “de bond gedwongen zou zijn een actieve staking in bepaalde sectoren van de economie voor te bereiden en te organiseren.”[14], indien eind oktober zou blijken, dat de overheid niet in staat was daadwerkelijk de voedselvoorziening van de bevolking te verbeteren; indien de overheid zich zou blijven verzetten tegen de sociale controle op de economie en ze de repressie tegen de bond niet zou stopzetten.

Een paar dagen eerder had de voorzitter van de Journalisten Bond, Stefan Bratkowski, in een brief aan het 5e Plenum van het Centrale Comité van de PVAP (Poolse Verenigde Arbeiders Partij) geschreven, dat de samenleving heel goed in staat was het machtsvertoon van de overheid te beantwoorden met een actieve algemene staking: “Vergeet niet, dat de Polen een ongelooflijk vermogen tot zelforganisatie bezitten. Binnen een paar dagen leidt een algemene staking tot het opzetten van een spontaan netwerk van verbindingen, coördinatie en wederzijdse hulpcomités. Tijdens zo’n staking blijven de bedrijven functioneren, productie en distributie draaien, met dat verschil dat de overheid er niets meer over te zeggen zal hebben.”[15]

Paniek maakte zich meester van de autoriteiten. Een week later, tijdens een bijeenkomst van de Sejm, waarschuwde Premier Jaruzelski degenen die tot actieve stakingen zouden kunnen overgaan voor de risico’s die ze daarmee zouden lopen. Andere partijleiders, waaronder Stefan Olszowski, secretaris van het Centrale Comité, legden soortgelijke verklaringen af. Het centrale orgaan van de PVAP, Trybuna Ludu, wijdde een lang commentaar aan de brochure Over de tactiek van de actieve staking. Er werd in gesteld, dat die brochure een scenario bevatte voor een machtsgreep door Solidarnosc, waartegen men zich koste wat kost moest verzetten.[16]

Ondanks haar eerdere besluit maakte de KK geen aanstalten om actieve stakingen voor te bereiden. In kringen van de deskundigen werd zelfs een gezamenlijke aanval ingezet tegen deze tactiek. Tijdens een discussie op het Centrum voor Sociaal en Beroeps Onderzoek in Warschau brachten sommigen van hen naar voren: “ Een actieve staking is heel moeilijk te organiseren maar zeer eenvoudig om zeep te helpen.”[17] Sommige technici die een markteconomie voorstonden, moesten niets hebben van de organisatie van een gecentraliseerde radenmacht. “ Het grijpen van de economische macht tijdens een actieve staking, gevolgd door de instelling van een regering van arbeidersraden, zou leiden tot de vervanging van de ene centrale bureaucratie door de andere; het bestaande autoritaire systeem van distributie en centrale besluitvorming zou slechts plaatsmaken voor een soortgelijke.”[18]

Tijdens een vakbondsvergadering op 4 december in Lublin verklaarde een van de meest invloedrijke deskundigen van de KK, dat de actieve staking “ een door ultralinksen en trotskisten gelanceerd idee was, dat aardig klinkt, maar waarvan niemand precies weet wat het voorstelt.” Die opmerking irriteerde vele aanwezige arbeiders. Zij wisten niet alleen goed wat een actieve staking was, maar ze werkten zelfs aan concrete plannen om zo’n staking in hun eigen fabriek in de praktijk te brengen.

Dit was niet zo maar een geïsoleerde reactie onder de arbeiders. In november en begin december won de idee van de actieve staking snel aan populariteit in de vakbond, met name — maar niet uitsluitend — onder de arbeiders in de industriële bedrijven.

Een sociologisch onderzoek, dat begin november in de regio Lodz werd gedaan, gaf te zien dat 65 % van de vakbondsleden vóór de actieve staking was, en maar 12 % voorstander van de klassieke passieve staking.[19] In een groot modern bedrijf in Lodz, “Wifama”, sprak 85 % zich uit voor de actieve staking. De arbeiders zagen deze methode als een doeltreffende, waarmee de samenleving de strijd kon aanbinden met de crisis en met de economische politiek van de bureaucratie, die tegengesteld was aan hun belangen. De voorzitter van Solidarnosc in de kolenmijn “Manifest Lipcowy” verklaarde het als volgt: “ Het enige perspectief is de instelling van sociale controle over de productie. En het enige doeltreffende middel, waar we vandaag over beschikken om dat te bewerkstelligen, is de actieve staking. Dat is een actievorm, die ons in staat stelt controle uit te oefenen over het gehele proces, vanaf de productie in de fabriek tot daar waar het product op zijn bestemming komt.”[20]

Sommige regionale leidingen van Solidarnosc begonnen zich voor te bereiden op de actieve staking en speciale ploegen werden daartoe in het leven geroepen. Dat was niet alleen zo in Lodz, maar ook in Stalowa Wola en Warschau. Tijdens de patriottische demonstratie van 11 november riep de vice-voorzitter van Solidarnosc in Warschau, Seweryn Jaworski, de arbeiders op zich door middel van de actieve staking voor te bereiden op de controle van de bedrijven.

Op 6 december deed de voorzitter van Solidarnosc Lublin, Jan Bartczak, een soortgelijke oproep. Tegelijkertijd publiceerde de regionale leiding van Opper-Silezië het plan om een centrale op te richten van de vakbond die de goederen moest distribueren die tijdens actieve stakingen geproduceerd zouden worden. Grzegorz Palka, de verantwoordelijke voor de economische hervorming in het presidium van de KK, stelde een informele coördinator in Lodz aan om de voorbereidingen te treffen voor een actieve staking op nationaal niveau. In feite bestond er al een bepaalde coördinatie op dit gebied tussen Lodz, Warschau en Stalowa Wola. In Warschau had Jerzy Dyner, lid van het presidium en tevens activist van de “Lublin Groep” al een praktische handleiding opgesteld voor de actieve staking.

De kwestie van de “arbeiderswacht”

Tegelijkertijd kreeg de oproep om een “arbeiderswacht” in te stellen een zeker gehoor. Het ging hier om de zelfverdedigingmilities van Solidarnosc. Op 2 december lanceerde het presidium van Lodz een “ Actievoorstel voor de vakbond: de actieve staking gecombineerd met de instelling van arbeiderswachten”; deze moesten “ de fabrieken en het distributienetwerk verdedigen tijdens de actieve staking.” De volgende dag tijdens een bijeenkomst te Radom van het presidium van de KK verzocht Grzegorz Paska de bond een oproep te doen om over te gaan tot de instelling van arbeiders-zelfverdedigings-wachten. Een van de vakbondsleiders uit Lublin verklaarde op 4 december “Als Solidarnosc op dit niveau geen maatregelen treft, dan zullen we verrast worden en niet in staat zijn ons te verdedigen. We moeten ons niet alleen voorbereiden op de actieve staking maar ook voorbereidingen treffen voor onze zelfverdediging tegen aanvallen en provocaties van de autoriteiten.”

De instelling van arbeiders-zelfverdedigings-wachten werd des te dringender, naarmate de “territoriale operationele groepen” van de strijdkrachten hun intrede begonnen te doen in de bedrijven. Dit versterkte de verdenking dat hun doelwit was inlichtingen te vergaren met het oog op de aanval op de fabrieken.

Op dat moment had de crisis al een openlijk revolutionair karakter. In november was de overheid duidelijk al afgestapt van de gedachte haar eigen economische hervorming (een zeer verwaterde overigens) in januari 1982 in te voeren. Ze verlegde deze hervorming naar 1983 op z’n vroegst. Op 3 december schreef het presidium van de KK: “ Het zogenaamde voorlopige economische systeem voor 1982 (“Provizorium) handhaaft in de praktijk het oude systeem van beheer over de economie, terwijl de arbeiders en de bedrijven de verantwoordelijkheid te dragen hebben voor beslissingen die in handen blijven van de centrale organen. Dit komt neer op het nietig verklaren van de hervorming en van de wetten op de onderneming en het zelfbeheer; wetten die al door de Sejm waren aangenomen. Hierdoor worden vele bedrijven bedreigd met faillissement of met ontslagen. Behalve het Provizorium voorziet de overheid drastische prijsverhogingen, en eist ze van de samenleving betaling voor een hervorming die nog moet plaatsvinden. De bond zal geen prijsverhogingen accepteren zonder economische hervorming. Wij zullen de arbeiders verdedigen tegen de gevolgen van deze verhogingen - fabriekssluitingen, ontslagen en loonsverlagingen - met allle middelen waarin onze statuten voorzien en die in overeenstemming zijn met de wettelijk erkende doelstelling van de bond.”[21]

Door de beslissing van de overheid nam de ontevredenheid in de arbeidersklasse toe. De arbeiders hadden veel van de economische hervorming verwacht omdat zij beseften dat een hervorming onontbeerlijk was voor de bestrijding van de crisis. Zo groeide ook de vastbeslotenheid om zelf met eigen middelen het initiatief tot een hervorming te nemen. De nieuwe onderhandelingen tussen de KK en de regering hadden niets opgeleverd. Het werd eenieder duidelijk dat de autoriteiten er slechts op uit waren tijd te winnen. Ze weigerden enige concessie te doen, noch over de toegang tot de media voor Solidarnosc, noch over de sociale controle over de distributie, de economische politiek of de prijshervorming. De samenleving begon zich bedreigd te voelen door de bureaucratie die in het geheim werkte aan een aanval op Solidarnosc en aan een wet die haar speciale volmachten verleende.

De radicalisatie van de massa’s verdiept zich

De radicalisatie van de massa’s begon zich snel te ontwikkelen en zette druk achter de strijd tegen de macht van de bureaucratie. Naast de oproep tot actieve stakingen vond de eis van vrije verkiezingen van de plaatselijke overheden en de Sejm steeds meer gehoor. Onder de druk van de arbeiders kreeg de leiding van de bond in de gaten, dat een confrontatie onvermijdelijk was en dat het niet langer mogelijk was het vraagstuk van de macht uit de weg te gaan, die door de arbeidersklasse al op de dagorde was gezet. Het was haar niet langer mogelijk deze druk te weerstaan.

Zbigniew Bujak, de voorzitter van Solidarnosc in de regio Warschau, was een van de leiders die besefte dat een vastberaden strijd geboden was tegen de tactiek van de overheid inzake de economische hervormingen en de verkiezingen. Hij zei: “ Dit bekent een conflict met de autoriteiten, een conflict, welhaast een allerlaatste, vergelijkbaar met Bydgoszcz (waar de politie in maart vakbondsleiders had aangevallen), maar ditmaal mogen we niet wijken. We zijn er zeker van dat dit de enige weg is die we kunnen kiezen. Als we verliezen, kan de situatie er moeilijk nog slechter op worden dan die al is, maar we zullen in ieder geval in een betere positie verkeren, dan als we toegeven. Concessies staan gelijk met onszelf ontwapenen, met terugvallen op pure ‘vakbonds’ posities.”

Andrzej Slowik had een soortgelijke analyse van de situatie. Na de massale bijeenkomsten in de 12 grootste fabrieken van Lodz, waarbij de arbeiders duidelijk hun steun betuigden aan de actieve staking en aan de formering van arbeiders zelfverdedigings wachten, vertelde hij mij op 9 december: “ Na de provocatie van Bydgoszcz in maart waren we in een revolutionaire situatie aanbeland, maar daar wisten we geen gebruik van te maken. We sloten toen een compromis, waarbij we de algemene staking afgelastten. De huidige situatie is nu opnieuw in een revolutionaire fase gekomen. Als we nu niet dienovereenkomstig handelen, dan verraden we de arbeidersklasse die niet langer meer kan wachten. Zij weet immers, dat de autoriteiten de samenleving in een crisisstadium willen houden, al was het alleen maar om haar privileges te redden en haar eigen belangen te verdedigen. Dat hebben de arbeiders van de fabrieken me vandaag zelf verteld. Ik beschouw dat als een mandaat en op deze basis moet ik naar Gdansk. Er bestaat geen ander alternatief: het is óf een bureaucratische dictatuur die de samenleving verplettert, óf het socialisme van het zelfbeheer en van de arbeidersklasse.”

In Lodz besloot men tot actie over te gaan om de bureaucratie haar economische macht te ontnemen en om een systeem van arbeiders zelfbeheer met revolutionaire middelen in te stellen. De eerste actieve staking in het land zou op 21 december in onze regio uitgeroepen worden, de arbeidersklasse zou de controle ter hand nemen over productie en distributie. En tegelijk zouden er arbeiders zelfverdedigings wachten in de fabrieken worden ingesteld.

Bovendien waren we begonnen de kwestie van de sociale prioriteiten en van een rationele energiedistributie voor de industrie te onderzoeken. De bond nam maatregelen om de controle over het energienet van de regio over te nemen. Dit was een belangrijk element bij de voorbereiding van een regionale actieve staking. De stemming van de arbeiders kwam tot uiting in het communiqué van 8 december van het Centrum voor Sociaal en Beroepsonderzoek te Lodz: “ 88,3 % van de ondervraagden zeggen, dat ze de leiding van de bond actief zullen steunen, welke risico’s er ook mee verbonden kunnen zijn, als deze mocht besluiten acties te ondernemen om de eisen van augustus 1980 ingewilligd te krijgen, ook al betekent dat een confrontatie met de bestaande macht. Bij de vormen van confrontatie wordt het vaakst de actieve staking genoemd.”[22]

Binnen de regionale leiding van Solidarnosc was men ervan overtuigd, dat de oproep tot een algemene actieve staking geen steun zou vinden bij de meerderheid van de nationale leiding van de vakbond. Er werd besloten, dat, in geval Andrzej Slowik weerstand zou ontmoeten, hij de KK om groenlicht zou verzoeken voor een actieve staking in zijn eigen regio. Het was te voorspellen, dat de regio Lodz andere regio’s achter zich zou weten te krijgen die beslist actieve stakingen wilden ondernemen en dat dit vroeg of laat de krachtsverhoudingen binnen de KK zou veranderen.

De door Solidarnosc voorgestelde tactiek en strategie om het probleem van de macht op te lossen zou dan zo door de bond in z’n geheel kunnen worden aanvaard. De massa’s zochten naar radicale actievormen en met actieve stakingen zouden ze in de aanval hebben kunnen gaan. Door de economische macht over te nemen, zouden de arbeiders de nodige krachten hebben kunnen verzamelen om het vraagstuk van de politieke macht op te lossen. De groei van het arbeiderszelfbeheer met revolutionaire acties, zou de aanzet hebben gegeven tot de ontwikkeling van lokaal en territoriaal zelfbeheer en daarmee tot het losmaken van de energie van miljoenen mensen. Dit zou tevens een hechte basis geven aan de eis voor vrije verkiezingen. Zou de krachtsverhouding gunstig genoeg blijken uit te vallen voor de oplossing van het probleem van de politieke macht, dan zou dat kunnen leiden tot een uitbreiding van de dubbele macht. De leiding van de regio Lodz was van mening, dat dan een geslaagde actieve staking tot de formatie moest leiden van een Kamer van Zelfbeheer of een Sociaaleconomische Kamer van de Sejm op nationaal niveau én van zo’n orgaan voor zelfbeheer op het niveau van de provinciale raden [noot van de vertaler — Deze verkiezingen zouden in maart 1982 gehouden worden, maar zijn sinds de oorlogstoestand uitgesteld.] Een dergelijke instantie moest op democratische wijze gekozen worden door alle producenten — loontrekkers, boeren en individuele ambachtslui — en zou de gehele economische staatsmacht in haar handen moeten concentreren.

De laatste bijeenkomst van de leiding van Solidarnosc

De laatste vergadering van de KK op 12 december gaf een samenvallen van de standpunten van Lodz en die van de andere regio’s te zien.[23] De afgevaardigde van de regio Krakow bracht het volgende actieprogram voor Solidarnosc in:
“a. De nationale Kommissie (KK) gaat in overleg met de Nationale Federatie van Zelfbeheersraden (KZ-KFS) een integraal voorstel voorbereiden van wetsontwerpen en andere juridische regels inzake de economische hervorming. Het voorgestelde economische model zal dan via een referendum worden voorgelegd in de fabrieken om zo snel mogelijk de steun van de samenleving te verkrijgen.
b. Tijdens de algemene staking maakt de vakbond een begin met de invoering van de economische hervorming. Dit wordt centraal gecoördineerd door een Nationale Sociaaleconomische Raad, door de bond als voldongen feit in het leven geroepen.
c. De bond verklaart de staking voorbij, als de economie op alle niveaus in overeenstemming met de nieuwe beginselen begint te functioneren.
d. De verwerkelijking van genoemde doelstellingen zal slechts mogelijk zijn als de bond toegang heeft tot de massamedia. De KK zal een actieve staking uitroepen bij radio en tv, de kranten, de grafische bedrijven en in het transport- en distributiewezen van de pers, zodat deze communicatiemiddelen ten dienste komen van de samenleving.
e. De nationale staking die is aangekondigd in het communiqué van 3 december van het Presidium van de KK, zal worden afgelast indien de autoriteiten van de Volksrepubliek Polen afzien van hun voornemen zichzelf speciale volmachten te verlenen. Los van wat er verder gebeurt, zal de KK haar inspanningen opvoeren om de hervorming te verwezenlijken, waarbij ze afziet van de tot nu toe gevoerde ondoeltreffende politiek van concessies en compromissen.
f. Alle onderhandelingen tussen de vakbond en de autoriteiten moeten van af nu rechtstreeks op de tv worden uitgezonden.”

Severyn Jaworski uit Warschau verklaarde zijn steun aan actieve stakingen als voortzetting van de algemene staking die de bond zou moeten uitroepen bij de uitroeping van de staat van beleg: “We zijn er ons volledig van bewust, dat we een algemene staking niet lang kunnen volhouden. Tijdens de sit-in stakingen moet direct worden begonnen met de organisatie van actieve stakingen.” Meer nog, ervan overtuigd dat extreme groepen in het overheidsapparaat van gewapend geweld gebruik wilden maken, voegde hij eraan toe: “ Volgens mij moeten we arbeiders-zelfverdedigings-wachten vormen in alle regio’s en met name in de grote bedrijven. Hoewel die niet over speciaal materiaal kunnen beschikken, zullen we ze toch zeker nodig hebben. Die kunnen een kracht vormen, waar de op confrontatie uit zijnde extreme groepen rekening mee moeten houden.” — De afvaardiging van Opper-Silezië nam een dergelijk radicaal standpunt in, dat echter anders was. Volgens haar moest de bond haar werkzaamheden richten op de strijd voor de komende provinciale- en gemeenteraadsverkiezingen [noot van de vertaler — Een referendum in juni 1946 maakte een eind aan de senaat, zodat de Sejm (parlement) sindsdien maar één kamer kent.], voor vervroegde Sejm-verkiezingen, en ook voor de socialisatie van de massamedia: “We hopen op een positief gebaar van de Sejm. En het enige positieve gebaar dat het mogelijk maakt haar historische missie te volbrengen, is het uitschrijven van vervroegde verkiezingen. Maar daar kunnen we nauwelijks op rekenen. Daarom moeten we die verkiezingen zelf organiseren, zonder Sejm en autoriteiten. Onze bond heeft samen met iedereen en alle organisaties maar één aspiratie: dat de macht in Polen daadwerkelijk overgaat in handen van het Poolse volk.”

De gematigde stroming kwam met een heel andere tactiek op de proppen. Haar belangrijkste woordvoerder was Jan Rulewski, voorzitter van de regio Bydgoszcz. Volgens hem waren samenleving en overheid een confrontatiefase ingegaan, die zich verscherpt had sinds augustus 1981: “ Hier doen zich de tekenen voor van een algemene krachtmeting, waarvan het hoogtepunt op een algemene en actieve staking zou moeten uitlopen.” Maar volgens hem moest men zich tegen zo’n koers verzetten en zoeken naar een “politieke oplossing” van de machtscrisis, op basis van de ervaring van de parlementaire democratieën. “ De westerse maatschappijen, de democratische samenlevingen hebben al sinds lang rationele instituties geschapen voor de oplossing van politieke confrontatie, nl. het parlement, of onze Sejm.”

Terwijl hij zich probeerde te beroepen op de arbeiders die steeds nadrukkelijker riepen om vrije en vervroegde verkiezingen voor de Sejm, verklaarde Jan Rulewski: “ De strategie van de vakbond moet miljoenen mensen in staat stellen zich te laten horen en daarom zou ik, gezien deze confrontatie, de organisatie van een referendum willen voorstellen, waarbij niet alleen de vakbondsleiding zich kan uitspreken, maar de hele bond, haar 10 miljoen leden, of, als andere sociale krachten zich aansluiten, de hele maatschappij. Maar bij wijze van tactisch spelletje moet dit referendum niet alleen vragen bevatten over zelfbeheer. Het moet ook laten zien, of de samenleving zich uit wil spreken voor een motie van vertrouwen in het bestaande systeem van vertegenwoordiging, in de Sejm, de regering en in het huidige systeem van machtsuitoefening in ons land.”

Zou daarentegen het referendum een motie van wantrouwen in bestaande systeem opleveren, dan zou Solidarnosc op die basis een algemene staking moeten uitroepen. Zou de regering bij zo’n staking geen politieke oplossing accepteren, dan moest er een voorlopige regering gevormd worden, bestaande uit onafhankelijke specialisten. De taak van deze regering zou liggen in het organiseren van vrije verkiezingen voor de Sejm en andere vertegenwoordigende organen, wat neerkomt op de instelling van soevereiniteit van het volk.

De door de regio Bydgoszcz voorgestelde tactiek kende een aantal zwakke punten. Allereerst ging ze niet uit van een analyse van de concrete politieke situatie in tegenstelling tot de benadering van de afgevaardigden van de regio Lodz. Volgens deze laatste was het uitgangspunt het bestaan van een direct revolutionaire situatie, van waaruit de activiteit van de bond bepaald moest worden. Een situatie van krachtmeting tussen regering en maatschappij kon zich elk ogenblik voordoen, maar in Jan Rulewski’s voorstel kwam de directe mobilisatie van de massa’s niet voor.

Onduidelijk was hoe de macht uit handen van de bureaucratie gegrepen kon worden zonder dat het tot een directe confrontatie zou komen, zonder een kwalitatieve sprong in de ontwikkeling van een tegenmacht van de maatschappij zoals die belichaamd werd in Solidarnosc. Een passieve staking, zelfs een algemene, zou dit probleem niet kunnen oplossen. De door Jan Rulewski voorgestelde tactiek was gebaseerd op illusies, die al maanden ervoor verworpen waren door de massa’s en door een steeds groter aantal Solidarnosc-leiders.

Het feit, dat de parlementaire democratie door Jan Rulewski gezien werd als de toekomstige regeringsvorm van de werkende massa’s, is niet zonder betekenis. De radicalere stromingen verwierpen weliswaar de parlementaire democratie niet, maar spraken zich uit ten gunste van een combinatie ervan met een echte radendemocratie.

De tactiek zoals voorgesteld door de regio’s Lodz, Krakow en Warschau had een duidelijk voordeel boven die van de regio Bydgoszcz. Ook zij vertoonde echter een zwakte die teruggevonden wordt in alle tactieken van de Poolse Revolutie 1980/1981. In haar strijd om het vraagstuk van de macht op te lossen ontwierp zelfs de meest revolutionaire stroming binnen Solidarnosc geen politieke lijn om “het leger voor zich te winnen”. Het gevoel van macht die uit de massabeweging voortkwam, was zo groot, dat zelfs de meest politiek bewusten slachtoffers waren van de illusie, dat deze macht volstond om het leger te neutraliseren en dat het probleem van de confrontatie nog niet aan de orde was. Deze illusie zou Solidarnosc en de gehele massabeweging een paar uur later duur komen te staan.

De KK nam geen enkele van de voorgestelde tactieken aan. Het bleef bij een oproep voor een referendum over het systeem en de wijze van machtsuitoefening, hetgeen verenigbaar was met alle naar voren gebrachte tactieken.

Het debat over hoe het machtsvraagstuk tot een oplossing gebracht diende te worden bleef open. Zo nam Solidarnosc een defensieve positie in op het tijdstip dat zij en de hele samenleving bedreigd werd met een aanval van de autoriteiten, op het moment, dat het duidelijk was, dat degene die het initiatief nam en de eerste klap zou uitdelen, het voordeel zou behalen in de confrontatie.

Zbigniew Kowalewski


[1] Dokumenty Zjazdu (documenten van het congres, BIPS, Gdansk, 1981, p. 124-126.
[2] AS, Solidarnosc bulletin voor de regio Warschau, nr. 45, 13-18 okt. 1981.
[3] Niezaleznosc (onafhankelijkheid) nr. 129, 16 sept. 1981.
[4] AS, nr. 52, 12-15 nov. 1981, p. 207.
[5] AS, nr. 49, 2-4 nov. 1981, p. 302.
[6] Samorzad (Zelfbeheer), Bulletin van de Lublin. Groep, nr. 2, p. 22-26.
[7] Zbigniew Kowalewski “Solidarnosc i Walka o samorzad zalogi” (Solidarnosc en de strijd om het werknemers zelfbeheer), Lódz, 1981, p. 23.
[8] Henryk Szlajfer, S. Jablonski, W. Latoch, H. Nojman “Wzrost produkcji wegla kamiennego” (de verhoging van de steenkoolproductie), Katowice, 1981, stencil.
[9] Zie “Plan voor arbeiderszelfbeheer in sociale ondernemingen, eigendom van het hele volk”, opgesteld door de Conferentie van Lublin, 4 juli 1981. De arbeidersraden moesten indirect gekozen worden, niet door het voltallige personeel maar door een plenaire vergadering van afgevaardigden. De afgevaardiging hield in, dat de arbeidersraad van de onderneming gevormd wordt door vertegenwoordigers van de arbeidersraden in de afdelingen.
[10] Zbigniew Kowalewski, op.cit., p. 25-44; J.Strzelecki “Rady robotnicze 1956-1958” (Arbeidersraden) in: Robotnik (De arbeider), nr. 73, 1981, p. 4; Stefan Bratkowski “Nowy Marsyliusz”, Warschau, 1981.
[11] Zbigniew Kowalewski “O taktyce strajku czynnego” (Over de tactiek van de actieve staking), Lodz, 1981.
[12] “Programmatische voorstellen van het Presidium van de Solidarnosc leiding van de regio Lodz voor het 1ste congres van Afgevaardigden van Solidarnosc”.
[13] Zbigniew Kowalewski “Solidarité à la veille du coup de force ou la bataille du pouvoir”, Le Monde, 7 januari 1982.
[14] AS, nr. 46, 19-25 okt. 1981, p. 301.
[15] Ibid.
[16] A. Pawlowska “Czynnie po wladze” (Actief naar de macht) in Trybuna Ludu, 2 nov. 1981, p. 2.
[17] AS, nr. 48, 29 okt.-1 nov. 1981, p. 205.
[18] A. Krajewski “Oglosimy strajk, bedziemy pracowac” (We zullen de staking uitroepen maar doorgaan met werken), Przeglad Techniczny, nr. 47, 1981, p. 8.
[19] AS, nr. 50, 5-8 nov. 1981, p. 401.
[20] Verklaring van de voorzitter van Solidarnosc van de kolenmijn “Manifest Lipcowy” (Juli Manifest) te Jastrzebie.
[21] Komunikat, bulletin van de regio Lodz, nr. 294, 4-5 dec. 1981.
[22] Solidarnosc Ziemi Lodzkiej (bulletin van de regio Lodz), bijvoegsel nr. 24, 8 dec. 1981, p. 4.
[23] Alle volgende citaten zijn afkomstig van de bandopnamen van de laatste bijeenkomst van de Nationale Kommissie (KK) van Solidarnosc op 12 december ‘81.

Discussie

Nationale samenwerking óf een onafhankelijke beweging opbouwen

Jacek Kuron, in 1976 oprichter van het Comité ter verdediging van de arbeiders (KOR) en daarna raadgever van Lech Walesa in Solidariteit heeft uit de gevangenis van Bialoleka, waarin hij sinds de machtsgreep van de Poolse generaals geïnterneerd is, een in februari 1982 opgestelde en in Le Monde van 31 maart jl. gepubliceerde tekst gezonden.

Het document dat wij hieronder afdrukken en dat talrijke voorstellen bevat die een richtlijn geven voor de krachten, die zich verzetten tegen de bureaucratische repressie, is de samenvatting van de politieke denkbeelden van een van de stromingen van het verzet.

Als zodanig stelt het talrijke politieke problemen aan de orde.

Jacqueline Allio reageert op de stellingname van Kuron. Zij was correspondente voor de Franstalige bladen Rouge en Inprecor van de Vierde Internationale in Polen. Deze artikelen verschenen eerder in Inprecor van 8-4-1982.

Jacek Kuron

Nationale samenwerking voorwaarde voor vrede

1. De toestand van onze economie gaat iedere beschrijving te boven. Als we de aanstichters van de coup, die beweren dat zij zijn opgetreden om de economie te redden, mogen geloven, kan men slechts constateren dat de operatie geslaagd is, maar dat de zieke eraan is gestorven. In een van de officiële rapporten van het Centraal Bureau voor de Statistiek staat dat de productie in januari 1982, de eerste rustige maand van onze oorlog, met 13,6 % gedaald is ten opzichte van de maand januari 1981, die vele stakingen kende (vijf afgedwongen vrije zaterdagen) en met 17,5 % ten opzichte van december 1981, de eerste maand van de oorlog. In dit tempo belanden we over enige maanden onder nul. Statistieken kunnen gemakkelijk verbeterd worden. Kan men ook de economie verbeteren en haar doodsstrijd tegenhouden? Het antwoord van deze vraag hangt af van de interpretatie van de oorzaken van de catastrofe. Daaronder rekent men in het algemeen de ontmoediging van de arbeiders, de informatieblokkade door de staat van oorlog en de westelijke sancties. Deze drie oorzaken zijn zo duidelijk dat zij een andere, de belangrijkste, versluieren.

Het instorten van onze economie dateert niet van december 1981 en ook niet van augustus 1980. Wie erover durfden spreken voorspelden het vanaf 1976. Vanaf augustus 1980 waren alle competente personen het erover eens dat ons maatschappelijk en economisch leven door het falen van het gecentraliseerde beheer, het enige middel om de maatschappelijke activiteit te organiseren, dodelijk ziek was. De maatschappelijke krachten hadden geen enkele invloed op de ontwikkeling en de doelen ervan. Daar is de ziekte begonnen. Een hervorming van de economie en van de staat zou deze stand van zaken radicaal moeten veranderen.

Welnu, vanaf 13 december wordt het land, wat ook de verklaringen en zelfs de bedoelingen van de putschisten mogen zijn, militair geregeerd. Daardoor is het gehele sociaaleconomische leven onderworpen aan de bevelen van een centrale staf. De gehele actieve bevolking moet de orders uitvoeren en verslag doen over de situatie. Dat is misschien een goede techniek om oorlog te voeren, maar zeker de slechtste om het maatschappelijke leven te leiden.

De oorzaken van de dodelijke ziekte die aan ons knaagt zijn zo tot een karikatuur verscherpt. Zelfs indien een wonder zou gebeuren, indien de Polen zich ongeremd in het werk zouden storten en indien de kredieten van het Westen de toppen van het tijdperk van Gierek zouden bereiken, dan zouden de resultaten ervan in elk geval verspild worden met een snelheid die recht evenredig is met de militarisering van ons leven.

Een klassieke bezetting

2. De maatschappij leeft in een staat van oorlog. Degenen die de oorlog uitgeroepen hebben ontveinzen zich niet, dat zij haar tegen de maatschappij voeren. Dankzij de buitengewone discipline van de Polen, hebben we tot nu toe bloedige botsingen op grote schaal kunnen vermijden. Wij hebben daarentegen te doen met een klassieke bezetting, met briefcensuur, avondklok, massale razzia’s, huiszoekingen, arrestaties, militaire rechtbanken, collectieve verantwoordelijkheid enz. De terreur, de bedreigingen en de wanhopige oproepen tot kalmte zijn de enige taal die het regiem in stand houdt.

Wat bereikt zij daardoor en wat kan zij bereiken? De wanhoop en de haat van allen; de angst en de onderwerping van sommigen; de vastberadenheid en de strijdwil van anderen. De macht kan niet rekenen op de angstigen: hun onderwerping zal duren zolang de terreur duurt. De vastbeslotenen zullen strijden. Naarmate de repressie ruwer zal zijn, zullen zij vastbeslotener strijden. De achteruitgaande economie zal honger en ellende met zich meebrengen. De rijen van de vastbeslotenen zullen er door groeien. Wat de bezetters niet erg aanlokt: de annexatie van Poolse grond is nooit duurzaam geweest. De annexatie verstoort het maatschappelijke en economische patroon niet. De bezetting wel.

De verwijzingen naar de allereerste naoorlogse jaren missen elke grond. In die periode verdedigden en verwerkelijkten de communisten ten dele het programma van de gehele Poolse democratie, met inbegrip van dat van de boerenpartij. Het land werd weer opgebouwd. De westelijke gebieden werden aangepast. Daarom was er niettegenstaande een georganiseerd verzet, geen staat van oorlog, maar waren er integendeel, bepaalde niet te verwaarlozen democratische vrijheden.

Het voorbeeld van Hongarije na 1956 is droevig. Dat land had een aderlating ondergaan en de mensen die er het maatschappelijk leven moesten herstellen waren niet de oorzaak van de aderlating.

Geweld roept geweld op. De ongeduldigsten, de minst evenwichtigen zullen tot terreur geneigd zijn, een tweesnijdend zwaard. Terreur roept terreur op, maar de spiraal van de terreur kan niet door de terreur gestopt worden. Wie wind zaait zal storm oogsten.

Een rekenfout

3. Het gehele Sovjetblok is door de Poolse gebeurtenissen diep geschokt. De dodelijke ziekte, waarover ik gesproken heb, is het ergst in Polen, maar zij knaagt aan alle leden van het blok. Naarmate de economie moderner wordt stijgen de verlangens van de maatschappij en haar deelneming aan de internationale arbeidsdeling. De eisen van de bewapening dwingen de landen van het socialistische blok hun economie te moderniseren. In een ziek organisme betekent modernisatie massale investeringen, terwijl de efficiency stagneert, dus vermindert. Vandaar de groeiende afhankelijkheid tegenover het Westen en de steeds scherpere maatschappelijke conflicten.

We weten dat de oorlog in Polen onder druk van de USSR is uitgeroepen. Deze machthebbers hebben goede redenen de Poolse besmetting te vrezen. Maar ze hebben zich blijkbaar verrekend. De sancties hebben de samenwerkingsmogelijkheden met het Westen beperkt, zonder welke de economie van het blok niet normaal functioneren kan, omdat het gewicht van de steeds duurdere bewapening van nu af reeds boven zijn krachten gaat.

Door de ineenstorting van de Poolse economie is een belangrijke schakel van de economische samenwerking van het blok gebroken. De landen van het blok zijn echter toch verplicht Polen te helpen. Ze zijn er echter nauwelijks toe in staat. Hun volkeren moeten de last van de hulp dragen, die bovenop de last van een crisis komt, die in elk geval zich gaandeweg verscherpt. Het maatschappelijk geduld heeft echter zijn reeds zichtbare grenzen bereikt.

4. Kan de Poolse maatschappij wachten op de doodstrijd van het imperialisme? De Tsjechen hebben praktisch geduld gehad tot het einde van de Duitse bezetting, maar de oorlog voltrok zich, niet zonder hun deelname, voornamelijk buiten hun grondgebied en iedereen wist waarop men wachtte. Nu voltrekt de oorlog, ja er is oorlog, zich in Polen en doodsstrijd van het imperialisme is slechts een voorspelling.

Geen oproep kan de jongeren tegenhouden, die vechten willen. Als die afdoende is om de jongeren andere strijdvormen te verbieden, dan zal zij hen in het slop van het terrorisme drijven. Geen enkele oproep zal hun wanhoop en hun haat, dat explosieve mengsel, kunnen verminderen.

Het oproepen zich van bepaalde acties te onthouden, waaraan zelfs de hoogste autoriteiten meedoen, kan slechts doeltreffend zijn, als men andere wegen aangeeft om de crisis op te lossen. De bezetting heeft een streep gezet door elke mogelijkheid van vreedzame acties. Zij zet zelfs een streep door de zin van nauwgezette arbeid. Zolang de bezetting duurt ligt in de macht van niemand de vrede in Polen te garanderen. Alleen het regiem is daartoe in staat door een compromis met de maatschappij te sluiten, of de maatschappij door het regiem omver te werpen. In het tweede geval staan we tegenover de militaire Sovjetmacht.

Het meer dan ooit verenigde volk

5. De nationale samenwerking is een voorwaarde sine qua non voor de vrede. Om dat te bereiken moeten alle burgers het tenminste over enige waarden en enige basisdoelen eens zijn. Sedert augustus 1980 is het Poolse volk eensgezinder dan het ooit geweest is. Onze problemen kwamen voort uit de Sovjetdreiging, die de maatschappij dwong af te zien van een wezenlijk deel van haar aspiraties. Wij discussieerden over de omvang en de inhoud van dat deel. Wij streefden naar een compromis met de lieden die, in Polen, de belangen van de USSR vertegenwoordigen.

In naam van dit compromis aanvaardden alle Polen de beslissende rol van deze lieden in de leiding van de staat. Wij wilden slechts hun daden controleren en de maatschappij een werkelijke deelname aan de wezenlijke beslissingen verzekeren. De lieden van de USSR wilden geen compromis. In plaats van aan het hoofd van de natie een, al was het maar een beetje, democratische staat op te bouwen, vernielden zij de economie en de administratie. Na 13 december hebben zij hun werk voltooid door alle voor een maatschappelijk compromis noodzakelijke voorwaarden te vernietigen.

Dit compromis, d.w.z. een compromis tussen de maatschappij en de machthebbers, is vandaag nog minder mogelijk dan voor 13 december. Maar de bezetting zal, als zij doorgaat, onvermijdelijk het regeringskamp naar de catastrofe leiden. Als er in dit kamp lieden zijn met verantwoordelijkheidsgevoel, zullen zij zich afvragen of het initiatief voor een compromis voor hen even tragische consequenties zal hebben. Deze vraag is niet ongegrond. De Poolse maatschappij heeft goede redenen de bezetters rekenschap te vragen. Maar het episcopaat spreekt zich uit voor een compromis, en dat heeft in Polen een enorm gezag. Het zal gesteund worden door de meerderheid van de leiding van Solidariteit, door de mensen van de wetenschap en de cultuur, kortom door al degenen wier stem in Polen telt. Een nog belangrijker feit is, dat het initiatief tot een compromis het regeringskamp een maatschappelijk mandaat zou geven, dat hem sedert 1956 ontbroken heeft. Dat zou zeker een riskant initiatief zijn, maar de bezetting is zelfmoord.

6. Een massaal en goed georganiseerd verzet is de enige kans voor de Polen. Slechts zo’n beweging kan de golf van terrorisme bedwingen en het risico van een Sovjetinterventie verminderen in het geval dat het ontbreken van een initiatief voor een compromis de maatschappelijke explosie zeker zou uitlokken. De kracht van de bezetter berust op zijn vermogen de maatschappij te ontwrichten en snel kleine militaire eenheden voor het herstellen van de rust te laten optreden. In tegenstelling tot de periode van voor augustus 1980 moeten we ons dus concentreren rond een centrale kern en een absolute discipline daar tegenover tonen. Er moet een doeltreffend informatienet gevormd worden, al weten wij dat het op het beslissende moment geblokkeerd kan worden. De concrete doelen en de werkwijze van de beweging moeten allen bekend zijn.

Concessies en manifestaties

7. De activiteit van de beweging beperkt zich, buiten het geven van informatie, vandaag tot manifestaties, die gaan van pamfletten en leuzen op muren tot korter of langer durende stakingen via verschillende vormen van collectieve manifestaties. Al deze vormen zijn van grote betekenis voor de ondersteuning van het moreel van de natie en kunnen druk uitoefenen op eventuele voorstanders van een compromis in het regeringskamp. Een uiterste drukmiddel, onze laatste kans, zouden algemene stakingen zijn. Maar wij moeten er ons rekenschap van geven, dat al deze verzetsvormen een manifestatie van nationale gezindheid vormen tegenover lieden die zich vrijwillig tegenover de natie verheven hebben. Als we niet verder gaan en als de voorstanders van een compromis in het regeringskamp zich niet laten gelden, zullen we de catastrofe niet vermijden.

Binnen een tiental weken een beetje vroeger misschien, of een beetje later — zal het een of andere plaatselijke incident in een oproer ontaarden, dat het gehele grondgebied zal omvatten. De macht van de bezetter zal wellicht omvergeworpen worden, maar tegen de hoogste prijs en tegen het hoogste risico, dat van een Sovjetinterventie.

De leiding van het verzet moet de maatschappij dus zowel voorbereiden op grotere concessies met het oog op een compromis met de macht als op liquidatie van de bezetting door een georganiseerde massaopstand. Ik denk dat een dergelijke opstand de vorm kan aannemen van een gelijktijdig offensief tegen alle machtscentra en informatiecentra in het hele land. De machthebbers moeten weten dat zij slechts een sterk beperkte tijd hebben om het initiatief tot een compromis te nemen.

In afwachting van het ergste moeten wij vandaag alles doen om de Sovjetleiding te doen begrijpen dat, met een minimum van goede wil van hun kant, een nationale saamhorigheid van de Polen — zij het zonder de deelname van de huidige leiders van dit land — de militaire belangen van de USSR niet zal bedreigen en slechts gunstig kan zijn voor haar economische belangen.

Een gewapende interventie zal daarentegen de laatste daad van de USSR zijn.

Ik beweer niet dat een georganiseerde opstand van onze natie, gepaard gaande met een verklaring van goede wil ten opzichte van de USSR, ons de veiligheid van de kant van deze macht zal garanderen.

Ik beweer slechts dat een dergelijke opstand, als de bezetting voortduurt, het risico tot een minimum zal beperken.

Gedurende tal van jaren ben ik voorstander geweest van het afzien van elk geweld. Ik voel me dus verplicht het woord te nemen om te zeggen dat ons nu voorbereiden op het tegenwerken van de bezetting door een collectieve actie mij het kleinste kwaad lijkt.

Jacek Kuron
Interneringskamp van Bialoleka, februari 1982.

Discussie

Eerste elementen van een antwoord

Jacek Kuron is zowel in zijn land als in het buitenland een van de bekendste vertegenwoordigers van de Poolse oppositie. In 1964 heeft hij als jonge militant van de Verenigde Poolse Arbeiderspartij (PVAP) samen met Karol Modzelewski een Open Brief aan de Poolse Arbeiderspartij geschreven, waarin hij een standpunt verkondigde dat dicht bij dat van de revolutionair marxisten lag en dat hij later moest veranderen.

In 1976 heeft hij deel uitgemaakt van het handjevol dappere militanten, die door het vormen van een Comité ter verdediging van de arbeiders (KOR) een impuls gegeven hebben aan het proces van herformatie van de Poolse arbeidersbeweging.

In 1980 behoorde hij tot degenen die vanaf het begin volledig betrokken waren bij de steun aan de stakingsbeweging. Na de overeenkomst van Gdansk is hij een van de raadgevers van Solidariteit geworden, waarnaar het meest geluisterd werd. Nu betaalt hij het feit dat hij partij gekozen heeft, met zijn internering in het kamp van Bialoleka. Hoewel we een polemisch debat met hem aangaan, zijn we ons bewust, dat we aan dezelfde kant staan tegenover een gemeenschappelijke vijand. We doen het omdat we overtuigd zijn dat slechts een zo breed en openlijk mogelijke discussie, die het politieke pluralisme respecteert, de Poolse arbeiders zal helpen de nederlaag van 13 december te overwinnen en de wegen te vinden die naar de overwinning leiden.

De meeste geschriften van het verzet die ons bereikt hebben, buigen zich over de reden van de nederlaag van 13 december. Alle wijzen in het bijzonder op de verrassing, die de aanval van het Poolse leger vormde. Alle onderstrepen dat de arbeiders die gedurende de maanden van discussie gevoed waren met de noodzakelijkheid van een compromis en de nationale saamhorigheid, niet gerekend hadden, zoals Adam Michnik schrijft, op een “conflict om de macht”. Maar op een “conflict over de middelen om haar uit te oefenen.”[1bis]

Dit verrassingsverschijnsel — waarover Jacek Kuron geen woord zegt — is een wezenlijk element en zonder dit verschijnsel is het onmogelijk het succes van de machtsgreep van de militaire raad te verklaren tegenover 10 miljoen in Solidariteit georganiseerde mensen. We moeten ons dus afvragen waarom de arbeiders verrast waren, welke fouten er begaan zijn en trachten er een les uit te trekken.

De eerste les is, dat de tegenstander, waarmee de massabeweging geconfronteerd werd, niet slechts is wat Jacek Kuron aangeeft.

Het gaat niet, zoals hij beweert, om een bezetter zonder enige maatschappelijke wortel, om enkel een agent van de USSR, die het land controleert. Historische banden en duidelijke gemeenschappelijke belangen verbinden vandaag zeker generaal Jaruzelski met het Kremlin, zoals Boleslas Bierut, Wladislaw Gomulka, Edward Gierek of Stanislaw Kania er tot voor kort mee verbonden waren. Ondanks dat alles is de Poolse bureaucratie niet enkel een agent van de Sovjetbureaucratie. In een meer dan 40 jaar, dankzij de steun van het Sovjetleger, gevestigde macht, heeft zij zich als maatschappelijke laag gestructureerd en haar eigen belangen ontwikkeld.

Door het op het politieke toneel verschijnen van een onafhankelijke arbeidersorganisatie worden in de eerste plaats de belangen van de in Polen zelf aan de macht zijnde kaste ter discussie gesteld. En de bureaucraten stonden klaar zich met alle middelen te verdedigen, zoals de machtsgreep bewees. Toen ze zich na 13 december gerust gesteld voelden is het duidelijk geworden dat zij een zeker in de minderheid verkerende groep vertegenwoordigen, maar een groep van vele honderdduizenden personen, die besloten waren revanche te nemen. Als we in Polen van oorlog spreken, een oorlog gevoerd door de bureaucratie tegen de arbeidersklasse en haar bondgenoten, dan gaat het om een burgeroorlog. Men moet wel begrijpen dat de USSR tegenover dit alles niet neutraal staat. Zij heeft partij gekozen en zij helpt met alle middelen, maar ze is niet fysiek in het conflict betrokken — tot nu toe ten minste. Als men het tegendeel beweert onderschat men de tegenstander, waar men tegenover staat.

Ten tweede: het feit dat de oorlog gevoerd wordt door Poolse soldaten, die niet veel kans hebben haar te winnen, moet er ons toe brengen om na te denken over het ontbreken van het werken naar het leger door Solidariteit voor de machtsgreep, toen het mogelijk was geweest een zeer groot aantal soldaten te winnen voor de zaak van hun broeders, van hun ouders, die streden voor een radicaal verschillende maatschappij. En dat moet ons ertoe brengen eveneens na te denken over de huidige zwakheden van de vijand.

Zoals in iedere burgeroorlog kan de ontwikkeling van het verzet slechts leiden tot het groeiende isolement van de bevoorrechte klasse, die de rest van de maatschappij de oorlog verklaard heeft. De groeiende brutaliteit van de arbeiders, die het hoofd opsteken, kan slechts twijfel zaaien in de geesten van hen, die de repressie dienen. De soldaten kunnen overlopen, als zij voelen dat de arbeiders niet besloten hebben een modus vivendi met hun meesters te zoeken, maar ze te verwijderen: de enkele gevallen van dienstweigering, die de onafhankelijke pers tijdens de eerste maanden van de staat van oorlog gerapporteerd heeft, getuigen ervan dat zo’n mogelijkheid bestaat. Daarover zegt Kuron evenmin een woord.

Hij zwijgt ook totaal over de centrale rol van de arbeidersklasse in de ontwikkeling van een massabeweging voor een zelfbestuurde maatschappij vóór de machtsgreep, en over de centrale rol in de organisatie van de verzetsbeweging na 13 december.

Als hij spreekt over “al degenen wiens stem in Polen telt”, onderstreept hij de rol van het episcopaat, de intellectuelen, de mensen van de wetenschap en de cultuur, die gunstig tegenover een compromis staan. Maar hij zegt niets over de rol van de arbeiders. En dat is zeker geen toeval.

Want hij legt in feite de nadruk op een compromis, als hij tegenover de onvermijdelijkheid staat van een maatschappelijke